Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2002:AE5851

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
25-07-2002
Zaaknummer
18/070434-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

parketnummer: 18/070434-01

datum uitspraak: 25 juli 2002

op tegenspraak

raadsman: mr. O.B. Volkerts

VONNIS

van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans preventief gedetineerd.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 november 2001, 14 februari 2002, 7 mei 2002 en 11 juli 2002.

TENLASTELEGGING en BEWEZENVERKLARING

Ter bescherming van de slachtoffers heeft de rechtbank besloten de tenlastelegging en de bewezenverklaring niet te publiceren op www.rechtspraak.nl

NADERE BEWIJSOVERWEGING

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de door hem bij de politie afgelegde verklaringen onder de druk van de omstandigheden tot stand zijn gekomen en derhalve niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De rechtbank verwerpt dit verweer nu van een ongeoorloofde dwang niet is gebleken.

KWALIFICATIE

Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert de volgende strafbare feiten op:

1.

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

2. primair

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

3.

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

4.

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5. primair

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de navolgende onderzoeksrapportages:

- de psychiatrische rapportage van dr. T., psychiater, d.d. 31 januari 2002;

- de psychologische rapportage van drs. B., psycholoog, d.d. 8 februari 2002;

- de psychiatrische onderzoeksrapportage van dr. Z., psychiater, ongedateerd, uitgebracht naar aanleiding van de zes weken durende klinische observatie van de verdachte in de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Eindhoven, aangevangen op 8 april 2002;

- de psychologische rapportage van drs. Z., psycholoog/neuropsycholoog, d.d. 27 mei 2002:

De raadsman heeft ter terechtzitting van 11 juli 2002 betoogd dat de rapportages van de gedragsdeskundigen Z. en Z. niet deugdelijk en consistent zijn. De raadsman is van mening dat de conclusies van beide rapportages niet worden gedragen door de inhoud. Hij verzoekt dan ook om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting ten behoeve van een contra-expertise.

De rechtbank deelt deze mening van de raadsman niet en wijst het verzoek af. De rechtbank acht hierbij van belang, dat beide rapportages reeds tot stand zijn gekomen in het kader van een contra-expertise, waarbij een klinische observatie van verdachte heeft plaatsgevonden, en bovendien de conclusies van de eerder uitgebrachte rapportages van de gedragsdeskundigen T. en B. bevestigen.

De conclusies van deze rapportages luiden, zakelijk weergegeven, dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, antisociale en narcistische trekken, die ook reeds bestond ten tijde van het plegen van hetgeen de verdachte ten laste is gelegd. Op grond daarvan kan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde aan verdachte slechts in licht verminderde tot verminderde mate worden toegerekend.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over, met dien verstande dat de rechtbank van oordeel is dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

MOTIVERING STRAF

Bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a)

- de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de vordering van de officier van justitie;

b) de persoon van de verdachte, zoals naar voren gekomen uit:

- het onderzoek op de terechtzittingen d.d. 22 november 2001, 14 februari 2002, 7 mei 2002 en 11 juli 2002;

- de inhoud van een uittreksel uit het algemeen documentatieregister omtrent de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van soortgelijke feiten;

- de rapportage van dr K., psychiater, d.d. 17 augustus 2001;

- de psychiatrische rapportage van dr. T., psychiater, d.d.

21 september 2001;

- het over de verdachte door de Stichting Reclassering Nederland te Groningen uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 13 februari 2002;

- de verpleegkundige verslaglegging Pro Justitia d.d. 21 mei 2002 van E. inzake de klinische observatieperiode van 8 april 2002 tot 21 mei 2002 van verdachte in de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Eindhoven;

- de hiervoren genoemde psychologische en psychiatrische onderzoeksrapportages.

c) de omstandigheid dat de verdachte, zoals deze ter terechtzitting heeft erkend, zich behalve aan het bewezen en strafbaar verklaarde, ook nog heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een tweetal wapens van de categorie III, te weten een gaspistool en een werpmes, en aan het doen van valse aangifte, hetgeen blijkt uit het dossier met parketnummer 18/070434-01, en welke feiten ter kennisneming aan de rechtbank zijn voorgelegd naast hetgeen in de tenlastelegging staat vermeld.

De officier van justitie heeft verdachte door middel van een in de dagvaarding gedane mededeling ervan op de hoogte gesteld dat deze feiten eveens aan de rechtbank zouden worden voorgelegd.

De overige feiten, die aan de rechtbank ter kennisneming zijn voorgelegd, te weten mishandeling van <slachtoffer1> en <slachtoffer2>, heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten, nu deze feiten door de verdachte ter terechtzitting niet zijn erkend.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte gedurende een reeks van jaren een vijftal kinderen ernstig seksueel heeft misbruikt. Hij zocht zijn slachtoffers in een jonge en kwetsbare leeftijdsgroep.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij bij de totstandkoming van de contacten berekenend te werk ging. In een sfeer van vriendschap wist hij zijn slachtoffers aan zich te binden door hen uitstapjes te bieden, intensieve aandacht te schenken en hen kennis te laten maken met attracties uit de volwassenenwereld, zoals motorrijden, roken en films. Deze vriendschap bevatte echter voorwaarden in de vorm van seksuele tegenprestaties.

