Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2003:AI0674

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-07-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
66301 KG ZA 03-241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Autobedrijf Westerkamp heeft [gedaagde] doen dagvaarden in kort geding. De vordering strekt ertoe [gedaagde] bij vonnis, [...], te veroordelen om het conservatoir derdenbeslag dat hij heeft doen leggen onder de ABN AMRO bank op 9 juli 2003 binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis in kort geding op te heffen. [...] De voorzieningenrechter wijst de gevraagde voorziening toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

Reg.nr.: 66301 / KG ZA 03-241

Datum uitspraak: vrijdag 25 juli 2003

V O N N I S

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AUTOBEDRIJF WESTERKAMP B.V.,

gevestigd te Veendam,

e i s e r e s,

hierna te noemen Autobedrijf Westerkamp,

procureur mr. S. van Gessel,

en

[gedaagde],

wonende te Groningen,

g e d a a g d e,

hierna te noemen [gedaagde],

procureur mr. R. Skála.

PROCESVERLOOP

Autobedrijf Westerkamp heeft [gedaagde] doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en op de minuut, te veroordelen om het conservatoir derdenbeslag dat hij heeft doen leggen onder de ABN AMRO bank op 9 juli 2003 binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis in kort geding op te heffen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

Op de voor de behandeling bepaalde dag, 22 juli 2003, is namens Autobedrijf Westerkamp verschenen de heer [eiser], vergezeld van de advocaat mr. Van Gessel.

[gedaagde] is verschenen, vergezeld van de advocaat mr. Skála.

Autobedrijf Westerkamp heeft conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij zij producties in het geding heeft gebracht.

[gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd Autobedrijf Westerkamp hierin niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar de vordering te ontzeggen.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en [gedaagde] heeft pleitaantekeningen overgelegd.

Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.

De uitspraak is bepaald op vrijdag 25 juli 2003.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten:

Autobedrijf Westerkamp en [gedaagde] maken beiden aanspraak op de Ford Transit bestelauto met kenteken [kenteken]. Autobedrijf Westerkamp heeft op 18 juni 2003 conservatoir beslag doen leggen op deze bestelauto ten laste van [gedaagde]. De vordering in kort geding van [gedaagde] tot opheffing van dit beslag is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen bij vonnis van 27 juni 2003. [gedaagde] heeft vervolgens op zijn beurt conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van Autobedrijf Westerkamp bij de ABN AMRO bank. Autobedrijf Westerkamp beschikt op haar bankrekening over een kredietruimte ter grootte van € 45.378,-. Op de dag van de beslaglegging had de rekening een debetsaldo ten bedrage van € 2.268,-. De kredietruimte bedroeg op dat moment € 43.110,-. De bank heeft in verband met de beslaglegging de kredietruimte per 9 juli 2003 bevroren.

Standpunten van partijen en beoordeling van het geschil:

Autobedrijf Westerkamp stelt dat [gedaagde] op geen enkele wijze de grondslag van zijn vordering op haar heeft onderbouwd. Voorts betwist Autobedrijf Westerkamp, gezien het feit dat [gedaagde] een bijstandsuitkering ontvangt, dat [gedaagde] gedurende 40 uur per week betaalde opdrachten uitvoert voor derden. Het is bovendien niet aannemelijk dat [gedaagde] voor de uitvoering van zijn opdrachten afhankelijk is van de bestelauto, nu [gedaagde] nog nooit gebruik heeft kunnen maken van de bestelauto en hij pas op 8 april 2003 ontdekte dat de bestelauto was verdwenen, terwijl deze reeds op 27 maart 2003 aan Autobedrijf Westerkamp is teruggegeven. Het beslag is gelet op vorenstaande gegrond op een ondeugdelijke vordering en dient te worden opgeheven.

[gedaagde] heeft in zijn beslagrekest d.d. 3 juli 2003 aangevoerd dat hij schade lijdt omdat Autobedrijf Westerkamp het hem onmogelijk maakt zijn werkzaamheden uit te oefenen door het onrechtmatig onder zich nemen van zijn bestelauto.

Ter zitting heeft hij nader verklaard dat hij samen met een derde bezig is met een tweetal bouwklussen en dat hij daarvoor de bestelauto en het daarbij meegeleverde gereedschap nodig heeft. Nu hij zijn werkzaamheden niet kan uitoefenen mist hij inkomsten van ongeveer € 30,- à € 35,- per uur. Nader bewijs zal worden aangevoerd in de nog aanhangig te maken bodemprocedure.

