Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2002:AE5826

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
51404 / HA ZA 01-275
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR CIVIEL RECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: 51404 / HA ZA 01-275

Datum uitspraak: 12 juli 2002

V O N N I S

in de zaak van:

ARRIVA AMBULANCE GRONINGEN B.V.,

gevestigd te Groningen,

appellante bij exploot van dagvaarding d.d. 9 maart 2001,

hierna te noemen Arriva,

procureur mr. H.E.M. Hulleman,

en

[geïntimeerde],

wonende te Groningen,

geïntimeerde bij opgemeld exploot van dagvaarding,

hierna te noemen [geïntimeerde],

procureur mr. H.B. Boogaart,

PROCESVERLOOP

Voor de procesgang in eerste aanleg wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent is vermeld in het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 13 december 2000.

Arriva is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij appèldagvaarding d.d. 8 maart 2001. Bij conclusie van eis in hoger beroep heeft Arriva gevorderd het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende, alsnog de vordering van [geïntimeerde] af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] om het ingevolge het bestreden vonnis aan hem betaalde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het betalingstijdstip, binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan Arriva terug te betalen, en tevens met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft vervolgens bij memorie van antwoord -onder overlegging van producties- geconcludeerd het bestreden vonnis te bekrachtigen en Arriva te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten

Er zijn geen grieven gericht tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten, zodat in hoger beroep van het volgende kan worden uitgegaan.

[geïntimeerde] is sinds 1 juli 1992 bij een rechtsvoorganger van Arriva in loondienst werkzaam als ambulancechauffeur. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO voor het personeel in de ambulancezorg.

In de periode 1996 tot en met 1999 zijn achtereenvolgens van toepassing geweest de CAO's aangegaan voor de periodes:

- 1 januari 1996 tot en met 31 maart 1998 (de CAO 1996/1998);

- 1 april 1998 tot en met 31 maart 1999 (de CAO 1998/1999);

- 1 april tot en met 31 december 1999 (de CAO 1999).

Art. 12 van de CAO 1996/1998 en art. 3.2 van de CAO 1998/1999 luiden -voor zover in casu van belang- als volgt:

Vergoeding arbeid op feestdagen

De werknemer die op een feestdag, niet op zaterdag of zondag vallend, arbeid verricht (...), krijgt de op de feestdag gewerkte uren vergoed.

De werknemer maakt bovendien aanspraak op een vervangende vrije dag (...).

Indien de vrije dag niet (...) wordt toegekend, maakt de werknemer in plaats daarvan aanspraak op een beloning ter grootte van een dagloon vermeerderd met 100%.

Art. 3.2 van de CAO 1999 luidt als volgt:

Vergoeding bij dienstdoen op feestdagen

(...)

De werknemer die op een doordeweekse feestdag (maandag t/m vrijdag) (...) werkt, maakt aanspraak op een compensatiedag èn vergoeding van de gewerkte uren (...).

Uit de artt. 2 sub l juncto 24 CAO 1996/1998, 1.2 sub l juncto 4.4 CAO 1998/1999 en 1.2 sub m juncto 4.4 CAO 1999 volgt dat onder feestdagen begrepen wordt extra vrije dagen met behoud van loon, alsmede dat op een feestdag -behoudens bedrijfsbelang- niet gewerkt wordt.

In de drie CAO's wordt voorzien in een onregelmatigheidstoeslag voor arbeid op -onder andere- feestdagen.

In de vanaf 1 januari 2000 geldende CAO is als toelichting op voormelde CAO-bepaling opgenomen:

"de vergoeding van de gewerkte uren is reeds begrepen in het maand- of periodeloon".