Verdachte had, mede gelet op het grote leeftijdsverschil, een psychologisch overwicht op zijn slachtoffers. Hij heeft niet geschroomd om daar misbruik van te maken. Zo manipuleerde verdachte de kinderen door hen te achtervolgen en met grote regelmaat claxonnerend langs hun woningen te rijden om hen daarmee op indringende wijze duidelijk te maken dat hij contact wilde. Ook dwong hij hen tot ontmoetingen op zodanige tijdstippen dat de normale omgang met leeftijdgenootjes daardoor verhinderd werd. Door klachten over hun opvoedingssituatie bij diverse instanties in te dienen, trachtte hij een wig te drijven tussen de kinderen en hun ouders om aldus een afhankelijkheid van zijn slachtoffers ten opzichte van hem te creëren. Uit de diverse verklaringen blijkt tevens dat er sprake is geweest van obsessief gedrag en fysieke dwang.

Verdachte heeft aldus op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de kinderen en op hun persoonlijke levenssfeer, op laatstgenoemde zeker ook door beeltenis en naam van twee van zijn slachtoffers op zijn lichaam te laten tatoeëren. Hoewel de verdachte stelt enkel door zorg en liefde gedreven te zijn geweest, heeft hij de belangen en gevoelens van de kinderen volledig genegeerd ten behoeve van de eigen lustbeleving. Hij heeft daarmee de ontwikkeling van de kinderen in zijn algemeenheid en hun seksuele ontwikkeling in het bijzonder ernstig en wellicht blijvend verstoord.

Uit de stukken blijkt dat er bij de slachtoffers gedragsstoornissen en psychische problemen bestaan, alsmede gevoelens van schaamte, angst en afkeer.

Naast het vorenstaande neemt de rechtbank bij het opleggen van de vrijheidsstraf in aanmerking de conclusies van de psychologische en psychiatrische rapportages, dat het bewezenverklaarde aan de verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

MOTIVERING MAATREGEL

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens bestond, ter beschikking moet worden gesteld, omdat het bewezen en strafbaar verklaarde een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel eist.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte tevens van overheidswege moet worden verpleegd, omdat de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

De rechtbank heeft hierbij de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde in aanmerking genomen en dit oordeel verder gegrond op de navolgende rapporten en adviezen, die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht: de adviezen van de gedragsdeskundigen Z., psychiater, en Z., psycholoog/neuropsycholoog, alsmede die van T., psychiater, en

B., psycholoog,.

Het advies van Z., psychiater, opgemaakt in mei 2002 in het kader van een contra-expertise, houdt - zakelijk weergegeven - ondermeer in:

Twee zaken lijken evident: de seksuele gerichtheid op pre- c.q. vroeg-puberale jongens en een zodanig anders relateren naar mannelijke, vrouwelijke en kinderlijke medemensen, dat gesteld mag worden dat er sprake is van forse persoonlijkheidsproblematiek uit het name het B-cluster (antisociale en theatrale aspecten). Er is geen sprake van een massale psychiatrische pathologie. Er is wel degelijk sprake van een fors psychologisch emotioneel onvermogen en een onvermogen om verder te kijken dan wat de eigen egocentrisch gerichte impulsieve korte termijn doelstellingen (seksuele lust) hem ingeven en om zich hieraan te onttrekken. De seksuele gerichtheid in combinatie met de forse persoonlijkheidspathologie leidt tot een zeer grote kans op nieuwe seksuele handelingen c.q. relaties met jonge jongens. Dit wordt nog verder versterkt door het feit dat betrokkene geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn seksuele gedrag c.q. delicten en deze ook absoluut niet problematiseert. Deze inschatting leidt er dan ook toe dat mogelijkheden voor recidivepreventie in de behandelsfeer uiterst moeizaam en langdurig zullen zijn. De (psychologische) ontkenning en de persoonlijkheidspathologie zijn zodanig fors dat het de vraag is of het zelfs met langdurige klinische behandeling mogelijk is om zodanige veranderingen te bewerkstelligen dat het recidiverisico maatschappelijk acceptabel wordt.

