Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2003:AH9935

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-07-2003
Datum publicatie
17-07-2003
Zaaknummer
18/070190-02.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Groningen, uitspraak 17 juli 2003.

[...]

De rechtbank is van oordeel dat mede door het handelen van verdachte een vijfjarig meisje van het leven is beroofd. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte, zeker gelet op de door haar gevolgde opleiding, heeft kunnen waarnemen dat er sprake was van een ziekte bij het slachtoffer en dat er daarom een arts had moeten worden gewaarschuwd. Het vertrouwen dat het slachtoffer als kind moet hebben gehad in verdachte als moeder, is door verdachte ernstig geschonden.

Het slachtoffer heeft in plaats van zorg tijdens haar ziekte, gewelds- en andere -voor een kind verwarrende en bedreigende- handelingen moeten doorstaan en is uiteindelijk op de woonkamervloer overleden. Het initiatief tot het plegen van de gewelddadige handelingen is daarbij van verdachte uitgegaan. Verdachte en haar mededader hebben zelfs, nadat zij door anderen zijn geattendeerd op de toestand van het slachtoffer, geen verandering in hun gedrag aangebracht, maar integendeel het gewelddadige karakter daarvan nog versterkt. Dit is een zeer ernstig feit waardoor de rechtsorde is geschokt.

[...]

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank acht gevaar voor recidive aanwezig en is van oordeel dat terbeschikkingstelling met voorwaarden geïndiceerd is.

[...]

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

* een gevangenisstraf voor de duur van DRIE JAREN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd, die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

* Geeft last dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en bepaalt dat de veroordeelde zich moet onderwerpen aan de hulp en steun die de Stichting Reclassering Nederland in het kader van de terbeschikkingstelling aan haar zal geven en dat zij zich zal houden aan de in het vonnis geformuleerde voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/070190-02

datum uitspraak: 17 juli 2003

op tegenspraak

raadsman: mr. Van Linde

VONNIS

van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in de [detentieplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 januari 2003, 24 maart 2003, 16 juni 2003 en 8 juli 2003.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

zij in of omstreeks de periode 11 april 2002 tot en met 13 april 2002 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode 11 april 2002 tot en met 13 april 2002 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde het kind van verdachte of haar mededader(s), opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenlastelegging als volgt nader zal worden omschreven:

zij in of omstreeks de periode van 11 april 2002 tot en met 13 april 2002 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met [mededader], althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of die [mededader] met dat opzet

- [slachtoffer] meermalen, in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op (de rug van) [slachtoffer] gesprongen, en/of

- het hoofd van [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de grond, althans tegen een hard oppervlak/voorwerp, geslagen, en/of

- [slachtoffer], die leed aan een streptokokkeninfectie en/of brain stem encephalitis en/of een longontsteking, althans aan een ziekelijke aandoening, (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke

periode) (medische) zorg en/of medicatie onthouden, en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, beetgepakt en door elkaar geschud, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op de/het onderbe(e)n(en) van [slachtoffer] gestaan, en/of

- de fysieke en/of psychische gesteldheid en/of weerbaarheid van [slachtoffer] sterk doen, althans laten, verzwakken, door (naast vorengenoemde handelingen)

- [slachtoffer] (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) vastgebonden te houden, en/of

- [slachtoffer] (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) (deels) ontkleed te houden, en/of

- [slachtoffer] (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) wakker te houden, en/of

- [slachtoffer] (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) voedsel en/of drinken te onthouden,

ten gevolge waarvan [slachtoffer] (op of omstreeks 13 april 2002) is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode van 11 april 2002 tot en met 13 april 2002 in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met [mededader], althans alleen, aan haar, verdachtes, dochter, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht

(- voortgeschreden streptokokkeninfectie, en/of

- brain stem encephalitis, en/of

- zwelling van de hersenen, en/of

- voortgeschreden longontsteking, en/of

- bloedvergiftiging, en/of

- traumata aan hoofd en/of lichaam),

immers heeft/hebben verdachte en/of die [mededader] met dat opzet

- [slachtoffer] meermalen, in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op (de rug van) [slachtoffer] gesprongen, en/of