2. Het geschil in eerste aanleg

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] bij werken op een feestdag, niet zijnde een zaterdag of een zondag recht heeft op:

a. doorbetaling van het gebruikelijke loon;

b. betaling van de op die dag gewerkte uren;

c. toekenning van een vervangende vrije dag binnen zes weken vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan, danwel betaling van het dagloon vermeerderd met 100%, zo de toekenning van de vervangende vrije dag niet binnen zes weken als hiervoor kan worden gerealiseerd;

d. betaling van de in respectievelijk artikel 17 en artikel 3.7 van de opeenvolgende CAO's genoemde onregelmatigheidstoeslag;

II. Arriva te veroordelen aan [geïntimeerde] te betalen het te weinig betaalde loon over alle door [geïntimeerde] sedert 01-01-1996 gewerkte feestdagen, niet zijnde een zaterdag of een zondag vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging vanaf elke vervaldag tot aan de datum der algehele betaling toe;

een en ander met veroordeling van Arriva in de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde van [geïntimeerde] daaronder begrepen.

Arriva heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] bij vonnis van 13 december 2000 toegewezen.

3. De grieven

3.1 Arriva heeft een vijftal grieven tegen het vonnis van de kantonrechter geformuleerd. Uit de vijfde grief volgt dat Arriva heeft beoogd het geschil in volle omvang aan het oordeel van de rechtbank voor te leggen.

3.2 Toelichting Arriva

De Hoge Raad heeft zijn "nieuwe uitleg", de letterlijk-grammaticale interpretatieleer, ontwikkeld in een tweetal arresten uit 1993 (Gerritse/HAS en Hol/EIM). Hij deed dit ter bescherming van degenen voor wie de bedoeling van de CAO-partijen niet kenbaar kan zijn en die dus enkel op de tekst van de CAO kunnen afgaan. Deze grond doet zich niet voor in het hier aan de orde zijnde geval dat de werknemer weet welke uitleg de CAO-partijen -unaniem- aan de CAO geven. De "nieuwe uitleg" dient dan ook niet op dit geschil te worden toegepast.

Daar waar een CAO-bepaling, letterlijk gelezen, overduidelijk één betekenis heeft, is begrijpelijk dat aan de bewoordingen ervan in beginsel doorslaggevende betekenis wordt toegekend. Dit ligt anders wanneer de bepaling voor meerdere uitleg vatbaar is. Weliswaar meent de kantonrechter blijkbaar dat de bewoordingen van art. 12 CAO 1996/1998 en art. 3.2 CAO 1998/1999 en CAO 1999 duidelijk zijn, maar alleen al het gegeven dat zowel de LFAZ als FNV Bondgenoten als CNV Bedrijvenbond als tot nu toe alle werkgevers en werknemers in de branche deze bepaling anders uitlegden, maakt duidelijk dat men haar -op zijn minst- anders kan uitleggen dan de kantonrechter doet.

Zo al gezegd zou moeten worden dat in het algemeen "de nieuwe uitleg" toepassing verdient, geldt dit niet, of in mindere mate, wanneer -zoals thans- beide partijen georganiseerd zijn.

De door [geïntimeerde] verdedigde uitleg van art. 12 CAO 1996/1998 en art. 3.2 CAO 1998/1999 en CAO 1999 leidt bovendien tot een onaanvaardbaar resultaat. Wanneer in iemands werkrooster een doordeweekse feestdag voorkomt moet hij dubbel gecompenseerd worden: zowel voor het feit dat hij werkt op een dag waarop de meeste mensen niet werken (de mensen die niet werken krijgen immers op basis van de CAO toch hun vaste salaris doorbetaald) als voor het ongemak voor het werken op een niet-regulier tijdstip. Het is dus logisch dat hij -naast onverkorte betaling van zijn maandsalaris- een compensatiedag krijgt en een onregelmatigheidstoeslag. Wanneer de laatste op 50% wordt gesteld, verdient hij die dag dus 250%. De uitleg die de kantonrechter aan de CAO-bepaling geeft, heeft echter tot gevolg dat betrokkene 350% vergoeding ontvangt. Dit druist in tegen het systeem dat alle betrokken CAO-partijen, waaronder de bond van [geïntimeerde], steeds voor ogen heeft gestaan, het systeem van vergelijkbare CAO's, de logica, wat in Nederland als gebruikelijk en billijk wordt ervaren, het systeem dat Arriva en alle andere ambulancediensten tot nu toe hebben toegepast en het systeem dat [geïntimeerde] ruim zes jaar lang, evenals zijn collega's, zonder commentaar heeft aanvaard.

Nu sinds 1 januari 2000 in de CAO een toelichting is opgenomen die voor alle duidelijkheid de door de CAO-partijen aangehangen visie verwoordt, kan het interpretatiegeschil zich dus vanaf dan niet meer voordoen.

3.3 Verweer [geïntimeerde]

CAO-bepalingen dienen letterlijk-grammaticaal te worden uitgelegd, aldus de Hoge Raad. Uit de definitie van feestdag in art. 1.2 van de CAO's 1998/1999 en 1999 -welke tekst overeenkomt met de dienaangaande opgenomen tekst in de CAO 1996/1998- blijkt dat het gaat om een dag waarop de werknemer vrijaf krijgt met behoud van loon. De artt. 12 CAO 1996/1998 en 3.2 CAO's 1998/1999 en 1999 bepalen dat de werknemer de op de feestdag gewerkte uren vergoed krijgt. Daarmee wordt uiteraard niet het reguliere loon van art. 1.2 bedoeld, nu het in dit artikel gaat om loon over uren waarop niet gewerkt is, terwijl de artt. 12 en 3.2 zien op de beloning voor de uren dat men op een feestdag -waarop eigenlijk niet gewerkt wordt- nu juist wél werkt.

Er is geen reden om van het "beginsel" van de Hoge Raad af te wijken. De tekst is duidelijk en helder en kan niet door de redelijkheid en billijkheid opzij worden gezet. Met de compensatiedag wordt bereikt waartoe de feestdag strekt, namelijk vrij te hebben met doorbetaling van loon. Met de afzonderlijke loonbetaling wordt bereikt dat het gewerkte uur -voor de eerste keer- wordt beloond en met de toeslag wordt bereikt dat het onregelmatige karakter van het uur wordt vergoed.

Er is voorts geen reden om de vordering in de tijd te beperken. Hetgeen als voetnoot in art. 5.6 van de CAO 2000 is opgenomen, is aantoonbaar onjuist. Uit niets blijkt dat de onderhavige vordering in het reguliere maandloon is opgegaan.

4. Beoordeling

4.1 De rechtbank stelt voorop dat -overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad- voor de uitleg van bepalingen in een CAO de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn.

4.2 Tussen partijen is in geschil of de in rechtsoverweging 2 aangehaalde CAO-bepalingen zo moeten worden gelezen dat op basis daarvan de werknemer, die volgens dienstrooster werkzaamheden verricht op een doordeweekse feestdag, naast doorbetaling van zijn gebruikelijke loon tevens aanspraak kan maken op een afzonderlijke vergoeding van de op die dag gewerkte uren.

De betreffende artikelen in de CAO's zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig geformuleerd dat deze in grammaticale zin slechts voor één uitleg vatbaar zijn. Mede gelet op de structuur van de CAO en de overige bepalingen daarin kunnen de artikelen 12 CAO 1996/1998 (3.2 CAO 1998/99) en 2 CAO 1996/98 (1.2 juncto 4.4 CAO 1998/1999 en 1999) niet anders worden geduid dan nevengeschikt en mitsdien complementair.

Het feit dat -zoals thans onweersproken is gesteld- de bedoeling van de CAO-partijen hiermee niet overeenstemt, kan aan deze uitleg niet afdoen.

De interpretatie van de CAO zoals deze wordt verdedigd door [geïntimeerde] -en gesanctioneerd door de kantonrechter in het bestreden vonnis- onderschrijft de rechtbank dan ook.

4.3 Niet doorslaggevend acht de rechtbank daarbij dat [geïntimeerde] inmiddels op de hoogte is -en dat ook reeds was bij aanvang van de procedure- van de bedoeling van de CAO-partijen bij de in deze procedure relevante CAO-bepalingen en/of dat hij lid is van een bij het afsluiten van de CAO's betrokken vakvereniging.

Redengevend voor de door de Hoge Raad voorgestane strikte interpretatieleer is immers dat de individuele werknemer -in dit geval [geïntimeerde]- niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de CAO zodat die CAO, als overeenkomst waaruit derden rechten kunnen ontlenen en op basis waarvan die derden zich ook verbinden, naar objectieve maatstaven en ontdaan van de (niet kenbare) bedoeling van de bij de totstandkoming betrokken partijen behoort te worden uitgelegd.

4.4 Het vorenstaande neemt niet weg dat onder bijzondere omstandigheden van deze letterlijk-grammaticale interpretatieleer kan worden afgeweken wanneer zij in de gegeven omstandigheden leidt tot onaanvaardbare consequenties.

Dienaangaande wordt overwogen dat [geïntimeerde], ingeval wordt uitgegaan van de uitleg zoals hiervoor door de rechtbank onderschreven, bij het verrichten van werkzaamheden op een doordeweekse feestdag -naast het gebruikelijke loon en een vervangende vrije dag- het loon over de gewerkte uren vermeerderd met een onregelmatigheidstoeslag ontvangt. De rechtbank acht deze consequentie niet onaanvaardbaar.

De werknemer die niet werkt op een doordeweekse feestdag geniet immers ook een vrije dag en ontvangt tevens loon over die dag. De werknemer die op die feestdag wel werkt, ontvangt aldus "extra" het loon over de gewerkte uren en een onregelmatigheidstoeslag, hetgeen de rechtbank niet onaanvaardbaar ongebruikelijk of onredelijk voorkomt. De omstandigheid dat de CAO-partijen terzake een andere bedoeling voor ogen hadden en werkgevers en werknemers de bepalingen respectievelijk hebben uitgevoerd en aanvaard overeenkomstig de door Arriva voorgestane uitleg kan gelet op het voorgaande en in de gegeven omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden.

4.5 Sinds 1 januari 2000 is in de CAO opgenomen dat de vergoeding van de gewerkte uren reeds is inbegrepen in het maand- of periodeloon. Gelet op die expliciete -en voor derden kenbare- toelichting op de betreffende CAO-bepaling moet deze vanaf dat tijdstip overeenkomstig worden geduid zodat de werknemer die sedertdien werkt op een doordeweekse feestdag naast het gebruikelijke loon niet langer ook nog het loon over de gewerkte uren ontvangt.

Het vonnis van de kantonrechter zal aldus worden vernietigd voor zover de verklaring voor recht en de veroordeling tot betaling van het te weinig betaalde loon onbeperkt in de tijd voortduren.

4.6 Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis van de kantonrechter te Groningen van 13 december 2000 deels wordt vernietigd en voor het overige -te weten de verklaring voor recht en de veroordeling tot betaling van het te weinig betaalde loon lopend tot en met 31 december 1999- bekrachtigd.

4.7 Arriva wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van het hoger beroep.

BESLISSING IN HOGER BEROEP

De rechtbank:

1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 13 december 2000 voor zover de verklaring voor recht en de veroordeling tot betaling van het te weinig betaalde loon onbeperkt in de tijd voortduren;

en opnieuw recht doende:

2. verklaart voor recht dat [geïntimeerde] bij werken op een feestdag, niet zijnde een zaterdag of een zondag tot en met 31 december 1999 recht heeft op:

A. doorbetaling van het gebruikelijke loon;

B. betaling van de op die dag gewerkte uren;

C. toekenning van een vervangende vrije dag binnen zes weken vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan, danwel betaling van het dagloon vermeerderd met 100%, zo de toekenning van de vervangende vrije dag niet binnen de zes weken als hiervoor kan worden gerealiseerd;

D. betaling van de in respectievelijk artikel 17 en artikel 3.7 van de opeenvolgende CAO's genoemde onregelmatigheidstoeslag.

3. veroordeelt Arriva om aan [geïntimeerde] te betalen het te weinig betaalde loon over alle door [geïntimeerde] van 01-01-1996 tot en met 31 december 1999 gewerkte feestdagen, niet zijnde een zaterdag of een zondag, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging vanaf elke vervaldag tot aan de datum der algehele betaling toe;

4. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 13 december 2000 voor het overige;

5. veroordeelt Arriva in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 181,51 aan verschotten en op € 390,25 aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. T.R. Hidma, vice-president, E.J. Oostdijk en M.M.A. Onnes-Wind, rechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2002, door mr. J.H. Praktiek, in tegenwoordigheid van de griffier.

afg