Daarnaast heeft hij verklaard dat hij thans - anders dan hij eerder heeft gedaan toen hij ook niet beschikte over een bestelauto - niet is overgegaan tot het huren van een vervoermiddel.

Met betrekking tot de bijstandsuitkering heeft hij aangevoerd dat dit een bijstanduitkering voor zelfstandigen betreft, hetgeen inhoudt dat hij zich kan melden bij de sociale dienst voor een uitkering als hij onvoldoende inkomsten heeft.

De vraag waarvoor de voorzieningenrechter zich ziet geplaatst is of Autobedrijf Westerkamp met hetgeen door haar daartoe is aangevoerd summierlijk heeft aangetoond dat er sprake is van een ondeugdelijke vordering aan de zijde van [gedaagde].

Gelet op de thans bekende feiten en omstandigheden wordt deze vraag bevestigend beantwoord en wel op grond van de navolgende overwegingen.

In het procesdossier bevindt zich het voornoemde vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 27 juni 2003 waarbij is beslist op de vordering van [gedaagde] strekkende tot opheffing van het op verzoek van Autobedrijf Westerkamp op de bestelauto gelegde conservatoir beslag. De gevraagde voorziening is afgewezen onder de overweging dat niet uitgesloten is dat de door [gedaagde] gepretendeerde koop en verkoop van de bewuste auto, gelet op de in dat vonnis gestelde feiten, een schijnhandeling is.

In hetgeen door [gedaagde] als verweer in de onderhavige procedure is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om hetgeen in genoemd vonnis is overwogen en beslist niet ook thans in zijn beoordeling te betrekken.

Van belang is voorts dat [gedaagde] zijn vordering welke ten grondslag ligt aan het beslag waarvan thans opheffing wordt verzocht slechts onderbouwd heeft met de stelling dat hij schade lijdt omdat hij bij twee bouwklussen niet kan beschikken over de bestelauto en het gereedschap, hetgeen de voorzieningenrechter als een zeer beperkte onderbouwing beschouwt. Bovendien heeft [gedaagde] de stellingen van Autobedrijf Westerkamp dat [gedaagde] nog nooit gebruik heeft kunnen maken van de bestelauto en dat hij pas op 8 april 2003 ontdekte dat de bestelauto was verdwenen, terwijl deze reeds op 27 maart 2003 aan Autobedrijf Westerkamp is teruggegeven, niet betwist. Nu [gedaagde] aldus essentiële stellingen van Autobedrijf Westerkamp niet heeft betwist en zijn vordering slechts zeer beperkt heeft onderbouwd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde].

Terzake de stelling van Autobedrijf Westerkamp dat zij ten behoeve van haar bedrijfsvoering dient te kunnen beschikken over de kredietfaciliteit die haar rekening-courant bij de bank haar biedt heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. Integendeel. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat het niet zijn bedoeling is geweest om een mogelijke kredietruimte waarover Autobedrijf Westerkamp kan beschikken in het beslag te betrekken. Het is de bank die na het gelegde beslag is overgegaan tot bevriezing van de kredietruimte.

Gezien de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden zal de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening toewijzen.

Aan een voorlopig oordeel met betrekking tot de vraag of kredietruimte bij een bank vatbaar is voor beslaglegging, de subsidiaire stelling van Autobedrijf Westerkamp, komt de voorzieningenrechter niet toe nu de vordering reeds op andere gronden toewijsbaar is.

De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd op het bedrag zoals vermeld in het dictum.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden verwezen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. veroordeelt [gedaagde] om het conservatoir derdenbeslag dat hij heeft doen leggen onder de ABN AMRO bank op 9 juli 2003 binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis op te heffen;

2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Autobedrijf Westerkamp van een dwangsom groot

€ 1.000,- (duizend euro) voor iedere dag dat niet aan voormelde veroordeling wordt voldaan, met dien verstande dat maximaal € 20.000 (twintigduizend euro) aan dwangsommen verbeurd zal kunnen worden;

3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van Autobedrijf Westerkamp begroot op € 273,20 aan verschotten eventueel vermeerderd met de niet voor verrekening vatbare omzetbelasting en op € 703,- aan salaris van de procureur;

4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.W.M. Vermeulen, voorzieningenrechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 25 juli 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.