- het hoofd van [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de grond, althans tegen een hard oppervlak/voorwerp, geslagen, en/of

- [slachtoffer], die leed aan een streptokokkeninfectie en/of brain stem encephalitis en/of een longontsteking, althans aan een ziekelijke aandoening, (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) (medische) zorg en/of medicatie onthouden, en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, beetgepakt en door elkaar geschud, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op de/het onderbe(e)n(en) van [slachtoffer] gestaan, en/of

- de fysieke en/of psychische gesteldheid en/of weerbaarheid van [slachtoffer] sterk doen, althans laten, verzwakken, door (naast vorengenoemde handelingen)

- [slachtoffer] (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) vastgebonden te houden, en/of

- [slachtoffer] (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) (deels) ontkleed te houden, en/of

- [slachtoffer] (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) wakker te houden, en/of

- [slachtoffer] (gedurende meerdere dagen, althans gedurende een aanzienlijke periode) voedsel en/of drinken te onthouden, terwijl het feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.

zij in of omstreeks de periode van 11 april 2002 tot en met 13 april 2002 in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met [mededader], althans alleen, opzettelijk haar dochter [slachtoffer] (geboren 2 september 1996), tot wier onderhoud, verpleging en/of verzorging zij (als ouder) krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door die [slachtoffer] (die leed aan een streptokokkeninfectie en/of brain stem encephalitis en/of een longontsteking, althans aan een ziekelijke aandoening) adequate lichamelijke verzorging, adequate voeding en/of inschakeling van medische hulp/verzorging te onthouden, terwijl het feit de dood (van [slachtoffer] op of omstreeks 13 april 2002) ten gevolge heeft gehad;

en/of

B.

zij in of omstreeks de periode van 11 april 2002 tot en met 13 april 2002 in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met [mededader], althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer], zijnde de dochter van verdachte),

- meermalen, in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op de rug, althans op het lichaam is/zijn gesprongen, en/of

- haar hoofd meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de grond, althans tegen een hard oppervlak/voorwerp, heeft/hebben geslagen, en/of

- meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben beetgepakt en door elkaar geschud, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op de/het onderbe(e)n(en) heeft/hebben gestaan,

ten gevolge waarvan [slachtoffer] (op of omstreeks 13 april 2002) is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Deze vordering is door de rechtbank, gehoord de verdachte en de raadsman, toegewezen.

VERWEREN

Opzet:

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- het verweer gevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op haar handelen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat hoewel uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum (PBC) blijkt dat verdachte bepaalde handelingen welbewust heeft gedaan, er in onderhavig geval geen sprake was van doelgericht handelen. De raadsman heeft gesteld dat voor doelgericht handelen vereist is dat er enige controle is over het handelen. Hij voert aan dat hiervan, gelet op de psychische toestand van verdachte en haar culturele achtergrond, geen sprake was.

De rechtbank overweegt het volgende:

Uit de verklaring van de getuige-deskundige ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer symptomen heeft vertoond, die objectief gezien passen bij een algeheel ziek kind. Vorenstaande is door beide verdachten waargenomen. Verdachten hebben al in een vroeg stadium bewust het besluit genomen niet een arts te waarschuwen, doch rituelen op het slachtoffer uit te voeren. De handelingen die verdachten hebben verricht, waren gericht op het uitdrijven van 'de geest'. In de verrichte handelingen heeft een opbouw naar geweld gezeten. Op het moment dat bleek dat de (door verdachten genoemde) uitdrijving niet lukte met 'gewone' middelen, hebben verdachten geweld toegepast. Beide verdachten hebben verklaard dat 'de geest' eruit geslagen moest worden. Verdachten hebben naar het oordeel van de rechtbank dan ook bewust geweld gebruikt met de bedoeling het lichaam van het slachtoffer aan te tasten. Uit vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte door het verrichten van de gewelddadige handelingen zich heeft blootgesteld aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat onder de gegeven omstandigheden, mede tengevolge van het geweld, de dood zou intreden. De rechtbank verwerpt dan ook het gevoerde verweer.

Causaliteit:

De raadsman heeft ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- het verweer gevoerd dat het causale verband tussen het handelen van verdachte en het intreden van de dood van het slachtoffer volledig ontbreekt. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verwondingen aan het lichaam van het slachtoffer, voor zover veroorzaakt door het geweld, niet de doodsoorzaak zijn geweest. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het slachtoffer leed aan verschillende ziekelijke afwijkingen die het intreden van de dood zonder meer kunnen verklaren. De raadsman komt tot de conclusie dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs niet aan het handelen van de verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank overweegt het volgende:

De conclusie van het sectierapport d.d. 3 juni 2002 luidt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van een combinatie van bloedvergiftiging en de inwerking van uitwendig stomp geweld. Voorts concludeert [deskundige1] in zijn schrijven d.d. 5 juli 2002 dat het slachtoffer is overleden aan een combinatie van uitputting, mishandeling en een streptokokkeninfectie. Ter terechtzitting heeft [deskundige1], gehoord als getuige-deskundige, gelet op hetgeen is opgenomen in het rapport van [deskundige2] d.d. 10 januari 2003 (inhoudende dat het postmortale interval minimaal 24 uren bedraagt) zijn conclusie aangevuld. [deskundige1] heeft ter zitting verklaard dat, gelet op dit rapport, de factor geweld een grotere rol heeft gespeeld als oorzaak van het intreden van de dood, nu het tijdstip van overlijden vermoedelijk eerder is geweest dan waarvan hij in eerste instantie uit was gegaan. [deskundige1] heeft verder ter zitting verklaard dat de bevinding in het eerdergenoemde sectierapport, inhoudende dat er in het lichaam van het slachtoffer sprake was van een vergrote thymus, duidt op stress als gevolg van lichamelijk geweld bij leven toegebracht.

De rechtbank overweegt voorts dat de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard dat de bij het slachtoffer geconstateerde brain stem encephalitis, gelet op de bevindingen, niet mede de oorzaak is geweest van het intreden van de dood.

De rechtbank neemt deze schriftelijke en mondelinge conclusies van de deskundigen over en is dan ook van oordeel dat het door verdachte toegepaste geweld mede de oorzaak is geweest van het intreden van de dood. De rechtbank is van oordeel dat tussen de aan verdachten verweten handelingen en de dood van het slachtoffer zodanig verband bestaat dat de dood redelijkerwijs als gevolg van hun handelen aan verdachten kan worden toegerekend. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat tussen het handelen van verdachten en het intreden van de dood causaal verband bestaat. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 11 april 2002 tot en met 13 april 2002 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met [mededader], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en die [mededader] met dat opzet

- [slachtoffer] meermalen, in het gezicht, althans tegen het hoofd en tegen het lichaam gestompt en geslagen en

- meermalen op de rug van [slachtoffer] gesprongen, en

- het hoofd van [slachtoffer] meermalen met kracht tegen de grond geslagen, en

- [slachtoffer], die leed aan een streptokokkeninfectie en brain stem encephalitis en een longontsteking, gedurende een aanzienlijke periode (medische) zorg onthouden, en

- [slachtoffer] meermalen beetgepakt en door elkaar geschud, en

- meermalen op de onderbenen van [slachtoffer] gestaan, en

- de fysieke en psychische gesteldheid en weerbaarheid van [slachtoffer] sterk doen verzwakken, door (naast vorengenoemde handelingen)

- [slachtoffer] gedurende een periode vastgebonden te houden, en

- [slachtoffer] gedurende een aanzienlijke periode deels ontkleed te houden, en

- [slachtoffer] gedurende een aanzienlijke periode wakker te houden, en

- [slachtoffer] gedurende een aanzienlijke periode voedsel en drinken te onthouden,

ten gevolge waarvan [slachtoffer] omstreeks 13 april 2002 is overleden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

KWALIFICATIE

Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert het volgende strafbare feit op:

Primair:

Medeplegen van doodslag.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Psychische overmacht

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd van ontoerekeningsvatbaarheid en in tweede instantie dit verweer aangemerkt als zijnde eveneens een beroep op psychische overmacht. De rechtbank verstaat dit verweer aldus dat de verdediging aanvoert dat gelet op de aanwezigheid van een psychische stoornis ten tijde van het tenlastegelegde en gelet op het feit dat verdachte heeft gehandeld conform haar geloof en culturele achtergrond, in redelijkheid niet van haar viel te verwachten dat zij zich anders zou hebben gedragen. De rechtbank begrijpt dat de psychische stoornis en de culturele en geloofsachtergrond volgens de raadsman de van buiten komende psychische druk moeten hebben gevormd.

