Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2002:AD9286

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-01-2002
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
43811 / HA ZA 00-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2002/115
JBO 2005/381

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

SECTOR CIVIELRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg. Nr.: 43811/ HA ZA 00-58

V O N N I S

in de zaak van:

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's Gravenhage,

e i s e r,

hierna ook te noemen de Staat,

procureur mr. H.J. de Groot,

advocaat mr. F.A. Mulder

en

J.

wonende te S.,

hierna te noemen gedaagde 1,

en

B.,

wonende te H.,

hierna te noemen gedaagde 2,

g e d a a g d e n,

hierna ook te noemen gedaagden,

procureur prof. mr. D. Boon

PROCESVERLOOP

Eiser heeft op bij dagvaarding geformuleerde gronden, na vermindering van eis, geconcludeerd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagden hoofdelijk, des de één betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan de Staat tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ad

f. 415.544,30 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2. gedaagden hoofdelijk, des de één betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen in de kosten van deze procedure, het gelegde conservatoir beslag daaronder begrepen.

Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord geconcludeerd de Staat niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze te ontzeggen.

Nadat het nemen van de conclusies van repliek en dupliek hebben partijen hun zaak - onder het overleggen van pleitnota's - doen bepleiten op 10 november 2000. Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt.

Eiser heeft ter gelegenheid van het pleidooi nog een aantal stukken bij akte overgelegd.

Vervolgens hebben beide partijen nog een akte na pleidooi genomen. Ten slotte hebben zij vonnis gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, navolgende vast:

a. Op het perceel Kerkstraat nr. 40 te Hoogezand - kadastraal bekend gemeente Hoogezand, sectie K nr. 3890, groot 37 are - is vanaf 1949 een benzinestation geëxploiteerd. De exploitatie was achtereenvolgens in handen van:

- van 1949 tot 27 april 1984: de vennootschap onder firma van G. en J.; met dien verstande dat J. het bedrijf na het overlijden van G. op 31 juli 1983 alleen heeft voortgezet;

- van 27 april 1984 tot 22 november 1985: de besloten vennootschap G. en J. B.V., welke vennootschap was opgericht door J. voornoemd en zijn dochters, te weten gedaagde 1 en haar zuster J., echtgenote van gedaagde 2;

- van 22 november 1985 tot 1 oktober 1986: de vennootschap onder firma Garage G. en J., van welke vennootschap gedaagde 1 en gedaagden vennoten waren.

Bovengenoemde ondernemingen betrokken hun brandstoffen exclusief van Caltex (later Chevron en Texaco). Caltex stelde hen de ondergrondse installatie en tanks - waarvan Caltex zich de eigendom voorbehield - ter beschikking.

b. Per 1 oktober 1986 heeft de v.o.f. Garage G. en J. de exploitatie van het benzinestation overgedragen aan BIM.

c. De blote eigendom van het perceel Kerkstraat 40 te Hoogezand berustte aanvankelijk bij de gemeente Groningen. Er rustte een recht van altijddurende erfpacht (zogenoemd stadsmeierrecht) op het perceel ter zake waarvan de opeenvolgende gebruikers van het perceel een vergoeding van circa f. 6, -- per jaar aan de gemeente voldeden.

d. De v.o.f. Garage G. en J. verwierf dit recht van erfpacht in 1985 in eigendom tegen betaling van een koopsom van f. 350.000,--. In het kader van de uitvoering van de Herinrichtingwet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën werd genoemd recht van erfpacht opgeheven, waardoor de v.o.f. het perceel bij akte van 11 oktober 1991 in volle eigendom verkreeg.

e. Eind 1986 werd bij de overgang van de exploitatie van het benzinestation naar BIM, tijdens het vervangen van de ondergrondse installatie ontdekt dat de bodem was verontreinigd.

f. In opdracht van de provincie is ter plaatse van het perceel Kerkstraat nr. 40 in de periode 6 t/m 23 april 1993 een grondsanering uitgevoerd en in de periode 1996-1998 een grondwatersanering. De kosten bedroegen respectievelijk (tot 1998) f. 652.432,07 en f. 92.844,18 inclusief BTW.

g. Gedaagden hebben voornoemd perceel in 1999 verkocht aan de gemeente Hoogezand voor een bedrag van f. 1,1 mln. De levering, die op 1 december 1999 zou plaatsvinden, heeft geen doorgang gevonden omdat de Staat conservatoir beslag heeft gelegd op het perceel.