Het advies van Z., psycholoog, opgemaakt op 27 mei 2002 in het kader van een contra-

expertise, houdt - zakelijk weergegeven - ondermeer in:

In betrokkene's persoonlijkheidsstructuur worden uiteenlopende afwijkingen gezien. Algemeen wijst het beeld op een gestagneerde persoonlijkheidsontwikkeling, onder meer in de vorm van afhankelijke en sterk anti-sociale trekken. Betrokkene gaat noch met volwassenen, noch met kinderen, relaties aan op basis van affectie, al doet hij het wel zo voorkomen. Hij neigt ertoe anderen te gebruiken ten dienste van zijn eigen behoeften, zonder rekening te houden met de emotionele consequenties voor de ander. Hij poogt met grote overtuigingskracht het tegendeel aan te tonen. Deze harde en emotioneel onaantastbare man wendt de emotie aan om de sociale interactie te beïnvloeden. Dit is niet anders te duiden dan verregaande manipulatie, die deel uitmaakt van zijn antisociale persoonlijkheid. Aangezien betrokkene niet alleen het telastegelegde ontkent, maar ook elke persoonlijke tekortkoming of problematiek, is het onwaarschijnlijk dat welke therapeutische interventie dan ook zal bijdragen tot delictpreventie. Indien de rechtbank het telastegelegde bewezen acht, kan naar de mening van rapporteur slechts met een langdurige beveiliging recidive worden voorkomen. Rapporteur adviseert om betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen.

Deze adviezen bevestigen de eerder uitgebrachte adviezen van de gedragsdeskundigen T. en B.. Immers, het advies d.d. 31 januari 2002, opgemaakt door dr T., psychiater, houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

Er is niet sprake van een ziekelijke stoornis der geestvermogens, maar zeer waarschijnlijk wel van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens. Dit bestond ook reeds ten tijde van het delict waarvan betrokkene wordt verdacht, indien bewezen. Zoals reeds eerder vermeld, bestaat er binnen de psychiatrie discussie of pedofilie op zich een psychiatrische stoornis is. Hoewel er bij betrokkene zeker ook sprake is van een pedofiele geaardheid, vind ik op grond van de nieuw beschikbare informatie dat er sprake is van een combinatie van pedofilie en een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en paranoïde kenmerken. De kans op recidive moet als hoog worden ingeschat, indien bewezen. Betrokkene ziet dit zelf anders. Het voelen van seksuele opwinding bij jonge jongens, het hebben van pedofiele impulsen, lijkt mij bij betrokkene onbehandelbaar. Een eventuele behandeling dient naar mijn mening primair gericht te zijn op beheersing van deze impulsen. Naar mijn idee, en ik denk ook bij de overgrote meerderheid van de forensische psychiaters, blijft de delictgevaarlijkheid, ook na een eventuele behandeling, relatief hoog. De combinatie van pedofilie en psychopathie, zoals bij betrokkene, heeft een slechte prognose. Indien de rechtbank van mening is dat kinderen in de samenleving langdurig tegen het gedrag van betrokkene beschermd moeten worden, dan adviseer ik u een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen.

En het advies d.d. 8 februari 2002, opgemaakt door B., psycholoog, houdt - zakelijk weergegeven - ondermeer in:

Er is sprake van een pedofiele man. Hij ontkent bij de seksuele omgang geweld of dwang te hebben gebruikt. Hij gelooft niet dat de seksuele relaties schadelijk zijn geweest voor de jongens. Hij ziet zijn pedofiele geaardheid niet als een ziekte. Er valt volgens betrokkene dus niets te genezen. Er is sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, anti-sociale en narcistische trekken. Dat is een riskante en elkaar versterkende combinatie. Er is weinig introspectie en realiteitstoetsing. Hij legt de oorzaak van problemen en conflicten bij anderen. Er is weinig gevoel voor de behoeften van anderen. Zij worden instrumenteel als objecten gebruikt om de eigen pedoseksuele behoeften te bevredigen. Manipulatie is niet denkbeeldig. Er speelt agressieproblematiek. Daarnaast speelt er een grandioze zelfoverschatting. Behandeling van zowel de persoonlijkheidsstoornis als de pedoseksuele impulsen is een langdurig proces. Inzicht krijgen in de gevolgen voor de slachtoffers is een noodzakelijke voorwaarde. Met het oog op de beveiliging van de maatschappij en de duur van de behandeling adviseer ik, gezien de ernst van de persoonlijkheidsstoornis en de daaruit voortvloeiende geringe motivatie een terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging op te leggen.

De rechtbank kan zich met de conclusies van de gedragsdeskundigen verenigen en neemt die over.

ONTTREKKING AAN HET VERKEER

De rechtbank is van oordeel dat al het inbeslaggenomene, te weten foto's, dia's, tijdschriften, kalenders, brieven en overig papier, alsmede een gaspistool en een werpmes, moet worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken dat de voorwerpen in relatie staan tot de bewezenverklaarde en strafbare feiten.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 5, 36b, 36c, 36d, 37a, 37b, 57, 244 en 245 van het Wetboek van

Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd, die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

alle inbeslaggenomen foto's, dia's, tijdschriften, kalenders, brieven en overig papier, alsmede een gaspistool en een werpmes.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. K. Lahuis, voorzitter, M.J.B. Holsink en R.L. Vucsán, rechters, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

25 juli 2002.

mr R.L. Vucsán is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen