Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AD8200

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
08-02-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
AWB 97/1526 AW V04, AWB 98/110 AW V04
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg.nrs.: AWB 97/1526 AW V04

AWB 98/110 AW V04

U I T S P R A A K

in de gevoegde gedingen tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. K.J. Zeef, advocaat en procureur te Groningen,

en

de Korpsbeheerder van de Regiopolitie te Groningen, verweerder I,

gemachtigde mr. G. Ham, advocaat en procureur te Groningen,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken te 's-Gravenhage, verweerder II,

gemachtigde mr. G. Ham voornoemd.

1. PROCESVERLOOP

Met betrekking tot het geschil met verweerder I.

Verweerder heeft bij besluit van 16 september 1997 de door eiser ingediende bezwaarschriften tegen de primaire besluiten van resp. a. 5 december 1996, b. 29 april 1997, c. 14 mei 1997 en d. 25 juni 1997 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen eerstgenoemd besluit bij beroepschrift van 27 oktober 1997, aangevuld bij schrijven van 17 november 1997, met bijlagen, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 20 januari 1998 de op het geding betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en daarbij tevens verwezen naar stukken welke reeds in voorgaande tussen partijen gevoerde procedures werden overgelegd; verweerder heeft gelijktijdig een verweerschrift ingediend.

Met betrekking tot het geschil met verweerder II.

Verweerder heeft bij besluit van 19 december 1997 het door eiser ingediende bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 23 juni 1997, waarbij terzake van het aan eiser met ingang van 1 juni 1997 verleende eervolle ontslag op grond van het bepaalde in artikel 95, lid 2, van het Besluit Algemene Rechtspositie Politie (BARP) een uitkeringsregeling is getroffen, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen eerstgenoemd besluit bij beroepschrift van 23 januari 1998, aangevuld bij schrijven van 10 februari 1998, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 10 april 1998 de op dit geding betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en daarbij tevens verwezen naar stukken welke reeds in voorgaande procedures tussen eiser en de Korpsbeheerder van de Regiopolitie Groningen werden overgelegd; verweerder heeft vervolgens op

24 april 1998 een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

De geschillen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 21 december 2000.

Eiser is aldaar in persoon verschenen met bijstand van mr. K.J. Zeef voornoemd als zijn raadsman.

Verweerder I heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G. Ham voornoemd en H. Munting, plv. korpschef bij de regiopolitie Groningen.

Verweerder II heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G. Ham voornoemd.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ten aanzien van de feiten.

Toegespitst op het geschil met verweerder I.

Eiser, geboren op [datum] 1947, is sedert het voltooien van zijn opleiding aan de Nederlandse Politieacademie vanaf 1970 werkzaam geweest als politieambtenaar, in welke hoedanigheid hij vanaf 1 juli 1984 werkzaam was als korpschef bij de gemeentepolitie [gemeente].

In verband met een reorganisatie is eiser met ingang van 24 maart 1992 benoemd tot deelprojectleider van het nieuw te vormen district [district] van de regiopolitie [regio].

Met ingang van 14 juni 1993 is eiser benoemd tot chef district [district] bij de regiopolitie [regio] in de rang van commissaris/districtschef.

In verband met kritiek op gedrag en functioneren van eiser vond op 2 september 1993 een gesprek plaats tussen de korpsleiding en eiser.

Op 30 maart 1994, nadat eiser zich enige weken had ziek gemeld, vond een sonderend gesprek plaats tussen eiser en drs. [X], lid van de korpsleiding, waarbij tevens aan de orde kwam het eventueel afstand doen door eiser van zijn functie.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat tijdens gesprekken in mei 1994 met eiser overeenstemming werd bereikt over het neerleggen van zijn functie.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet vrijwillig afstand van zijn functie heeft gedaan.

Bij brief van 17 juni 1994 aan verweerder heeft eiser te kennen gegeven dat hij zijn functie niet ter beschikking heeft gesteld, hetgeen hij ook al mondeling op 2 juni zou hebben meegedeeld naar aanleiding van een onjuiste mededeling daaromtrent in het persbericht van verweerder van 26 mei 1994. Bij brief van 27 juni 1994 aan verweerder heeft eiser opnieuw naar vorenvermeld schrijven van 17 juni verwezen, terwijl hij daarna op 13 juli 1994 een bezwaarschrift heeft ingediend bij verweerder onder meer inhoudende de vordering de ontheffing uit zijn functie ongedaan te maken en hem toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden resp. zijn functie.