2. Het standpunt van de Staat

2.1 Gedaagden, voormalige vennoten van de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma G. en J., moeten als gezamenlijke eigenaren van het perceel Kerkstraat 40 te Hoogezand worden aangemerkt.

2.2 De Staat heeft op grond van artikel 75 lid 1 Wet bodembescherming (Wbb) alsmede op grond van artikel 75 lid 3 Wbb een vordering op gedaagden, wegens veroorzaking van ter plaatse van voornoemd perceel aangetroffen bodemverontreiniging respectievelijk wegens ongerechtvaardigde verrijking als gevolg van de op dat perceel uitgevoerde bodemsanering.

2.3 Bij de verwijdering van zich op het perceel bevindende tanks door BIM op 12 december 1986 kwam aan het licht dat de bodem met vluchtige aromaten en minerale olie was verontreinigd. Een en ander is veroorzaakt door lekkage van de in slechte staat verkerende ondergrondse installatie, alsmede door een slordige exploitatie van het benzinestation; overvulling bij vulpunten en morsverliezen.

2.4 Genoemde verontreiniging is mede veroorzaakt door het handelen en/of nalaten van gedaagden zoals bedoeld in artikel 75 lid 1 Wbb welk handelen als onrechtmatige daad kan worden gekwalificeerd, nu zij een wettelijke plicht hebben geschonden en voorts in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, hebben gehandeld.

Gedaagden hebben namelijk verzuimd om er als exploitant op toe te zien dat de ondergrondse tanks en leidingen voldeden aan de eisen des tijds en in goede staat verkeerden.

Voorts hebben zij gehandeld in strijd met de controle- en keuringseisen van de hinderwetvergunning die zij voor de installatie hadden aangevraagd en die op 28 september 1984 aan hen (en niet aan Caltex) was afgegeven.

Aldus hebben zij het risico van lekkage aanvaard, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt.

Gedaagden waren als exploitant bovendien verantwoordelijk voor morsverliezen.

Na het constateren van de verontreiniging in 1986 hebben zij nagelaten adequate maatregelen te treffen.

2.5 Gedaagden kunnen als (mede)veroorzaker van de bodemvervuiling worden aangemerkt aangezien zij betrokken waren bij (een deel van) de veroorzaking, althans een duurzame rechtsbetrekking hadden met de veroorzaker gedurende de periode van verontreiniging. Gedaagden waren ook al voor de oprichting van de v.o.f. Garage G. en J. op 31 oktober 1985 bij de exploitatie betrokken. Gedaagde 2 is vanaf 1966 in een leidinggevende functie binnen de diverse ondernemingen werkzaam geweest. Ook gedaagde 1 was al eerder bij de exploitatie betrokken. Haar voormalige echtgenoot B. was vanaf zijn trouwen in 1968 in het bedrijf werkzaam en ook Gedaagde 1 zelf werkte in het bedrijf. Voorts heeft zij met haar vader en zus op 27 april 1984 de BV G. en J. opgericht.

Bovendien is de vordering van de Staat op wijlen K.J., die vanaf de oprichting van het garagebedrijf bij de exploitatie is betrokken, krachtens erfrecht onder algemene titel op Gedaagde 1, zijn dochter, overgegaan.

2.6 Aanvankelijk heeft BIM de sanering van de locatie ter hand genomen. Daarbij werd tussen BIM en de v.o.f. Garage G. en J. overeengekomen dat de v.o.f. via compensatie van huurpenningen tot een bedrag van f. 31.192,50 zou bijdragen in de kosten van de sanering.

BIM heeft de sanering begin 1987 gestaakt toen bij de sloop van de gebouwen bleek dat er sprake was van een omvangrijker verontreiniging dan aanvankelijk gedacht en dat de reeds door BIM verrichte ontgraving niet afdoende was.

Vervolgens heeft de gemeente de locatie aangemeld bij de provincie Groningen, die de sanering op het bodemsaneringsprogramma heeft geplaatst.

Uit onderzoek bleek dat er sprake was van 'een ernstig gevaar voor volksgezondheid en milieu' in de zin van de Interimwet Bodemsanering zodat sanering noodzakelijk was. Zowel de grond als het grondwater is gesaneerd. Er resteert nog enige verontreiniging, met name onder het voormalige garagepand.

2.7 Door de uitgevoerde bodemsanering zijn de grond en de daarmee verbonden opstallen, objectief en abstract berekend naar het tijdstip van het afronden van de grondsanering en met als uitgangspunt de prijs in het vrije commerciële verkeer, met een bedrag van 403.000, -- in waarde gestegen, zodat gedaagden - ten tijde van de sanering eigenaar - voor dit bedrag ten koste van de overheid verrijkt zijn. Deze verrijking is ongerechtvaardigd, omdat zij is opgekomen zonder dat de wet of een rechtshandeling haar rechtvaardigt.

Het is, op de navolgende gronden, redelijk dat gedaagden de kosten van de sanering tot het bedrag van hun verrijking aan de Staat vergoeden:

a. gedaagden waren betrokken bij de veroorzaking, althans

b. gedaagden hadden een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker ten tijde van de verontreiniging en

c. gedaagden waren op de hoogte van de aanwezigheid van de bodemverontreiniging, althans zij hadden dat kunnen zijn (niet alleen bij de eigendomsverkrijging in 1991 maar ook bij de verwerving van het beklemrecht in 1985).

De Staat beperkt zijn vordering tot voormeld bedrag vermeerderd met een bedrag van f. 12.544,30 aan taxatiekosten, welke als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 BW dienen te worden vergoed.

2.8 Gedaagden hebben een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Dat beroep speelt, bij de beoordeling van de redelijkheid van de afdracht van de verrijking, uitsluitend een rol in het kader van het derde argument dat de Staat in het kader van de redelijkheid van de afdracht, aan zijn verhaalsactie ten grondslag heeft gelegd. Gezien de in 1985 gehanteerde prijs voor de inbreng van het erfpachtrecht in de vennootschap onder firma is het aannemelijk dat toen reeds rekening is gehouden met mogelijke verontreiniging.

Gedaagden waren op de hoogte van het feit dat de door BIM uitgevoerde sanering onvoldoende was en zijn reeds in 1987 gewaarschuwd dat kostenverhaal zou plaatsvinden.

2.9 Weliswaar kan niet exact worden vastgesteld wanneer de verontreiniging is veroorzaakt, maar gelet op het tijdstip van plaatsing van de tanks en de omstandigheid dat corrosievorming geleidelijk optreedt, is het aannemelijk dat tenminste 50% van de verontreiniging in de periode tussen 1 januari 1975 en 12 december 1986 is veroorzaakt.

Een en ander is in de onderhavige zaak slechts van beperkt belang, nu de Staat zijn vordering heeft beperkt tot het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking en art 75 lid 3 Wbb tevens aan de vordering ten grondslag heeft gelegd.

2.10 Gelet op de arresten Moerman/Bakker en Nugteren/Meskes, kan artikel 75 lid 1 Wbb aan de gehele vordering van de Staat op gedaagden ten grondslag worden gelegd, ook indien Caltex/Texaco als medeveroorzaker van de verontreiniging kan worden beschouwd. Dit temeer nu de vordering niet ziet op vergoeding van alle saneringskosten, doch slechts op een bedrag ter hoogte van de ongerechtvaardigde verrijking.

