Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2003:AO8275

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
23-06-2004
Zaaknummer
AWB 02/623 WW HOB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank dient slechts te beoordelen of verweerder op goede gronden eiser tijdelijk geheel een uitkering krachtens de WW heeft geweigerd, wegens het plegen van een benadelingshandeling. Inlichtingenplicht, Duits ontslagrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 02/623 WW HOB

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde: B.W. Kloosterhuis.

1. ONDERWERP VAN GESCHIL

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 mei 2002, uitgereikt door het UWV Gak, districtskantoor Enschede.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 1 maart 2002, waarbij afwijzend is beslist op zijn aanvraag ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: de WW), in zoverre gegrond verklaard, dat aan eiser alsnog met ingang van 24 december 2001 een recht op WW-uitkering is toegekend, met dien verstande dat deze wegens een zogenoemde benadelingshandeling blijvend (de rechtbank leest: tijdelijk) geheel is geweigerd tot en met 4 januari 2002.

2. ZITTING

Het geschil is behandeld op de zitting van 5 augustus 2003, alwaar partijen niet zijn verschenen.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak op de voet van artikel 8:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doorverwezen naar de meervoudige kamer.

De meervoudige kamer heeft het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Awb heropend en het geschil wederom, gevoegd met de zaken AWB 02/543 WW, AWB 02/788 WW, AWB 02/1164 WW en AWB 02/1191 WW, ter zitting behandeld op 23 oktober 2003. Eiser is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B.W. Kloosterhuis.

3. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 De feiten.

Eiser was sedert 29 maart 1999 als bekistingtimmerman werkzaam bij [werkgever] GmbH te [plaats] (Duitsland). Wegens stagnatie in de bouw is het dienstverband op voorstel van de werkgever op 14 december 2001, met ingang van 22 december 2001, beëindigd. In verband daarmee heeft eiser zich op 9 januari 2002 tot het Centrum voor werk en inkomen (hierna: het CWI) gewend en op 10 januari 2002 (via het CWI), onder overlegging van een Arbeitsbescheinigung, een aanvraag voor uitkering ingevolge de WW ingediend.

Verweerder heeft bij besluit van 1 maart 2002 geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor de gevraagde uitkering omdat het ontslag niet als rechtsgeldig wordt beschouwd vanwege het ontbreken van een schriftelijke aanzegging zoals is bepaald in paragraaf 623 van het Duitse Bürgerliche Gesetzbuch (hierna: het BGB) en paragraaf 12, onder 1.3 van het Bundesrahmentarifvertraf für das Baugewerbe (hierna: de Duitse Bouw-CAO). In de ogen van verweerder kan eiser bij zijn werkgever de nietigheid van het ontslag inroepen en doorbetaling van loon eisen en kan eiser om die reden niet als werkloos worden beschouwd.

Tegen dit besluit heeft eiser op 5 maart 2002 bezwaar aangetekend.

Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten op een hoorzitting. Van deze gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 28 mei 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en aan eiser alsnog, met ingang van 24 december 2001, een recht op WW?uitkering toegekend, met dien verstande dat die uitkering over de periode van 24 december 2001 tot en met 4 januari 2002 (de rechtbank leest:) tijdelijk geheel is geweigerd, wegens het plegen van een benadelingshandeling in arbeidsrechtelijke zin.

3.2 Standpunt partijen

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder eerst per 1 maart 2002 heeft gemeld dat het ontslag niet rechtsgeldig was en op dat moment de tijd om juridische stappen tegen de werkgever te ondernemen was verstreken. Eiser heeft er verder op gewezen dat in een gesprek met een medewerker van het arbeidsbureau op 11 januari 2002 is verklaard dat de door hem bij zijn aanvraag om WW-uitkering ingediende formulieren in orde waren. Dat, zo heeft eiser opgemerkt, het ontslag niet rechtsgeldig was kon hij onmogelijk weten.

Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft verweerder uiteengezet dat, nu eiser in het ontslag heeft berust, het dienstverband met ingang van zaterdag 22 december 2001 is beëindigd. Eiser dient vanaf dat moment als werkloos in de zin van de WW te worden aangemerkt. Verweerder is verder van mening dat in dit geval de uitkering dient te worden uitgekeerd als ware het dienstverband met ingang van 22 december 2001 wel rechtsgeldig en met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn ontbonden. Uitgaande van de in de Duitse Bouw-CAO en paragraaf 623 van het BGB geldende opzegtermijn van 12 werkdagen, waarbij de zaterdag als werkdag geldt, loopt de opzegtermijn dan tot en met 4 januari 2002.

3.3 Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 71, eerste lid, onder a, sub ii, van de EG-Verordening nr. 1408/71 heeft de volledig werkloze grensarbeider recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, alsof die wettelijke regeling tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest.

Ingevolge paragraaf 125 van het BGB is een rechtshandeling welke de bij wet voorgeschreven vorm ontbeert, nietig.

In paragraaf 623 van het BGB is onder meer bepaald dat een ontslagaanzegging alleen dan rechtsgeldig is als deze schriftelijk heeft plaatsgevonden.

Op grond van de artikelen 1.1 en 1.3 van paragraaf 12 van de Duitse bouw-CAO dient de arbeidsovereenkomst schriftelijk te worden beëindigd en bedraagt de opzegtermijn bij een dienstverband van tussen tussen 6 en 36 maanden 12 werkdagen.

Artikel 24, zesde lid, van de WW bepaalt dat de werknemer verplicht is zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 27, derde lid, van de WW weigert het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, zesde lid van de WW, niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt de maatregel als bedoeld in het derde lid afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging kan worden verweten. In elk geval wordt van het opleggen van een maatregel afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Blijkens het zesde lid van artikel 27 kan het UWV besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Krachtens het bepaalde in het achtste lid van meergenoemd artikel stelt het UWV nadere regels met betrekking tot het derde en vierde lid. Deze regels zijn opgenomen in het Maatregelenbesluit.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder c, van het Maatregelenbesluit bedraagt de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting opgenomen in de vijfde categorie, ten 2°, 3° en 4°, van de WW, dat deel van de uitkering dat niet tot uitbetaling zou komen, indien de verzekerde de bedoelde benadelingshandeling had nagelaten.

In de vijfde categorie, ten 2°, (opgenomen in de bijlage, onder C. ) van het Maatregelenbesluit is bepaald dat de verzekerde verplicht is zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen doordat hij aanspraken op inkomsten die op de uitkering in mindering hadden kunnen worden gebracht prijsgeeft.

In de vijfde categorie, ten 3°, (opgenomen in de bijlage, onder C.) van het Maatregelenbesluit is bepaald dat de verzekerde verplicht is zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen, doordat hij geen tijdig gebruik maakt van een voor hem bestaande mogelijkheid bij derden zijn aanspraken op loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking verschuldigd is aan derden geldend te maken.

In de vijfde categorie, ten 4°, (opgenomen in de bijlage, onder C.) van het Maatregelenbesluit is bepaald dat de verzekerde verplicht is zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen, doordat hij instemt dan wel berust in het niet voldoen door de werkgever van zijn aanspraken op loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking verschuldigd is aan derden.

3.4 Ten aanzien van het geschil

De rechtbank stelt voorop dat de mondelinge beëindiging van de dienstbetrekking van eiser op 14 december 2001, met ingang van 22 december 2001, gelet op het bepaalde in paragraaf 125 en 623 van het BGB als nietig moet worden beschouwd. Daaruit volgt dat de dienstbetrekking is blijven bestaan, en dat op de werkgever een loondoorbetalingsplicht is blijven berusten indien en voor zover eiser zich beschikbaar is blijven stellen voor arbeid bij deze werkgever.

De rechtbank heeft hierbij, anders dan de rechtbank Assen in haar uitspraak van 12 november 2003, kenmerk: 02/1044 WW, overwogen dat het overleggen van een Arbeitsbescheinigung niet als een schriftelijke ontslagaanzegging als bedoeld in paragraaf 623 van het BGB kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank dient een Arbeitsbescheinigung een ander doel, te weten het geven van informatie in verband met het bepalen van de omvang van de aanspraken op sociale zekerheidsvoorzieningen zoals een werkloosheidsuitkering. Dat het ook niet de bedoeling is geweest van de Duitse werkgever om een Arbeitsbescheinigung aan te merken als een wilsuiting van de werkgever blijkt uit het gegeven dat de Duitse wetgever het nodig heeft gevonden om -ter bescherming van de werknemers-, het schriftelijkheidsvereiste in paragraaf 623 van het BGB neer te leggen.

