Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2002:AD9290

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-01-2002
Datum publicatie
15-02-2002
Zaaknummer
49632 / HA ZA 00-915
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1020, geldigheid: 2002-01-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1021, geldigheid: 2002-01-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1041, geldigheid: 2002-01-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1054, geldigheid: 2002-01-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1065, geldigheid: 2002-01-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR CIVIEL RECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Datum uitspraak: 25 januari 2002

Reg.nr.: 49632 / HA ZA 00-915

V O N N I S

in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Almere,

eiseres bij exploot van dagvaarding d.d. 13 december 2000,

hierna te noemen [eiseres],

procureur mr. H.E.M. Hulleman,

en

[gedaagde],

gevestigd te Zwolle,

gedaagde bij opgemeld exploot van dagvaarding,

hierna te noemen [gedaagde],

procureur mr. T.S. Plas.

PROCESVERLOOP

[Eiseres] heeft op bij dagvaarding geformuleerde gronden voor eis geconcludeerd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de tussen partijen gewezen arbitrale uitspraak van 8 september 2000 te vernietigen;

II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van f. 432.619,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 1998 tot de dag der algehele voldoening;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van f. 115.902,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2000 tot de dag der algehele voldoening;

IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de arbitragekosten, te weten een bedrag van f. 15.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2000 tot de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van f. 8.852,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2000;

V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de zevende dag na de dag van het in dit geding te wijzen vonnis tot de dag van de algehele voldoening.

[gedaagde] heeft voor antwoord geconcludeerd [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, onder veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

Partijen hebben vervolgens gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.

Op 30 november 2001 hebben partijen hun zaak door hun advocaten doen bepleiten - in eerste instantie alleen met betrekking tot de ontvankelijkheid - en vonnis gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten

a. [eiseres] beheert en exploiteert sportaccommodaties in de gemeente Almere.

b. Sinds enkele jaren levert [gedaagde] aan [eiseres] zand en grond waaronder dressgrond. [eiseres] brengt deze dressgrond aan op sportvelden om kleine oneffenheden te egaliseren.

c. In de periode mei - juni 1998 heeft [gedaagde] 600 m2 dressgrond verkocht aan [eiseres] en afgeleverd bij verschillende sportparken in Almere.

d. De grond is bij ontvangst geïnspecteerd door H., sportparkencoördinator van [eiseres].

e. Op 24 juni 1998 is na een periode van langdurige regenval geconstateerd dat per vierkante meter van sportvelden die voordien met de dressgrond waren bedekt, enkele stukken glas en/of andere scherpe voorwerpen lagen.

f. [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 29 juni 1998 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade bestaande in de kosten voor het herstel van de sportvelden. Bij brief van 1 juli 1998 heeft [gedaagde] de schadeclaim van [eiseres] afgewezen.

g. Op de onderhavige overeenkomst tot levering van de grond zijn de "Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarde van Leveranciers van (Bulk)grondstoffen voor de Bouw" van toepassing (hierna te noemen: de algemene voorwaarden).

h. Artikel 14.2 van deze algemene voorwaarden bepaalt, voorzover thans van belang:

" Alle geschillen zullen in hoogste instantie worden beslist door arbitrage overeenkomstig het reglement van het Arbitrage-instituut Bouwstoffen zoals dat reglement luidt op het tijdstip waarop het geschil aanhangig wordt gemaakt."

i. Artikel 21 lid 1 van het reglement van het Arbitrage-instituut Bouwstoffen (hierna te noemen: het reglement) bepaalt, voorzover op dit moment relevant:

"De arbiters zullen oordelen als goede mannen naar billijkheid".

j. [eiseres] heeft in de door haar aanhangig gemaakte arbitrageprocedure in conventie gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van f. 423.934,21, te vermeerderen met de wettelijke rente. [gedaagde] heeft in reconventie gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld het totaal bedrag van de door [eiseres] onbetaald gelaten rekeningen zijnde f. 91.157,36 te betalen, vermeerderd met contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten.

k. De raadsman van [eiseres] heeft bij brief van 20 juni 2000 aan de secretaris van het Arbitrage-instituut Bouwstoffen (hierna te noemen: AIB) bericht dat Van der H. (cultuurtechnisch deskundige van de gemeente Almere) en H. als getuigen zouden worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 28 juni 2000. Tevens is in de brief aangekondigd dat namens [eiseres] Van O. en S. de mondelinge behandeling zouden bijwonen en dat zij zonodig als getuigen zouden kunnen worden gehoord.