Bij schrijven van verweerder van 19 juli 1994, wordt verwoord de tussen partijen op 18 juli gemaakte afspraak, onder meer inhoudende dat voornoemde brieven van verzoeker van 17 en 27 juni 1994, alsmede voormeld bezwaarschrift van 13 juli 1994 vooralsnog geen verdere behandeling behoeven, omdat partijen overeenkwamen langs minnelijke weg een oplossing te willen bereiken.

Nadien heeft eiser een en andermaal aan verweerder te kennen gegeven, dat hij weliswaar open staat voor een eventuele andere passende functie -al dan niet binnen de regiopolitie- doch niet bereid is op voorhand vrijwillig afstand te doen van zijn eigen functie, resp. niet bereid is zijn rechtspositionele aanspraken op die functie vrijwillig prijs te geven.

Tot begin 1995 heeft eiser ten behoeve van de regiopolitie werkzaamheden verricht aan projecten welke betrekking hadden op de recherche en integratie van meldkamers; daarnaast verrichtte eiser onderzoek naar de opzet van een -te privatiseren- centrum voor Integrale Beroepsvaardigheden Training (IBT-centrum) door de regiopolitie [regio's].

Eind september 1994 reageerde eiser positief op de vraag van de korpsbeheerder of hij iets zou voelen voor een directeurschap bij het nog op te zetten IBT-centrum.

Eind november 1994 is drs. [X], voornoemd, full-time gestart met de tijdelijke waarneming van de functie van chef van district [district]. Een en ander geschiedde met instemming van eiser, die daarbij als voorwaarde stelde dat in de publiciteit het waarnemerschap zou worden benadrukt.

Vanaf begin 1995 waren de projectmatige werkzaamheden van eiser geëindigd. Vanaf dit tijdstip startten gesprekken tussen de gemeentesecretaris van de gemeente Groningen mr. J.A. Bosma en eiser met als doel het vinden van een passende betrekking voor eiser; in dit kader is eiser onder meer in contact gebracht met het organisatiebureau Twijnstra en Gudde te Amersfoort.

Een en ander resulteerde uiteindelijk in een brief van verweerder van 8 september 1995 met daarin vermeld een zes-tal functies waaruit eiser een keuze zou kunnen maken.

Eiser heeft daarop zijn voorkeur uitgesproken voor de zogenoemde IBT-constructie; uitgangspunt daarbij was dat eiser directeur bij het IBT-centrum zou worden, indien dat althans zou worden gerealiseerd; tijdens de realisatiefase stelde eiser zich beschikbaar voor andere werkzaamheden.

Vanaf december 1995 was eiser op basis van een detacheringsovereenkomst werkzaam bij de Edon te Zwolle, alwaarhij zich bezighield met de opzet en de implementatie van een beveiligingsplan, zulks in afwachting van de realisatie van het IBT-centrum.

Hoewel in februari 1996 de realisatie van het IBT-centrum binnen handbereik leek te liggen, bleef een definitief besluit daarover uit.

De toenmalige gemachtigde van eiser heeft zich bij brief van 28 mei 1996 tot verweerder gewend met een viertal voorstellen, luidende:

"1. Conform de eerder gemaakte afspraken met mijn cliënt wordt het detacheringscontract met de EDON verlengd tot 15 juli 1996. 15 juli a.s. lijkt mij, gezien het feit dat het einde van de eerste detacheringsovereenkomst reeds achter de rug is een redelijke termijn.

2. Op uiterlijk 22 juni a.s. na de vergadering van het Regionaal Overleg Orgaan, geeft u definitief duidelijkheid met betrekking tot de IBT in relatie tot mijn cliënt. Komen wij op dat punt tot overeenstemming dan is mijn cliënt bereid met u in overleg te treden over beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de voorwaarde waaronder dat geschiedt. Indien de IBT-plannen voor genoemde datum niet haalbaar zal zijn en, gezien de door u gekozen bewoordingen in voornoemde brief, lijkt u zelf ook niet al te hard in de haalbaarheid te geloven, kan ik het volgende voorstellen.

3. Mijn cliënt keert terug in het korps op de huidige functie, dan wel een vergelijkbare, thans bestaande functie, op schaal 14 nivo of hoger.