Nu evenwel tussen partijen niet in geschil is dat eiser met ingang van 24 december 2001 recht heeft op een WW-uitkering zal de rechtbank bij de beoordeling van het geschil daar ook van uitgaan. De voorwaarden voor het recht op WW-uitkering zijn immers niet te beschouwen als voorschriften van openbare orde waaraan de rechtbank ambtshalve dient te toetsen.

Daarvan uitgaande dient de rechtbank slechts te beoordelen of verweerder op goede gronden eiser tijdelijk geheel een uitkering krachtens de WW heeft geweigerd, wegens het plegen van een benadelingshandeling.

Uit de gedingstukken blijkt dat de werkgever aan eiser op 14 december 2001, met ingang van 22 december 2001, mondeling ontslag heeft aangezegd. De werkgever heeft zich daarbij niet gehouden aan de in paragraaf 623 van het BGB voorgeschreven schriftelijke ontslagaanzegging. Ook heeft de werkgever zich niet gehouden aan de in paragraaf 12 van de Duitse Bouw-CAO voorgeschreven wettelijke opzegtermijn van 12 dagen.

Vast staat, en dit wordt door eiser ook niet betwist, dat hij geen actie heeft ondernomen tegen de door de werkgever gestelde beëindiging van de dienstbetrekking.

De rechtbank is derhalve met verweerder van oordeel dat kan worden gesteld dat eiser heeft berust in het ontslag en daarmee loonaanspraken heeft prijsgegeven. Door zijn doen en laten heeft eiser het Algemeen Werkloosheidsfonds benadeeld als bedoeld in artikel 24, zesde lid van de WW.

Gelet op het voorgaande was verweerder, op grond van artikel 27, derde lid, van de WW, bevoegd een maatregel op te leggen door de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, te weigeren.

Deze bevoegdheid van verweerder is van discretionaire aard. Dit betekent dat de rechtbank slechts kan toetsen of verweerder bij afweging van alle belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een tijdelijk gehele weigering van eisers WW-uitkering over de periode van 24 december 2001 tot 5 januari 2002.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen heeft eiser door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds benadeeld doordat hij door de wijze van beëindiging van zijn dienstbetrekking loonaanspraken heeft prijsgegeven. Een dergelijke gedraging betreft, zoals ook verweerder ter zitting heeft betoogd, het niet nakomen van een verplichting als genoemd in de vijfde categorie, ten 1° (zie de bijlage, onder C.) van het Maatregelenbesluit en niet, zoals verweerder bij het bestreden besluit heeft aangenomen, het niet nakomen van een verplichting van de vijfde categorie, ten 2°, 3° of 4°. De onder ten 3° of 4° opgenomen verplichtingen zien immers op twee specifieke benadelingshandelingen in het kader van hoofdstuk IV van de WW, waar thans geen sprake van is, en de onder ten 2° opgenomen verplichting ziet op aanspraken op inkomsten die op de uitkering in mindering hadden kunnen worden gebracht.

Dit betekent dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust en reeds hierom dient te worden vernietigd. De rechtbank zal daarbij verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door hem gemaakte onkosten, te weten de kosten voor het vier maal verzenden van een aangetekende brief, de kosten voor het aanvragen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank Groningen en telefoonkosten, kan de rechtbank gelet op het bepaalde in de artikelen 7:15, 8:74 en 8:75 van de Awb en artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet honoreren. Deze kosten komen immers niet voor vergoeding in aanmerking.

Wel dient, nu het beroep gegrond wordt verklaard, op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, te worden bepaald, dat het door eiser betaalde griffierecht van € 29,-door het UWV aan eiser wordt vergoed.

4. BESLISSING

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 mei 2002;

- bepaalt dat het UWV een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat het UWV eiser het betaalde griffierecht € 29,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter, D.J. Klijn en A. Verweij, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2003, in tegenwoordigheid van A.M. van der List - Van Winden als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: