Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2002:AD9401

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
56424 KGZA 02-7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 82

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

Reg.nr.: 56424 KGZA 02-7

Datum uitspraak: 31 januari 2002

V O N N I S

in de zaak van:

[eiser],

gevestigd te Groningen,

eiseres in conventie,

g e d a a g d e in reconventie,

hierna te noemen [eiser] ,

procureur mr. P.T. Bakker,

en

[gedaagde],

wonende te Groningen,

gedaagde in conventie,

e i s e r in reconventie,

hierna te noemen [gedaagde],

procureur mr. R.J. Skála.

PROCESVERLOOP

in conventie en reconventie:

[eiser] heeft [gedaagde] doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. te gebieden aan [eiser] de bedrijfsruimte aan de [adres] te Groningen met daarin een deugdelijke, voldoende dragende vloer, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis ter beschikking te stellen, middels afgifte van de sleutels, en voorts ongestoord ter beschikking te laten houden, met bepaling dat gedaagde een dwangsom verbeurt van € 230,-- voor iedere dag en/of dagdeel dat gedaagde nalaat aan dit vonnis te voldoen;

2. te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding aan [eiser] van € 1.375,--;

3. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Op de voor de behandeling bepaalde dag, 24 januari 2002, is [eiser] verschenen in de persoon [L], vergezeld van mr. Bakker.

[gedaagde] is niet verschenen, doch heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Skála.

[eiser] heeft conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij zij producties in het geding heeft gebracht.

[gedaagde] heeft in conventie verweer gevoerd en geconcludeerd [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

In reconventie heeft [gedaagde] voor eis geconcludeerd [eiser] te veroordelen met het hare en de haren het gehuurde te verlaten en ontruimd op te leveren aan [gedaagde] uiterlijk op 31 januari 2002, onder afgifte van de sleutels aan [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- dat [eiser] na betekening van dit vonnis in reconventie, voor iedere dag na 31 januari 2002, niet aan dit vonnis voldoet.

[eiser] heeft in reconventie verweer gevoerd en geconcludeerd [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, dan wel de vordering af te wijzen, met veroordeling van [gedaagde][AG1] in de kosten van de procedure.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij mr. Bakker een pleitnotitie heeft overgelegd.

Partijen hebben tenslotte vonnis gevraagd.

De uitspraak is bepaald op 31 januari 2002.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten:

in conventie en reconventie:

Meer dan 15 jaar geleden heeft [eiser] een opslagruimte gehuurd aan de [adres] te Groningen. Die ruimte werd gebruikt voor drankopslag ten behoeve van de exploitatie van de drankenhandel van [eiser] aan het [adres]. De huur daarvan bedroeg ƒ 225,-- per maand.

In januari 2001 heeft [gedaagde] zich bij één van de vennoten van [eiser], [L] voornoemd, gemeld. [gedaagde] deelde [L] mede dat hij het pand aan de [adres] had gekocht en hij verzocht [eiser] dat pand te ontruimen.

[eiser] was daartoe bereid indien daarvoor een gelijkwaardig alternatief zou worden aangeboden.

[gedaagde] heeft vervolgens het pand aan de [adres] aan [eiser] ter beschikking gesteld.

[eiser] heeft dit pand daarop in gebruik genomen. Het huurbedrag bleef ƒ 225,-- per maand.

Bij brief d.d. 31 januari 2001 heeft [eiser] een huurovereenkomst aan [gedaagde] doen toekomen waarin een huurtermijn werd vermeld van vijf jaar met een optie voor nog eens vijf jaar. [gedaagde] heeft die huurovereenkomst niet ondertekend.

[gedaagde] heeft - ter bevestiging van 'onze (mondelinge) huurovereenkomst van de [adres]' - bij brief d.d. 11 februari 2001 aan [eiser] doen weten dat de desbetreffende huur is ingegaan per 1 februari 2001 voor de periode van één jaar plus een optie van één jaar. De inhoud van die brief is niet nader door [eiser] bevestigd.

[eiser] heeft het gebruik van het pand aan de [adres] voortgezet.

Nadat in augustus 2001 schade aan de vloer van dat pand is ontstaan, heeft [eiser] het pand in overleg met [gedaagde] ontruimd in afwachting van herstel van de vloer. [eiser] heeft van [gedaagde] vervangende opslagruimte aan de [adres] verkregen.

Bij brief d.d. 12 december 2001 heeft de raadsman van [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] doen weten:

'U gebruikt het gehuurde als opslagruimte voor uw handelsvoorraad.

Bij dit gebruik bent u aan de voorzijde van het gehuurde door de vloer gezakt.

Cliënt heeft uit coulance op zijn kosten de vloer laten herstellen en hij heeft u erop gewezen dat het niet is toegestaan de vloer zo zwaar te belasten als u deed met verplaatsen van pallets drank.

U heeft toegezegd de vloer niet meer zo zwaar te belasten.

Echter direct na ingebruikname zakte uw personeel weer door de vloer en wel op het middengedeelte.

Cliënt heeft u toen vervangende opslagruimte aangeboden, in afwachting van herstel.

Cliënt heeft u aangesproken de schade ten gevolge van de herstelkosten voor cliënt te vergoeden, doch u weigerde dit.

Op grond hiervan stel ik vast dat u geen goed huurder bent en cliënt zegt hierbij de huurovereenkomst met inachtneming van één maand op tegen 31 januari 2002, zijnde de expiratiedatum van de huurovereenkomst.'

Beoordeling van het geschil:

in conventie en reconventie:

[]In geschil is of [eiser] recht kan doen gelden op voortgezet gebruik van de opslagruimte aan de [adres] te Groningen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Bij de onderhavige beoordeling laat de voorzieningenrechter in het midden of bedoeld voortgezet gebruik kan worden gebaseerd op de artikelen 7A: 1624 BW danwel op de Huurwet.

Ook ingeval het voor [gedaagde] minder verstrekkende Huurwetregime in casu van toepassing is, is [eiser] naar voorlopig oordeel gerechtigd tot voortgezet gebruik van het pand aan de [adres].

Ingevolge artikel 28c, eerste lid, Huurwet is na het einde van de huur en verhuur de verplichting van de gewezen huurder om tot ontruiming over te gaan, van rechtswege geschorst voor de duur van twee maanden na het tijdstip waartegen ontruiming is aangezegd, in casu 31 januari 2002.

Ingevolge artikel 28d, eerste lid, Huurwet kan de gewezen huurder zolang de evengenoemde termijn niet is verstreken, zich tot de kantonrechter wenden, met het verzoek om die termijn te verlengen.

Gezien vorenstaande staat in ieder geval vast dat [eiser] gedurende twee maanden na 31 januari 2002 recht heeft op voortgezet gebruik van het gehuurde, welke termijn op grond van artikel 28d Huurwet kan worden verlengd door inwilliging door de kantonrechter van het door [eiser] aangekondigde verzoek daartoe.

Dat brengt naar voorlopig oordeel met zich mee dat [gedaagde] gedurende die termijn aan zijn verplichtingen als verhuurder heeft te voldoen. [gedaagde] dient dan ook zorg te dragen voor een deugdelijke, voldoende dragende vloer, zodat [eiser] wederom ongehinderd gebruik kan maken van het door haar gehuurde pand.

Of en in hoeverre [eiser] zich door een onbehoorlijk gebruik van het gehuurde als een slecht huurder heeft gedragen - hetgeen grond kan zijn voor beëindiging danwel ontbinding van de tussen partijen geldende huurovereenkomst, gevolgd door ontruiming van het gehuurde - dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de vorenvermelde door [eiser] te entameren procedure aan de orde te komen. Dat zal medebepalend zijn voor het antwoord op de vraag wie van partijen aansprakelijk is voor de kosten van herstel van de vloer en evenzeer voor het antwoord op de vraag wie van partijen aansprakelijk is voor de kosten die [eiser] naar haar zeggen heeft moeten maken omdat de opslagruimte aan de [adres] te klein is, waardoor [eiser] additionele opslagruimte in Groningen (Hoogkerk) heeft moeten huren.

Voor een onderzoek naar een en ander leent een kort geding zich in ieder geval niet. Dat daarover thans onduidelijkheid blijft bestaan, doet aan de vorengenoemde verplichting van [gedaagde] als verhuurder echter niet af.

in conventie:

Gelet op het vorenoverwogene wordt de gevraagde voorziening onder 1 van het petitum toegewezen.

In dit verband wordt overwogen dat de raadsman van [gedaagde] ter zitting heeft aangevoerd dat een door [gedaagde] bevraagde aannemer heeft aangegeven dat herstel van de desbetreffende vloer tweeënhalve week in beslag zal nemen.

Mede met het oog daarop zal de voorzieningenrechter de termijn voor het ter beschikking stellen van het pand aan [eiser] vaststellen op vier weken na betekening van dit vonnis.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding de gevraagde dwangsom te maximeren.

Gezien het vorenstaande wordt het onder 2 van het petitum gevraagde afgewezen.

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure verwezen.

in reconventie:

Gezien het in conventie overwogene, wordt de in reconventie gevraagde voorziening afgewezen.

Nu in reconventie geen nadere argumentenwisseling heeft plaatsgevonden, compenseert de voorzieningenrechter de kosten in reconventie in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

in conventie:

1. gebiedt [gedaagde] aan [eiser] de bedrijfsruimte aan de [adres] te Groningen met daarin een deugdelijke, voldoende dragende vloer, binnen vier weken na betekening van dit vonnis ter beschikking te stellen, middels afgifte van de sleutels, en voorts ongestoord ter beschikking te laten houden;

2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een dwangsom groot € 230,-- (zegge: tweehonderdendertig euro) voor iedere dag dat niet aan voormelde veroordeling wordt voldaan, met dien verstande dat maximaal € 4.600,-- (zegge: vierduizendenzeshonderd euro) aan dwangsommen verbeurd zal kunnen worden;

3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 258,18 aan verschotten eventueel vermeerderd met de niet voor verrekening vatbare omzetbelasting en op € 703,36 aan salaris van de procureur;

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

5. weigert de gevraagde voorziening;

6. compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen;

in conventie en reconventie:

7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Duitemeijer, voorzieningenrechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

js