De rechtbank overweegt het volgende.

In onderhavige zaak is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een zodanige (van buiten komende) druk, waaraan verdachte in redelijkheid geen weerstand kon bieden.

De verweten gedragingen zijn door verdachte gedurende langere tijd verricht. Tussendoor zijn er verschillende momenten geweest waarop verdachte door anderen erop is gewezen dat (medische) zorg nodig was. Daarbij hebben die anderen zelfs getracht het kind aan de gedragingen van verdachten te onttrekken.

Uit de conclusie van het rapport van het PBC blijkt verder dat verdachte de ongeoorloofdheid van haar gedrag -zij het in mindere mate- heeft kunnen inzien. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid verwacht kon worden dat zij weerstand kon bieden aan haar bijgeloof voortkomende uit haar culturele en geloofsachtergrond en daarmee dat zij de verweten gedragingen na zou laten. Het beroep van de raadsman op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.

Toerekeningsvatbaarheid

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de handelingen die door verdachte zijn verricht, gericht zijn geweest op het redden van haar dochter en deze handelingen ook vanuit haar culturele achtergrond volledig te begrijpen zijn. De raadsman stelt derhalve dat wegens de aanwezigheid van een psychische stoornis ten tijde van het tenlastegelegde en gelet op de omstandigheid dat het handelen van verdachte conform haar geloof en culturele achtergrond is geweest, verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden geacht.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte is door het Pieter Baan Centrum een multidisciplinaire rapportage uitgebracht d.d. 7 januari 2003, opgemaakt door [deskundige3], psychiater en [deskundige4], psycholoog. Hieruit blijkt dat verdachte de ongeoorloofdheid van haar gedrag in enige mate heeft kunnen inzien.

De conclusie van dat rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde aan verdachte slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. Het beroep van de raadsman wordt derhalve verworpen.

MOTIVERING STRAF

Bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a) - de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de vordering van de officier van justitie;

b) -de persoon van verdachte, zoals naar voren gekomen uit:

- het onderzoek op de terechtzittingen d.d. 14 januari 2003, 24 maart 2003, 16 juni 2003 en 8 juli 2003;

- de inhoud van een uittreksel uit het algemeen documentatieregister omtrent verdachte d.d. 15 april 2002. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van enig strafbaar feit is veroordeeld;

- het over verdachte door de Forensisch Psychiatrische Dienst te Groningen uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 17 april 2002;

- de over verdachte door het Pieter Baan Centrum te Utrecht uitgebrachte multidisciplinaire rapportage d.d. 7 januari 2003;

- het over verdachte door de Stichting Reclassering Nederland te Groningen uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 18 maart 2003;

- het met betrekking tot verdachte opgemaakte 'Aanvullend Maatregelrapport' van de Reclassering Nederland te Amsterdam d.d. 7 juli 2003.

Vrijheidsstraf

De rechtbank is van oordeel dat mede door het handelen van verdachte een vijfjarig meisje van het leven is beroofd. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte, zeker gelet op de door haar gevolgde opleiding, heeft kunnen waarnemen dat er sprake was van een ziekte bij het slachtoffer en dat er daarom een arts had moeten worden gewaarschuwd. Het vertrouwen dat het slachtoffer als kind moet hebben gehad in verdachte als moeder, is door verdachte ernstig geschonden.

Het slachtoffer heeft in plaats van zorg tijdens haar ziekte, gewelds- en andere -voor een kind verwarrende en bedreigende- handelingen moeten doorstaan en is uiteindelijk op de woonkamervloer overleden. Het initiatief tot het plegen van de gewelddadige handelingen is daarbij van verdachte uitgegaan. Verdachte en haar mededader hebben zelfs, nadat zij door anderen zijn geattendeerd op de toestand van het slachtoffer, geen verandering in hun gedrag aangebracht, maar integendeel het gewelddadige karakter daarvan nog versterkt.