De Staat zal - overeenkomstig een daartoe met gedaagden gemaakte afspraak - Texaco aanspreken voor een gedeelte van de saneringskosten.

2.11 Van verjaring van de op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering is geen sprake nu artikel 119a Overgangswet nieuw BW van toepassing is en de verjaring tijdig is gestuit bij brief van 6 december 1996.

3 Het standpunt van Gedaagde 1 en Gedaagde 2

3.1 Gedaagde 2 is sedert 1971 als magazijnmeester werkzaam geweest binnen het garagebedrijf. Gedaagde 1 heeft er vanaf 1984 verschillende werkzaamheden verricht. De feitelijke leiding van het garagebedrijf berustte echter bij K.J. De daadwerkelijke betrokkenheid van gedaagden bij de leiding van het bedrijf beperkt zich tot de periode 31 oktober 1985 (oprichting v.o.f.) tot 1 oktober 1986 (verhuur station aan BIM).

3.2 Met ingang van 1 oktober 1986 is het station verhuurd aan BIM.

De v.o.f. heeft het garagebedrijf nog voortgezet tot in juli 1990. K.J. overleed op 8 oktober 1990. Zijn nalatenschap is door de echtgenote van Gedaagde 2 verworpen. Gedaagde 1 heeft de nalatenschap wel aanvaard, doch deze kende geen baten.

Blijkens de toelichting op de Wbb kan van de erfopvolger van een aansprakelijke ex-directeur vergoeding van milieuschade worden gevraagd, met dien verstande dat het verhaal zich dient te beperken tot de nalatenschap en niet het persoonlijk vermogen van de erfopvolger mag treffen.

3.3 Het is aannemelijk dat de verontreiniging is veroorzaakt door een lekkende tank. Wanneer de brandstof uit de tank is weggelekt is echter niet duidelijk.

Voor verontreiniging ontstaan voor 1 januari 1975 kunnen gedaagden in geen geval aansprakelijk worden gehouden. Zij betwisten dat de aangetroffen verontreiniging na die datum is ontstaan.

Ook al zou komen vast te staan dat de verontreiniging mede is veroorzaakt in de periode dat gedaagden leiding gaven aan het bedrijf, dan nog kunnen zij niet als (mede)veroorzakers van de verontreiniging worden aangemerkt. De bovengrondse en ondergrondse installatie behoorde namelijk in eigendom toe aan Caltex/Texaco.

Zij had de zorg voor het onderhoud en de bevoorrading van deze installatie en op haar rustte het risico voor deze installatie en de verplichting tot inspectie in het kader van de Hinderwet. Het was de exploitanten niet toegestaan om enige reparatie aan de installatie uit te voeren.

Er is geen enkele aanwijzing dat morsverliezen bij het aftanken van auto's hebben bijgedragen aan de verontreiniging van bodem en grondwater. Caltex/Texaco draagt dan ook de verantwoordelijkheid voor de aangetroffen verontreiniging en gedaagden kunnen derhalve niet aansprakelijk worden gehouden op grond van artikel 75 lid 1 Wbb.

3.4 Gedaagden betwisten zowel de noodzaak als de omvang van de door de overheid uitgevoerde sanering. Rond het pompeiland zijn slechts lichte verontreinigingen aangetroffen, waarvoor geen saneringsnoodzaak bestond. Tevens betwisten zij dat de totale kosten van de sanering

f. 745.000,-- hebben bedragen.

3.5 BIM, die bij het verwijderen van de ondergrondse tanks in december 1986 bodemverontreiniging aantrof, heeft de verontreinigde grond tot een diepte van 2,5 tot 3 meter laten ontgraven. Rond het pompeiland werd geen grond ontgraven.

Gedaagden zijn ervan uitgegaan dat er aldus een afdoende reiniging van de grond had plaatsgevonden.