l. Op 8 september 2000 is door het AIB een arbitraal vonnis gewezen, dat op 13 september 2000 ter griffie van deze rechtbank is gedeponeerd. Bij voormeld vonnis is de vordering in conventie van [eiseres] afgewezen. De vordering in reconventie van [gedaagde] is toegewezen.

m. De secretaris van het AIB heeft per brief van 4 januari 2001 aan de raadslieden van partijen onder meer het volgende meegedeeld:

"Bij aanvang van de zitting is aan partijen meegedeeld dat arbiters er de voorkeur aan geven dat de door partijen aangezegde getuigen de zitting bijwonen en waar nodig en gevraagd de verklaringen van partijen ondersteunen of aanvullen. Daarbij is opgemerkt dat arbiters aan de verklaringen van de informanten in beginsel dezelfde waarde toekennen als aan onder ede afgelegde verklaringen van getuigen. [Eiseres] is voorgehouden dat indien desondanks verklaringen onder ede worden verlangd, de getuigen de zitting dienden te verlaten en dienden af te wachten of arbiters het nodig achten hen nog als getuigen te horen.

De door mr. Visée aangezegde personen hebben vervolgens de zitting normaal bijgewoond en ook verklaringen afgelegd."

Vervolgens heeft de secretaris in zijn brief de relevante passages uit de verklaringen van de aanwezige getuigen weergegeven.

2. Standpunt [eiseres]

Het arbitraal vonnis moet worden vernietigd.

2.1 Allereerst hebben de arbiters ten onrechte beslist als goede mannen naar billijkheid nu partijen hen daartoe geen opdracht als bedoeld in artikel 1054 lid 3 Rv hebben gegeven. De algemene voorwaarden bevatten geen beoordelingsmaatstaf voor de arbiters. Wel verwijzen de algemene voorwaarden naar het reglement AIB. Dit reglement is door [gedaagde] echter nimmer (bij het sluiten van de overeenkomsten) aan [eiseres] ter hand gesteld. [eiseres] is met de inhoud van dit reglement dan ook niet bekend, laat staan akkoord.

Een verwijzing in de algemene voorwaarden naar een reglement kan voldoende zijn voor het aannemen van de toepasselijkheid van de daarin opgenomen procesregels. Echter, een afwijking van de hoofdregel dat arbiters moeten beslissen naar de regelen des rechts (het materiële recht) behoeven partijen daarin niet te verwachten. Derhalve kan een verwijzing in een arbitrage-overeenkomst naar een bepaling in een arbitrage-reglement dat arbiters zullen oordelen als goede mannen naar billijkheid, niet gelden als een opdracht die partijen bij overeenkomst hebben gegeven.

De conclusie luidt dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, hetgeen grond is voor vernietiging op grond van artikel 1065 lid 1 onder c Rv.

2.2 Daarnaast waren de in de brief van 20 juni 2000 aan de secretaris van het AIB vermelde personen opgeroepen als getuigen. Zij zouden uit de eerste hand kunnen verklaren dat de door [gedaagde] geleverde dressgrond verontreinigd was. Tevens werd aangekondigd dat Van O. en S. de mondelinge behandeling zouden bijwonen. Zonodig zouden ook zij als getuigen kunnen worden gehoord.

Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [eiseres] meegedeeld dat de verontreiniging van de geleverde dressgrond kon worden bevestigd door de meegebrachte getuigen. Dit bewijsaanbod is later tijdens de mondelinge behandeling meerdere malen herhaald. Hoewel Van der H. en H. aan het woord zijn geweest, zijn ze niet als getuigen gehoord, laat staat dat hun verklaring is opgenomen. Dat blijkt ook uit de summiere aantekeningen van de secretaris van het AIB die staan vermeld in diens brief aan de beide raadslieden van 4 januari 2001.

Wanneer de getuigen zouden zijn gehoord dan waren de arbiters waarschijnlijk tot het oordeel gekomen dat het bewijs omtrent de gestelde verontreiniging van de dressgrond was geleverd, althans dat zodanige feiten waren komen vast te staan dat van de juistheid van de stellingen van [eiseres] moest worden uitgegaan zodat op [gedaagde] het bewijs van het tegendeel zou rusten.

Het passeren van een uitdrukkelijk gedaan bewijsaanbod zonder deugdelijke motivering moet worden aangemerkt als schending van een fundamenteel beginsel van procesrecht, te weten het beginsel van hoor en wederhoor. Derhalve is het vonnis in strijd met de openbare orde als bedoeld in artikel 1065 lid 1 onder e Rv.

2.3 Het arbitraal vonnis rept bovendien met geen woord over het passeren van het bewijsaanbod. Aldus is het vonnis niet met redenen omkleed hetgeen een schending meebrengt van artikel 1065 lid 1 onder d Rv.

2.4 Ingevolge artikel 1067 Rv herleeft de bevoegdheid van de gewone rechter na vernietiging van een arbitraal vonnis. De onder II tot en met V vermelde vorderingen worden hierbij om proceseconomische redenen ingesteld.

3. Standpunt [gedaagde]

3.1 Partijen hebben op grond van artikel 14.2 van de algemene voorwaarden juncto artikel 21 van het reglement AIB het scheidsgerecht bij overeenkomst opgedragen te beslissen als goede mannen naar billijkheid.

[gedaagde] was niet verplicht om het reglement AIB aan [eiseres] te overhandigen. Het bepaalde in artikel 6:234 lid 1 sub a BW is niet van toepassing. Van toepassing is slechts artikel 1020 lid 6 Rv dat bepaalt dat een arbitragereglement waarnaar in een overeenkomst tot arbitrage wordt verwezen, wordt geacht deel van die overeenkomst uit te maken.

De arbiters waren dus verplicht om als goede mannen naar billijkheid te oordelen. Dat klemt te meer nu de secretaris van het AIB partijen zoals gebruikelijk bij de aanvang van het arbitraal geding een afschrift van het reglement AIB heeft toegezonden en zulks voor [eiseres] geen aanleiding is geweest om tegen die opdracht te protesteren. Derhalve is het argument van [eiseres] ook nog eens tardief gelet op het bepaalde in artikel 1065 lid 4 Rv.

Daarbij komt nog dat beoordeling op basis van de regelen des rechts geen andere uitkomst zou hebben gegeven. [eiseres] heeft dan ook geen belang bij haar klacht.

3.2 Blijkens het arbitrale vonnis zijn de bij de mondelinge behandeling aanwezige informanten in de gelegenheid geweest om hun zegje te doen. Zij hebben daarvan uitgebreid gebruik gemaakt. Daarnaast zijn zij ook door de arbiters bevraagd. De arbiters hebben [eiseres] dus genoegzaam in de gelegenheid gesteld om bij de mondelinge behandeling haar stellingen door getuigen te staven, zoals dat in artikel 15 lid 2 van het reglement AIB is verwoord. Van het passeren van het bewijsaanbod van [eiseres] is dan ook geen sprake, laat staan van het schenden van het beginsel van hoor en wederhoor.

Voorzover [eiseres] mocht doelen op de omstandigheid dat de getuigen niet onder ede zijn gehoord, wordt opgemerkt dat zo'n voorschrift niet bestaat. Uit artikel 1041 lid 1 Rv blijkt immers dat een arbitraal getuigenverhoor in beginsel zonder eedsaflegging geschiedt. Pas wanneer de arbiters dat nodig oordelen, aldus het tweede lid van artikel 1041 Rv, vindt het verhoor plaats na eedsaflegging. Die keuze is niet aan partijen doch uitsluitend aan de arbiters.

3.3 [gedaagde] gaat er van uit dat de rechtbank eerst en alleen de vordering tot vernietiging beoordeelt. Mocht het arbitrale vonnis vernietigd worden dan zal [gedaagde] ten principale verweer voeren.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Met betrekking tot de vraag of de arbiters ten onrechte hebben beslist als goede mannen naar billijkheid overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1020 lid 6 Rv wordt een arbitragereglement, waarnaar in een overeenkomst tot arbitrage wordt verwezen, geacht deel van die overeenkomst uit te maken. Artikel 14.2 van de in casu van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepaalt dat geschillen overeenkomstig het reglement van het AIB zullen worden beslist. Derhalve maakt het reglement deel uit van de onderhavige overeenkomst tot arbitrage. Volgens artikel 21 lid 1 van dit reglement zullen de arbiters oordelen als goede mannen naar billijkheid, zodat het scheidsgerecht in casu mitsdien de juiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd.

Met haar verwijzing naar artikel 6:234 BW miskent [eiseres] dat artikel 1020 lid 6 Rv geldt ongeacht de vraag of partijen de inhoud van het reglement kenden of daarvan kennis hadden kunnen nemen. Afdeling 6.5.3 BW is enkel van toepassing bij de beoordeling van de vraag of een in algemene voorwaarden opgenomen arbitraal beding van toepassing is. Dit punt is evenwel in de onderhavige procedure niet (meer) in geschil. Derhalve speelt de omstandigheid dat [eiseres] voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen exemplaar van het reglement zou hebben ontvangen, geen rol.

De eerste vernietigingsgrond treft derhalve geen doel.

4.2 De rechtbank oordeelt omtrent de stellingen van [eiseres] aangaande het passeren van een bewijsaanbod het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat het scheidsgerecht - voorzover partijen niet anders zijn overeengekomen - vrij is ten aanzien van het toepasselijke recht. Gesteld noch gebleken is dat partijen van artikel 1039 lid 5 Rv afwijkende afspraken hebben gemaakt. Dit brengt onder meer mee dat het de arbiters vrij staat getuigen al dan niet te beëdigen alvorens zij een verklaring afleggen. Dit neemt evenwel niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank aan een niet onder ede afgelegde verklaring in beginsel dezelfde waarde moet worden toegekend als aan een onder ede afgelegde verklaring. De arbiters hebben dit uitgangspunt op de juiste wijze gehanteerd, zo blijkt uit de brief van de secretaris van het AIB alsmede uit het pleidooi van de raadsman van [eiseres].

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de zijdens [eiseres] opgeroepen getuigen volledig in de gelegenheid zijn geweest om een verklaring af te leggen ten overstaan van de arbiters. Mr. Visée heeft immers blijkens zijn pleitnotities aan het einde van de mondelinge behandeling bij het AIB hiertoe gelegenheid gevraagd en gekregen. Niet gebleken is dat de getuigen daarbij beperkingen zijn opgelegd door de arbiters. Aldus is [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling voldoende in de gelegenheid geweest om middels de getuigen bewijs bij te brengen van haar stellingen, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt. Aan het voorgaande doet niet af dat de arbiters de informanten niet uit eigen beweging hebben gehoord.

Voorts acht de rechtbank van belang dat de arbiters niet zijn voorbijgegaan aan voormelde verklaringen. Uit het arbitraal vonnis valt immers af te leiden dat de arbiters de bewijslevering door [eiseres] hebben getoetst doch deze niet afdoende hebben bevonden voor toewijzing van haar vordering. Op grond van het voorgaande kan de rechtbank [eiseres] dan ook niet volgen in haar stelling dat er sprake is geweest van het passeren van een bewijsaanbod. Het beroep van [eiseres] op schending van het beginsel van hoor en de wederhoor gaat - gelet op het voorgaande - evenmin op. De rechtbank acht het vonnis mitsdien niet in strijd met de openbare orde als bedoeld in artikel 1065 lid 1 onder e Rv. Overigens is de rechtbank van oordeel dat het door [eiseres] gedane bewijsaanbod dat de grond verontreinigd was, niet tot de beslissing van de zaak zou kunnen leiden omdat dit bewijsaanbod naar het oordeel van de rechtbank te vaag en onvolledig is. Immers, voor toewijzing van de vordering van [eiseres] zou in casu enkel van belang zijn geweest de stelling dat de bodem op het moment van aflevering was verontreinigd.

De rechtbank acht daarmee het arbitraal vonnis niet ondeugdelijk gemotiveerd.

De gestelde vernietigingsgronden treffen geen doel. De vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis ligt derhalve voor afwijzing gereed. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van het geschil.

4.3 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

BESLISSING

De rechtbank:

RECHT DOENDE,

1. wijst de vordering af;

2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] gevallen en begroot op € 3.396,54 aan verschotten en op € 1.561,- aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Oostdijk, rechter, Schuiling, rechter en Beekhoven van den Boezem, rechter-plaatsvervanger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 25 januari 2002, door mr. Oostdijk, rechter in tegenwoordigheid van de griffier.

hji/jn Zaaktypering: 6.1.6