Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2003:AO1423

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/1003 WW44 VEN
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft met toepassing van artikel 50, zesde lid, Woningwet (Ww) aan vergunninghouder bouwvergunning verleend voor het vergroten van zijn woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 03/1003 WW44 VEN

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

A en A-B, beiden wonende te C, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder,

gemachtigde H.K. de Jonge.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit 5 september 2003 met toepassing van artikel 50, zesde lid, Woningwet (Ww) aan X te C, verder te noemen vergunninghouder, bouwvergunning verleend voor het vergroten van zijn woning op het perceel […].

Tegen dit besluit, hierna het bestreden besluit, hebben onder meer verzoekers op 5 oktober 2003 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van 6 oktober 2003 hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit van verweerder een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 10 oktober 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Verweerder heeft voorts op 13 oktober 2003 een verweerschrift ingediend.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb is vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden dan wel ter zitting aan partijen overhandigd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2003. Hierbij is A in persoon verschenen, bijgestaan door Y. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H.K. de Jonge.

Voorts is vergunninghouder verschenen, bijgestaan door Z, aannemer.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Feiten en standpunten van partijen

Op 13 juni 2003 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een bouwvergunning voor het perceel […] te C ingediend.

Ingevolge artikel 50, zevende lid, Ww heeft verweerder het bouwplan en het voornemen om gebruik te maken van de in artikel 50, zesde lid, Ww gegeven bevoegdheid vanaf 3 juli 2003 gedurende vier weken ter inzage gelegd. Bij brief van 21 juli 2003 hebben onder meer verzoekers zienswijzen ingediend.

Het bouwplan is, naar verweerder stelt, niet in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Nu de uitbreiding van de woning de bouwgrens overschrijdt is echter sprake van strijd met het ontwerpbestemmingsplan “Beijum 2003”. Het ontwerpbestemmingsplan is bedoeld om in de wijk Beijum meer uitbreiding (van bestaande woningen) mogelijk te maken dan op grond van het vigerende bestemmingsplan mogelijk is. Voor het betreffende perceel blijkt thans dat het ontwerpbestemmingsplan de bouwmogelijkheden beperkt. Verweerder acht dit niet gewenst en meent dat de bouwmogelijkheden in het ontwerpbestemmingsplan ten aanzien van dit perceel verruimd dienen te worden.

Op grond van artikel 50, zesde lid, Ww is vergunning verleend, nu de te vergroten woning op een ruim perceel staat, de woning op het perceel de laatste woning is van een doodlopende straat, de uitbreiding van de woning niet zichtbaar is vanaf de openbare weg en voorts de uitbreiding geen afbreuk doet aan het straatbeeld.

Bij de beoordeling van de toegestane uitbreiding van het hoofdgebouw heeft verweerder de bouwstrook voor aan- en uitbouwen gehanteerd. Ten aanzien van het hoofdgebouw geldt dat maximaal drie bouwlagen zijn toegestaan.

Verweerder meent dat het onderhavige bouwplan valt onder artikel 19, derde lid, Wet op de ruimtelijke ordening (WRO), nu sprake is van een situatie als genoemd in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1 Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Er heeft een belangenafweging plaatsgevonden, waarbij de belangen van verzoekers zijn meegewogen. Gelet op de afstand tussen en de oriëntering van de woningen van verzoekers en belanghebbende meent verweerder dat geen sprake is van een onevenredige vermindering van lichtinval en uitzicht bij verzoekers. Verweerder heeft, gelet op de bedoeling van het ontwerpbestemmingsplan, de belangen van belanghebbende bij het verlenen van de bouwvergunning zwaarder laten wegen dan de belangen van verzoekers.

Verzoekers hebben aangevoerd, dat het bouwplan zowel wat betreft breedte, diepte als hoogte in strijd is met het ontwerpbestemmingsplan. Het betreffende bouwplan heeft twee bouwlagen, waardoor het uitzicht en de privacy van verzoekers sterk zullen verminderen. Hierdoor zal de waarde van hun woning dalen. Bij het verlenen van een vrijstelling zijn de belangen van verzoekers onvoldoende meegewogen. Het woongenot van één bewoner gaat boven het woongenot van de omwonenden.

Vergunninghouder heeft ter zitting gesteld, dat zijns inziens de beperking van het uitzicht en de privacy van verzoekers meevalt. De door verzoekers overgelegde foto’s die zijn genomen vanuit hun ramen zijn suggestief en niet realistisch. Jarenlang is het uitzicht van verzoekers vanuit het zijraam van de woonkamer belemmerd door een struik. Deze struik is twee dagen nadat de bouwvergunning was verleend verwijderd. De bouw is reeds een aantal weken geleden gestart en vergunninghouder heeft inmiddels aanzienlijke kosten gemaakt. Verzoekers hadden de onderhavige procedure eerder aanhangig moeten maken.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 40, eerste lid, Ww is het verboden te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid, Ww mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120 Ww;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, Ww of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 Ww;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, Ww tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, Ww houdt verweerder de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een ontwerp voor een bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

Op grond van het zesde lid van artikel 50 Ww kan verweerder in afwijking het eerste lid de bouwvergunning eveneens verlenen indien het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan en het een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO betreft.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, WRO kan verweerder vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten van de provincie Groningen hebben bij brief van 13 april 2000 een lijst van deze categorieën van gevallen gepubliceerd.