3.6 De op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering is verjaard. Artikel 119a Overgangsrecht Nieuw BW is niet van toepassing op acties uit ongerechtvaardigde verrijking.

3.7 Gedaagden zijn door de sanering niet verrijkt. Zij zijn slechts hersteld in hun vermogenspositie. De verontreiniging kan hen niet worden toegerekend en er is geen sprake geweest van speculatief handelen.

3.8 Gedaagden hebben het beklemrecht van het perceel in 1985 verworven. Op dat tijdstip was onbekend dat de bodem was verontreinigd en gedaagden konden dat ook niet weten. De eigendom is in 1991 om niet op gedaagden overgegaan krachtens de Herinrichtingswet.

3.9 Het is juist dat artikel 75 lid 3 Wbb krachtens overgangsrecht mede toepasselijk is op de onderhavige zaak. Ten tijde van de sanering was echter de Interimwet Bodemsanering van kracht. Artikel 21 lid 2 van die wet voorzag in een verrijkingsactie, doch deze was blijkens de toelichting op de wet slechts bedoeld om speculatie tegen te gaan. Bij de eigendomsoverdracht in 1991 mochten gedaagden er daarom op vertrouwen dat tegen hen geen actie uit ongerechtvaardigde verrijking zou worden ingesteld. Het vertrouwensbeginsel staat eraan in de weg dat de Staat zich beroept op de Notitie Ongerechtvaardigde verrijking, die pas in 1994 bekend werd gemaakt. De verrijkingsactie komt in strijd met art 3:14 en 6:2 BW. Bovendien zijn gedaagden van mening dat de Staat de grondslag ongerechtvaardigde verrijking pas aan zijn vordering ten grondslag kan leggen, indien komt vast te staan dat de veroorzakers niet kunnen worden aangesproken. De Staat heeft ten onrechte nagelaten eerst Texaco - die als de veroorzaker moet worden aangemerkt -aan te spreken.

4 Beoordeling

4.1 Het meest verstrekkende verweer van gedaagden is dat de vordering van de Staat, voorzover die is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, is verjaard.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat de uitzonderingssituatie van artikel 119 a Overgangswet NBW zich hier voordoet. De Staat baseert zijn vordering zowel op onrechtmatige daad als op ongerechtvaardigde verrijking. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking onder artikel 119a Overgangswet te scharen en genoemde bepaling niet louter te beperken tot op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen.

Een en ander brengt mee dat de Staat de verjaring middels de brief van 6 december 1996 tijdig - namelijk voor 1 januari 1997 - heeft gestuit.

4.3 Alhoewel de Staat gedaagden zowel uit hoofde van art 75 lid 1 Wbb als uit hoofde van art 75 lid 3 Wbb aansprakelijk acht voor de kosten van de bodemsanering, heeft hij nadrukkelijk te kennen gegeven dat hij gedaagden slechts wenst aan te spreken tot het bedrag waarmee zij ongerechtvaardigd zijn verrijkt. Om die reden zal de rechtbank haar beoordeling beperken tot de vraag of en zo ja in hoeverre, gedaagden als gevolg van de uitgevoerde bodemsanering ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van de Staat en of de Staat jegens gedaagden redelijkerwijs aanspraak kan maken op vergoeding van zijn schade tot het bedrag van hun verrijking. De rechtbank zal hetgeen partijen voorts in het kader van artikel 75 lid 1 Wbb (aansprakelijkheid wegens de veroorzaking van de verontreiniging) hebben aangevoerd onbesproken laten, omdat de wijze waarop de Staat zijn vordering heeft verminderd meebrengt dat zijn vordering uitsluitend tot het bedrag van de eventuele ongerechtvaardigde verrijking kan worden toegewezen.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen moet worden aangenomen dat de waarde van grond als gevolg van bodemsanering stijgt. Wanneer de kosten van een dergelijke sanering ten laste van de Staat komen - en tussen partijen is niet ter discussie dat zulks het geval is - kan er tegelijkertijd van uit worden gegaan dat de Staat als gevolg van de sanering is verarmd.