4. Mocht ook dit voorstel voor u niet haalbaar zijn, dan stel ik voor dat u uw wens om de arbeidsverhouding te beëindigen door de aanbieding van een afvloeiingsregeling, nader gestalte geeft."

Op of omstreeks dat zelfde moment werd duidelijk dat het partijen voor ogen staande IBT-centrum niet zou worden gerealiseerd.

Nadat de gemachtigden van partijen op 10 oktober 1996 nader mondeling overleg hadden gevoerd, heeft eisers (toenmalige) gemachtigde zich bij brief van 22 november 1996 wederom tot verweerder gewend en daarbij gewezen op zijn vroeger schrijven van 28 mei 1996; hij heeft daarin aangegeven dat verweerder op laatstgenoemd schrijven nog nimmer inhoudelijk had gereageerd; voorts heeft hij erop gewezen dat de daarin verwoorde eerste twee voorstellen inmiddels door de feiten waren achterhaald, en verweerder vervolgens verzocht een besluit te nemen terzake van zijn overige voorstellen, en dan met name met betrekking tot zijn eventuele terugkeer in de eigen functie dan wel in een vergelijkbare bestaande functie bij de regiopolitie, bezoldigd overeenkomstig schaal 14 of hoger van het BBRA. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat zijn toenmalige situatie is ontstaan door toedoen van de korpsleiding, reden waarom hij van verweerder een vergoeding vordert van de schade die hij tot dat moment heeft geleden.

In antwoord op eisers brief van 22 november 1996 heeft de gemachtigde van verweerder eisers (toenmalige) gemachtigde bij "amice-brief" van 5 december 1996 (hierna aangeduid als besluit A) meegedeeld dat van een terugkeer in de functie van districtschef [district] geen sprake kon zijn; voorts dat verweerder zich zou beraden op de vraag of, en zo ja welk concreet voorstel kon worden gedaan met betrekking tot de mogelijkheid van tewerkstelling van eiser in een andere passende functie, met daarbij de aantekening, dat niet kon worden gegarandeerd dat het daarbij zou gaan om een functie op het niveau van schaal 14 of hoger.

Daarnaast is nog melding gemaakt van de mogelijkheid tot continuering van de werkzaamheden van eiser bij Edon gedurende een periode van nogmaals anderhalf tot 2 jaar.

Eiser heeft tegen de brief van de gemachtigde van verweerder, en met name tegen de daarin vervatte mededeling dat van terugkeer in de eigen functie geen sprake kon zijn, op 20 december 1996 een bezwaarschrift ingediend; gelijktijdig met dat bezwaarschrift heeft hij zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek terzake van dat besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Op dat verzoek, alhier geregistreerd onder nr. AWB 97/11, is door de president op 24 april 1997 uitspraak gedaan, waarbij besluit A is geschorst, voorzover daarbij is geweigerd eiser in zijn functie van districtschef [district] tewerk te stellen. Tevens is verweerder opgedragen eiser ingaande 1 mei 1997 in deze functie tewerk te stellen.

Voorafgaand aan deze uitspraak heeft verweerder eiser bij brief van 21 april 1997 in kennis gesteld van -onder andere- zijn voornemen eiser met ingang van 1 juni 1997 eervol ontslag te verlenen op grond van het bepaalde in artikel 95 BARP.

Bij brief van 29 april 1997 hebben de burgemeesters van de zeven bij de regio [district] betrokken gemeenten zich tot de korpsbeheerder gewend met het verzoek eiser op grond van artikel 37 van de Politiewet 1993 met ingang van 1 mei 1997 niet in zijn functie tewerk te stellen resp. voor vervanging zorg te dragen.

Verweerder heeft eiser vervolgens bij besluit van 29 april 1997 (hierna aangeduid als besluit B) over de periode van 1 mei 1997 tot 1 juni 1997 buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging, zulks onder toepassing van artikel 39 BARP.

Ook met betrekking tot dit (primaire) besluit heeft eiser bij verweerder op 6 mei 1997 een bezwaarschrift ingediend; gelijktijdig heeft eiser zich tot de president gewend met het verzoek terzake van dat besluit eveneens een voorlopige voorziening te treffen en wel in die zin dat dat besluit wordt geschorst.

Bij uitspraak van 20 mei 1997, alhier geregistreerd onder nr. AWB 97/867, heeft de president dat verzoek afgewezen.

