Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2003:AO1551

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/1196 BESLU VEN, AWB 03/1229 BESLU VEN
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 7 mei 2003 de gemeente Groningen ontheffing verleend als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (FFW) van de verbodsbepalingen genoemd in de artikelen 8 tot en met 11 voor zover dit betreft het plukken, verzamelen, afsnijden, uitsteken, vernielen, beschadigen, ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats verwijderen van de zwanebloem en het doden of verwonden, opzettelijk verontrusten, beschadigen en vernielen en verstoren van holen en voortplantings- en vaste rust of verblijfplaatsen, het vervoeren en onder zich hebben van de aardmuis, bosmuis, bosspitsmuis, egel, huisspitsmuis, mol, rosse woelmuis, gewone pad, groene kikker complex en kleine watersalamander.

Uitspraak vernietigd met ongegrondverklaring beroep door ABRvS; LJN: AQ5780

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nrs.: AWB 03/1196 BESLU VEN

AWB 03/1229 BESLU VEN

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, Awb in het geschil tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde mr. J. Veltman,

ten aanzien van het besluit van 7 mei 2003, nr. toek.FF2002C.090.jo, van

de Minister van Landbouw, natuurbeheer en voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde mr. J.M. Hagoort.

1. Zitting

Datum: 16 december 2003

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Veltman.

Voorts is namens verweerder mr. J.M. Hagoort en zijn namens ontheffinghoudster […] verschenen. Ter zitting hebben mr. Veltman en mr. Hagoort een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

Na de sluiting van het onderzoek op 16 december 2003 doet de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak.

Aanleiding wordt gezien om toepassing te geven aan artikel 8:86 Awb.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Verweerder heeft bij besluit van 7 mei 2003 de gemeente Groningen, verder te noemen ontheffinghoudster, ontheffing verleend als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (FFW) van de verbodsbepalingen genoemd in de artikelen 8 tot en met 11 voor zover dit betreft het plukken, verzamelen, afsnijden, uitsteken, vernielen, beschadigen, ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats verwijderen van de zwanebloem en het doden of verwonden, opzettelijk verontrusten, beschadigen en vernielen en verstoren van holen en voortplantings- en vaste rust of verblijfplaatsen, het vervoeren en onder zich hebben van de aardmuis, bosmuis, bosspitsmuis, egel, huisspitsmuis, mol, rosse woelmuis, gewone pad, groene kikker complex en kleine watersalamander.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij bezwaarschrift van 1 oktober 2003 een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van 3 december 2003 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het besluit van verweerder van 7 mei 2003 een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat dit besluit wordt geschorst.

Bij besluit van 10 december 2003 heeft verweerder het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit (het bestreden besluit) heeft verzoeker bij beroepschrift van 11 december 2003 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb -voor zover hier van belang- is de mogelijkheid om bezwaar te maken slechts voorbehouden aan belanghebbenden. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de wetgever een zekere begrenzing heeft beoogd ten aanzien van de mogelijkheid om tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Gelet op de ideële belangen van verzoeker bij behoud van de huidige staat van de Eelderbaanzone is hij als algemeen belanghebbende aan te merken bij het besluit met betrekking tot de soortenbescherming van de inheemse diersoorten in de zin van de FFW en heeft hij gelet op de omstandigheden van het geval niet een individueel, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en rechtstreeks belang bij dit besluit. Daarbij overweegt verweerder voorts dat de belangen van verzoeker zich niet onderscheiden van de belangen van iedere andere inwoner of bezoeker van het gebied.

De voorzieningenrechter dient thans te beoordelen of verzoeker op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaarschrift. Derhalve dient te worden beoordeeld of verzoeker als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb is aan te merken.

Anders dan verweerder betoogt is niet vereist dat de bezwaarmaker wordt geraakt in een rechtens beschermd, bij het nemen van het besluit mee te wegen belang. Dat het in het onderhavige geval gaat om de afweging van het belang van ontheffinghoudster bij realisering van de Eelderbaanzone - en het daarmee gemoeid zijn van een aanpassing van de ter plaatse aanwezige natuurwaarden - tegen het belang van instandhouding van deze natuurwaarden, welke belangen in zekere zin als ideëel kunnen worden aangemerkt betekent niet dat anderen dan ontheffinghoudster en rechtspersonen, opgericht juist ter verdediging van dergelijke ideële belangen, geen belanghebbende kunnen zijn.

Het bestreden besluit strekt tot ontheffing van de FFW. Een zodanig besluit heeft een niet te onderschatten betekenis voor de directe omgeving; een parallel met de ruimtelijke uitstraling van kapvergunningen, bouw- en aanlegvergunningen is hierbij zeker op zijn plaats.

Beoordeeld dient dan ook te worden of verzoeker getroffen wordt in een eigen, persoonlijk en objectief bepaalbaar, actueel en rechtstreeks betrokken belang.

Verzoeker woont in de directe nabijheid van het gebied waarop de verleende ontheffing betrekking heeft, de Eelderbaanzone, en heeft voorts zicht op dit gebied. Het bestreden besluit, waarbij verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard en het besluit tot het verlenen van een ontheffing is gehandhaafd, maakt een ingrijpende herinrichting van het betreffende gebied mogelijk. Bij de uitvoering van de voorgenomen herinrichting zullen verbodsbepalingen van de FFW worden overtreden. Zonder de ontheffing ex artikel 75 FFW kan ontheffinghoudster derhalve de herinrichtingsplannen niet uitvoeren.

De realisering van de herinrichting van de Eelderbaanzone is bepalend voor de omgeving waarin verzoeker woont en veroorzaakt een ingrijpende wijziging van zijn directe leefomgeving. Verzoeker wenst deze wijziging te voorkomen. De belangen van verzoeker bij het bestreden besluiten onderscheiden zich derhalve van iedere willekeurige bezoeker van het betreffende gebied. De belangen van verzoeker bij het bestreden besluit zijn voldoende eigen, objectief bepaalbaar, persoonlijk en actueel en zijn rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Daarmee is sprake van een combinatie van het getroffen worden in ideële en feitelijke belangen. Verzoeker dient daarom als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb te worden beschouwd.

Verweerders oordeel omtrent het verschoonbaar achten van de termijnoverschrijding wordt door de voorzieningenrechter onderschreven. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter geen reden verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het door verzoeker ingestelde beroep gegrond is en het besluit op bezwaar wordt vernietigd. Daarbij wordt bepaald dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het door verzoeker ingediende bezwaarschrift zal dienen te nemen.

Voorts schorst de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb het bestreden besluit tot en met zes weken na de datum van bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op door verzoeker ingediende bezwaar.

Gelet op het bovenstaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb te worden bepaald dat het door of namens verzoeker betaalde griffierecht van (in totaal) € 116,- door de Staat der Nederlanden aan verzoeker wordt vergoed.

Voorts acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de voorzieningenrechter deze kosten op € 966,-, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit 10 december 2003 en bepaalt dat verweerder met inachtneming

van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van verzoeker neemt;

- schorst het besluit van 7 mei 2003 tot en met zes weken na de datum van bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van verzoeker;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden verzoeker het betaalde griffierecht van (in totaal) € 116,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, die zijn vastgesteld op € 966,-, en bepaalt dat de Staat der Nederlanden verzoeker deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema als voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 16 december 2003, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Wal als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

wg. A. van der Wal wg. H.C.P. Venema

De voorzieningenrechter wijst er op dat belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met uitzondering van de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

typ: cbr