4.5 De Staat stelt zich op het standpunt dat het bedrag van de verrijking f. 403.000,-- beloopt en baseert zich daarbij op het verschil in de getaxeerde waarde van de grond voor en na de sanering - respectievelijk f. 211.880,-- en f. 615.727,--. Met een beroep op de Notitie ongerechtvaardigde verrijking betoogt de Staat dat geabstraheerd moet worden van de in werkelijkheid betaalde koopprijs.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bij een actie uit ongerechtvaardigde verrijking gaat om het beloop van de daadwerkelijke verrijking. De rechtbank gaat mitsdien voorbij aan de Notitie ongerechtvaardigde verrijking, voor zover daarin is gesteld dat de koopprijs buiten beschouwing moet worden gelaten. De verrijking van gedaagden is in werkelijkheid immers geringer dan door de Staat is becijferd, nu gedaagden een 'koopsom' hebben voldaan die uitstijgt boven de waarde die de door de Staat aangezochte taxateur aan de grond in ongesaneerde staat heeft toegekend. Tussen partijen staat namelijk vast dat de vennootschap onder firma Garage G. en J. - waarvan gedaagden de enig overgebleven vennoten zijn - het recht van altijddurend erfpacht van het perceel in 1985 hebben gekocht voor een bedrag van f. 350.000,--. In het kader van de Herinrichtingwet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën kregen zij de grond vervolgens in volle eigendom.

Gelet op het vorenstaande moet dan ook worden geconcludeerd dat gedaagden ten koste van de Staat zijn verrijkt met een bedrag van f. 265.727,-- te weten het verschil tussen de waarde in gesaneerde staat, zoals die door genoemde taxateur is vastgesteld en door gedaagden niet is betwist (f. 615.727) en de prijs die gedaagden voor de verwerving van het erfpachtrecht van de grond hebben betaald ( f. 350.000,--).

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke verrijking onder de gegeven omstandigheden als ongerechtvaardigd moet worden beschouwd.

4.7 Aan de stelling van gedaagden dat hetgeen dat zij hebben bijgedragen in de door BIM in 1986/1987 uitgevoerde sanering in mindering zou moeten strekken op het eventueel ter zake van ongerechtvaardigde verrijking toe te wijzen bedrag, gaat de rechtbank voorbij, nu deze stelling eerst bij pleidooi is opgeworpen en bovendien onvoldoende door gedaagden is onderbouwd.

4.8 Gedaagden hebben nog aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel aan toewijzing van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in de weg staat, omdat gedaagden ten tijde van de verkrijging, gezien de inhoud van artikel 21 lid 2 Interimwet Bodemsanering, geen rekening behoefden te houden met een actie uit ongerechtvaardigde verrijking, anders dan in geval van speculatie. Voorts stellen zij zich op het standpunt dat het niet redelijk is dat zij worden aangesproken uit ongerechtvaardigde verrijking, omdat de verontreiniging hen niet kan worden toegerekend en zij ten tijde van de verwerving niet op de hoogte waren van de verontreiniging.

4.9 Artikel 75 lid 3 Wbb, dat onmiddellijke werking heeft, is ten deze van toepassing. Ingevolge deze bepaling kan de Staat overeenkomstig de regels van de ongerechtvaardigde verrijking verhaal zoeken voor de kosten van sanering. Op grond van artikel 6:212 BW is degene die ten koste van een ander ongerechtvaardigd is verrijkt, verplicht de schade van die ander te vergoeden, voor zover dit redelijk is. Voor de beantwoording van de vraag of afdracht van de verrijking redelijk is te achten, zijn - in het licht van de parlementaire geschiedenis van de Wbb - in ieder geval de navolgende omstandigheden relevant:

a. duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker(s);

b. (in)directe betrokkenheid bij de veroorzaking van de verontreiniging;

c. kenbaarheid van de verontreiniging op het moment van verwerving.

De rechtbank is van oordeel dat afdracht van de verrijking in casu redelijk is nu gedaagden enerzijds (tenminste indirect) betrokken zijn geweest bij de veroorzaking van de bodemverontreiniging en zij anderzijds een duurzame rechtsbetrekking hebben gehad met de veroorzaker(s). Vast staat namelijk dat de bodemverontreiniging is veroorzaakt door de exploitatie van het benzinestation en dat gedaagden als vennoten een aantal jaren zelf exploitant van voornoemd station zijn geweest. Als zodanig waren zij verantwoordelijk voor de geconstateerde slechte staat waarin de ondergrondse installatie zich bevond. Gedaagden hebben er in die periode niet op toegezien dat de ondergrondse installatie voldeed aan de daaraan te stellen eisen.

Zij hebben in strijd gehandeld met de voorschriften die verbonden waren aan de hen verleende hinderwetvergunning. Zo hebben zij onder meer de geldende controle- en keuringsvoorschriften niet nageleefd, waardoor zij het risico van vervuiling in het leven hebben geroepen.

Voorts is - uit de door de Staat in het geding gebrachte stukken, waaronder getuigenverklaringen - genoegzaam gebleken dat gedaagden ook in de jaren daarvoor nauw betrokken waren bij de exploitatie van het station door de diverse ondernemingen van hun (schoon)vader.

Of de verontreiniging voor gedaagden op het moment van verwerving van het erfpachtrecht en/of de eigendom kenbaar was, kan naar het oordeel van de rechtbank verder in het midden blijven nu het vorenstaande reeds voldoende grond oplevert om de afdracht van de verrijking redelijk te achten.

4.10 De rechtbank verwerpt het verweer van gedaagden dat artikel 3:14 en 6:2 BW aan de verrijkingsactie in de weg staan. Gelet op de (in)directe betrokkenheid van gedaagden bij de veroorzaking van de verontreiniging en hun duurzame rechtsbetrekking met K.J., kunnen gedaagden zich niet met recht op het standpunt stellen dat zij slechts rekening behoefden te houden met een actie uit ongerechtvaardigde verrijking in geval van verwerving uit speculatieve motieven. De redelijkheid en billijkheid staan er in de gegeven omstandigheden geenszins aan in de weg dat gedaagden het bedrag waarmee zij daadwerkelijk zijn verrijkt, aan de Staat afdragen.

4.11 De omstandigheid dat de Staat (mogelijk) ook Texaco tot vergoeding van schade zou kunnen aanspreken, staat aan toewijzing van de onderhavige vordering niet in de weg, temeer niet daar de kosten van sanering het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking ruimschoots overschrijden.

4.12 Tot slot dient nog beoordeeld te worden of de Staat ook recht heeft op vergoeding van de gemaakte taxatiekosten ad f. 12.544,30. De rechtbank acht het gerechtvaardigd dat de Staat deze kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en omvang van de schade heeft gemaakt. Nu gedaagden de omvang van deze kosten bovendien niet gemotiveerd hebben betwist, zal de rechtbank ook dit onderdeel van de vordering toewijzen.

4.13 Het toe te wijzen bedrag van f. 278.271,30 zal ambtshalve worden omgerekend in euro's, zodat wordt toegewezen een bedrag van € 126.274,01.

4.14 Gedaagden zullen, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die van het gelegde conservatoir beslag daaronder begrepen.

BESLISSING

De rechtbank

1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, om aan de Staat tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 126.274,01 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander gekweten zal zijn, in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van de Staat, die van het gelegde conservatoir beslag daaronder begrepen en tot op heden begroot op € 3461,57, aan verschotten en € 9.484,01,- aan salaris van de procureur;

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Praktiek, vice-president, Schuiling en Onnes-Wind, rechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 18 januari 2002 door mr. E.J. Oostdijk, rechter, in aanwezigheid van de griffier.