Dit is een zeer ernstig feit waardoor de rechtsorde is geschokt.

Verdachte is niet eerder terzake van enig strafbaar feit veroordeeld en de rechtbank neemt bij het opleggen van de vrijheidsstraf in aanmerking de conclusie van voormelde multidisciplinaire onderzoeksrapportage van het Pieter Baan Centrum, dat het bewezen verklaarde aan verdachte slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf als hierna te noemen, passend is.

MOTIVERING MAATREGEL

Terbeschikkingstelling

De rechtbank is van oordeel dat meerdere -in de rapportage van het Pieter Baan Centrum- als situationeel bestempelde escalerende factoren niet als louter situationeel beschouwd kunnen worden.

De rechtbank is van oordeel dat ter bescherming van de veiligheid van anderen, voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte dienen te worden gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is het na vrijlating van verdachte heel wel voorstelbaar dat zich opnieuw een situatie kan voordoen waarin sprake kan zijn van vermoeidheid, relatieproblemen, contact met de biologische moeder en/of het opgaan in de Bruawereld, temeer nu verdachte ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dit geloof niet te hebben afgezworen.

De rechtbank is van oordeel dat een strikte begeleiding van verdachte met een psychiatrische behandeling dit gevaar voor herhaling kan voorkomen. Een TBS met voorwaarden is hiervoor aangewezen.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van haar geestvermogens bestond, ter beschikking moet worden gesteld omdat:

- het bewezen en strafbaar verklaarde een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en

- de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel eist.

Onder verwijzing naar het rapport van de Reclassering Nederland te Amsterdam d.d. 7 juli 2003 zal de rechtbank de voorwaarden zoals daarin opgenomen opleggen, met dien verstande dat de rechtbank de afspraak met betrekking tot het Brua-(bij)geloof niet in zijn geheel overneemt, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 38a lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal in plaats daarvan bepalen dat verdachte zich zal onthouden van de toepassing van met het Brua-(bij)geloof samenhangende gewelddadigheden en de gezondheid van anderen schadende rituelen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 38, 38a, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

* een gevangenisstraf voor de duur van DRIE JAREN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd, die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

* Geeft last dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld.

Stelt de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

- Veroordeelde zal op de dag van invrijheidstelling gaan wonen bij de Stichting Exodus Amsterdam en zich houden aan de afspraken en regels zoals deze binnen Exodus Nederland gelden, te weten:

- De huisregels van de Stichting Exodus Amsterdam;

- Het weekprogramma van Stichting Exodus Amsterdam;

- Het bewonerscontract en de hierin genoemde afspraken.

- Veroordeelde zal medicatie gebruiken, indien deze haar door de behandelend psychiater wordt voorgeschreven.

- Veroordeelde zal, totdat hierover in overleg met de leden van de TBS-commissie nadere afspraken worden gemaakt, geen alcohol en drugs gebruiken.

- Veroordeelde zal het volledige programma van het vijf-gesprekkenmodel bij de Waag te Amsterdam volgen en zal vervolgens deelnemen aan een nog nader op te stellen behandelprogramma, ook wanneer dit inhoudt dat betrokkene op indicatie van de Waag een behandeling bij een andere instelling zal dienen te volgen.

- Veroordeelde zal zich onthouden van de toepassing van met het Brua-(bij)geloof samenhangende gewelddadigheden en de gezondheid van anderen schadende rituelen. Veroordeelde zal hierover geen informatie achterhouden en zal de reclassering informeren wanneer zij door anderen wordt benaderd of hier zelf mee bezig is of hierover gedachten heeft die kunnen leiden tot de hiervoor vermelde gewelddadigheden en de gezondheid van anderen schadende rituelen.

- Veroordeelde zal melding maken van de door haar onderhouden relaties met anderen, ook wanneer deze intiem zijn.

- De veroordeelde zal zich gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland te Amsterdam, zolang deze instelling dat nodig oordeelt.

-Draagt de Stichting Reclassering Nederland te Amsterdam op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Lahuis, voorzitter, Dolfing en Van Woensel, in tegenwoordigheid van Van der Ploeg als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2003.