Artikel 19, derde lid, WRO bepaalt dat verweerder vrijstelling kan verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. In artikel 20 Bro zijn deze gevallen aangegeven.

Beoordeling van het verzoek

Het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft is gelegen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Ulgersmaborg”. Ter zitting is vast komen te staan dat het betreffende bouwplan niet strijdig is met het vigerende bestemmingsplan. Voor de gehele wijk Beijum is een ontwerpbestemmingsplan, “Beijum 2003”, ingediend.

Verweerder kan, ondanks dat geen van de in artikel 44 Ww genoemde gronden zich voordoet, de bouwvergunning in beginsel niet verlenen, omdat artikel 50, eerste lid, Ww voorschrijft dat de bouwaanvraag wordt aangehouden totdat het ontwerpbestemmingsplan is vastgesteld.

In het onderhavige geval heeft verweerder deze aanhoudingsplicht op grond van artikel 50, zesde lid, Ww doorbroken, omdat, naar verweerder stelt, sprake is van een geval bedoeld in artikel 19, derde lid, WRO.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het bouwplan als een uitbreiding van het hoofdgebouw in de zin van het ontwerpbestemmingsplan te worden aangemerkt, nu het een uitbreiding van een gebouw betreft, dat op het perceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ten aanzien van een hoofdgebouw zijn in artikel 6, vierde lid, van het ontwerpbestemmingsplan bebouwingsvoorschriften gesteld. Op grond van artikel 6, lid 4, onder c, van het ontwerpbestemmingsplan mag de hoogte van de hoofdgebouwen ten hoogste het op de plankaart aantal aangegeven bouwlagen bedragen. Op de plankaart staat voor het betreffende perceel aangegeven dat het hoofdgebouw ten hoogste 3 bouwlagen mag bedragen. Derhalve is het bouwplan wat betreft de hoogte niet in strijd met het bouwplan.

In artikel 6, vierde lid, onder b, van het ontwerpbestemmingsplan is bepaald dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken mogen worden gebouwd. Uit de plankaart blijkt dat op het betreffende perceel het bouwvlak de omvang heeft van de huidige bebouwing. Iedere uitbreiding van de woning leidt daarom tot een overschrijding van het bouwvlak in en is in strijd met het ontwerpbestemmingsplan. Met verweerder, alsook verzoekers, is de voorzieningenrechter derhalve van oordeel dat het onderhavige bouwplan in strijd is met het ontwerpbestemmingsplan “Beijum 2003”.

Verweerder heeft bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de overschrijding van het bouwvlak de bebouwingsvoorschriften ten aanzien van een aan- of uitbouw op het achtererf in artikel 6, lid 4, onder i, van het bestemmingsplan in aanmerking genomen.

Op grond van dit artikel mogen aan- of uitbouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwstrook worden gebouwd. De bouwstrook heeft een diepte van 3 meter, tenzij op de plankaart anders staat aangegeven, hetgeen ten aanzien van het betreffende perceel niet het geval is. Verweerder past dit voorschrift ook toe ten aanzien van de uitbreiding van het hoofdgebouw aan de zijkant van de woning. Het onderhavige bouwplan ziet op een uitbreiding van 3,33 meter, zodat sprake is van een geringe overschrijding van de bouwstrook van 33 centimeter. Hieromtrent verwijst verweerder naar de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan, pagina 20, bovenaan, waarin wordt aangegeven dat de standaarddiepte van een aanbouw 3 meter bedraagt, tenzij een andere diepte is te beredeneren.

De voorzieningenrechter acht de door verweerder gehanteerde beoordelingscriteria ten aanzien van de mate van uitbreiding van het hoofdgebouw niet juist, nu deze niet aansluiten bij de kwalificatie van het bouwplan als uitbreiding van het hoofdgebouw. Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet van een geringe overschrijding kan worden gesproken. Dit oordeel impliceert evenwel niet dat de belangenafweging tot een andere uitkomst zou moeten leiden. Ook bij deze mate van overschrijding acht de voorzieningenrechter het niet onredelijk dat verweerder het belang van vergunninghouder heeft laten prevaleren boven dat van verzoeker. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat verweerder de bedoeling van het ontwerpbestemmingsplan, zijnde een verruiming van de bouwmogelijkheden in de wijk Beijum, bij de belangenafweging in aanmerking mocht nemen. Verweerder heeft voorts de belangen van verzoekers bij de belangenafweging betrokken. Nu geen sprake is van een onevenredige vermindering van lichtinval en uitzicht bij verzoekers, heeft verweerder echter aan deze belangen niet het gewicht toegekend dat verzoekers voor ogen stond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder een voldoende zorgvuldige en duidelijke belangenafweging gemaakt en mocht hij alle belangen in aanmerking nemende in redelijkheid de argumenten om van zijn bevoegdheid op grond van artikel 50, zesde lid, Ww gebruik te maken zwaarder laten wegen dan de belangen van verzoekers.

Het bestreden besluit kan -na aanpassing in bezwaar- naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter de rechtmatigheidstoets doorstaan. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient daarom te worden afgewezen.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema als voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 15 oktober 2003, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Wal als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

typ: