Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2002:AD9396

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
56483/KG ZA 02-12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 94
S&S 2002, 64

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

Reg.nr.: 56483/KG ZA 02-12

Datum uitspraak: 31 januari 2002

VO N N I S

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Zoutkamp,

eiser,

procureur mr. J.A.M. Janssen,

en

[gedaagde]

wonende te Groningen,

gedaagde,

procureur mr. R.J. Skála.

PROCESVERLOOP

Eiser heeft gedaagde doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. te gebieden over te gaan tot levering aan eiser van het schip "Martinistad" bekend onder brandmerk nr 6849 BG 1994 en wel vrij van bijzondere lasten en beperkingen, meer in het bijzonder vrij van hypotheken en wel binnen acht dagen nadat het te wijzen vonnis aan gedaagde zal zijn betekend, een en ander op straffe van een dwangsom van EUR 250,00 per dag of gedeelte van een dag waarop gedaagde na betekening in gebreke blijft aan de uit te spreken veroordeling te voldoen;

2. te veroordelen in de kosten van het geding.

Op de voor de behandeling bepaalde dag, vrijdag 25 januari 2002[AG1], is eiser verschenen, vergezeld van de procureur mr. Janssen, voornoemd.

Gedaagde is niet in persoon verschenen. Hij heeft zich doen vertegenwoordigen door de procureur mr. Skála, voornoemd.

Eiser heeft conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij hij producties in het geding heeft gebracht.

Gedaagde heeft verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd deze af te wijzen.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Eiser heeft pleitnotities overgelegd.

Als informanten zijn gehoord [S] en [R].

Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.

De uitspraak is bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken in dit kort geding het volgende vast.

1.1 Partijen hebben op 26 maart 1998 een schriftelijke koopovereenkomst gesloten, waarbij gedaagde aan eiser een schip heeft verkocht, geheten "Martinistad" met brandmerknummer 6849 BG 1994, hierna te noemen "het schip". De koopprijs van het schip bedroeg ƒ 30.000,-.

1.2 Het schip is een registergoed. Er heeft geen notarieel transport en derhalve geen rechtsgeldige levering plaatsgevonden.

Gedaagde staat in de openbare registers geregistreerd als eigenaar van het schip.

1.3 Eiser heeft het schip verkocht aan [S], die het schip op zijn beurt heeft verkocht aan een zekere [V]. Nadien is [S] en [V] gebleken dat op het schip twee hypothecaire inschrijvingen rusten.

Op deze grond is de koopovereenkomst tussen [V] en [S] ontbonden.

[S] heeft eiser vervolgens aangesproken tot levering van de boot, vrij van hypotheken.

1.4 De hypothecaire schuld bedraagt ongeveer ƒ 85.000,-.

2. Eiser legt de vaststaande feiten aan zijn vordering ten grondslag. Daarnaast voert hij het volgende aan.

Gedaagde heeft eiser niet meegedeeld dat er op het schip twee hypotheken rusten. Terzake bestaat voor eiser geen onderzoeksplicht. Van een uitdrukkelijke aanvaarding van de bijzondere lasten is geen sprake geweest. Gedaagde heeft derhalve gehandeld in strijd met art. 7:15 BW.

Nu gedaagde weigerachtig blijft het schip vrij van hypotheken aan eiser te leveren en eiser door [S] wordt aangesproken tot levering van het schip, heeft eiser recht en spoedeisend belang bij de vordering in kort geding.

3. Gedaagde voert hiertegen het volgende aan.

Eiser heeft terzake geen spoedeisend belang.

Eiser vordert iets wat onmogelijk is. Er kan niet worden getransporteerd, want de hypothecaire schulden kunnen niet worden afgelost. Gedaagde verkeert in een dermate slechte financiële positie dat dit niet tot de mogelijkheden behoort.

Gedaagde heeft eiser gewezen op de hypothecaire inschrijvingen. Gedaagde realiseerde zich dat hij het schip niet kon overdragen. Hij heeft eiser het bezit van het schip verschaft.

Nu het schip een brandmerk droeg -hetgeen erop duidt dat het om een geregistreerd schip gaat- rustte op eiser een onderzoeksplicht en had hij van het bestaan van de hypothecaire inschrijvingen op de hoogte kunnen zijn.

4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4.1 Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Hij kan worden ontvangen in zijn vordering.

4.2 Voorshands is voldoende aannemelijk geworden dat eiser bij het sluiten van de koopovereenkomst met gedaagde niet op de hoogte was van het bestaan van de twee hypotheken. Uit het feit dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten blijkt dat het niet ging om een enkele bezitsverschaffing van het schip. Bovendien is in de koopovereenkomst niets vermeld omtrent de hypotheken, hetgeen -mede gelet op de koopprijs van het schip in verhouding tot de hoogte van de hypotheken- voor de hand had gelegen.

Het was aan gedaagde om eiser op de hoogte te stellen van de twee hypotheken. Hij kan zich derhalve niet verweren met een beroep op de onderzoeksplicht van eiser, wat daar verder ook van zij.

4.3 Het verweer van gedaagde dat de levering niet te realiseren valt, doet geen afbreuk aan het voorgaande en zal -nu gedaagde bovendien niet aannemelijk heeft gemaakt dat nakoming blijvend onmogelijk is- worden verworpen.

4.4 De vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gemaximeerd.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. gebiedt gedaagde om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis over te geen tot levering aan eiser van het schip "Martinistad" bekend onder brandmerk nr 6849 BG 1994, vrij van bijzondere lasten en beperkingen, meer in het bijzonder vrij van hypotheken;

2. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een dwangsom groot € 250,-- (tweehonderdvijftig euro) voor iedere dag dat niet aan voormelde veroordeling wordt voldaan, met dien verstande dat maximaal € 5.000,-- (vijfduizend euro) aan dwangsommen verbeurd zal kunnen worden;

3. veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van eiser begroot op € 258,18 aan verschotten eventueel vermeerderd met de niet voor verrekening vatbare omzetbelasting en op € 703,36 aan salaris van de procureur;

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Praktiek, voorzieningenrechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

afg