Verweerder heeft, voorafgaande aan deze uitspraak, eiser bij besluit van 14 mei 1997 (hierna te noemen besluit C) met ingang van 1 juni 1997 eervol ontslag verleend uit zijn functie van districtschef [district], zulks onder toepassing van het bepaalde in artikel 95, lid 1, BARP, en wel op grond van de overweging dat er sprake is van incompatibilité d'humeur resp. een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen enerzijds eiser en anderzijds de korpsleiding.

Eiser heeft tegen besluit C op 17 juni 1997 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder; tevens heeft hij zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek terzake van dat besluit een voorlopige voorziening te treffen en wel in die zin dat dat besluit wordt geschorst.

De president heeft op dat verzoek, alhier geregistreerd onder nr. AWB 97/1079, op 19 augustus 1997 uitspraak gedaan, waarbij dat verzoek is afgewezen.

Eiser heeft op 28 juli 1997 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van verweerder van 25 juni 1997 (hierna te noemen besluit D); bij dat besluit heeft verweerder eiser, ter compensatie van de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand een tegemoetkoming verleend van ¦ 25.000,- excl. BTW; verweerder heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat die tegemoetkoming geen deel uitmaakt van de regeling als bedoeld in artikel 95, lid 2, BARP.

Eiser is in het kader van de door hem ingediende bezwaarschriften tegen de hiervoor onder A tot en met D bedoelde besluiten op 26 augustus 1997 gehoord door de Interregionale adviescommissie voor bezwaarschriften.

Voornoemde commissie heeft terzake op 15 september 1997 advies uitgebracht aan verweerder, waarbij is geadviseerd de vier bezwaarschriften ongegrond te verklaren.

Verweerder heeft vervolgens, onder verwijzing naar en met overneming van de overwegingen en conclusies van die commissie, bij het thans door eiser bestreden besluit van 16 september 1997 de bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de feiten.

Toegespitst op het geschil met verweerder II.

Met betrekking tot de feiten en overige omstandigheden verwijst de rechtbank allereerst naar hetgeen reeds hiervoor aan feiten, toegespitst op het geschil met verweerder I, is vermeld en voegt daar vervolgens nog het navolgende aan toe.

Bij primair besluit van 23 juni 1997 heeft verweerder ingevolge het tweede lid van artikel 95 BARP een regeling getroffen. Deze regeling houdt in, dat eiser met ingang van 1 juni 1997 tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd een uitkering zal ontvangen, welke gedurende de eerste twee jaar 100% van zijn bezoldiging bedraagt, de daarop volgende twee jaar 90%, het daarop volgende jaar 80%, en vervolgens 70% van zijn bezoldiging; daarnaast heeft verweerder een ruimere anti-cumulatiebepaling vastgesteld, in het kader waarvan in afwijking van artikel 8 van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 inkomsten uit arbeid of bedrijf met de uitkering zullen worden verrekend, voor zover de som van de uitkering en die inkomsten een bedrag van 110% (in plaats van 100%) van de bezoldiging te boven gaat.

Eiser heeft tegen dat besluit op 28 juli 1997 een bezwaarschrift ingediend, waarin hij zijn bezwaren tegen de regeling heeft aangegeven, zulks onder verwijzing naar hetgeen met betrekking tot -het voorstel van- de regeling reeds was aangegeven in zijn bezwaarschrift van 17 juni 1997, gericht tegen het primaire ontslagbesluit (besluit C).

Eiser is naar aanleiding van zijn bezwaar in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord, van welke gelegenheid hij op 14 november 1997 gebruik heeft gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 19 december 1997 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

In bezwaar en beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld, dat er tot mei 1994, het moment waarna hij zijn functie van districtschef niet meer heeft uitgeoefend, geen sprake was van verstoorde verhoudingen met de korpsbeheerder en de korpsleiding; voorts dat die verhoudingen ook niet verstoord konden geraken in de periode nadien, omdat eiser zijn functie toen niet uitoefende en dat eerst met de afgifte van het ontslagbesluit de verhoudingen in de ogen van eiser definitief verstoord zijn geraakt. Voorts is eiser van oordeel dat uitsluitend de korpsbeheerder verantwoordelijk is voor het ontstaan van de verstoorde verhoudingen, en hem -eiser- terzake geen enkele blaam treft. Naar de mening van eiser dienen de nadelige -financiële- gevolgen dan ook volledig te worden gecompenseerd door de werkgever resp. de korpsbeheerder.

Eiser vordert in beroep in concreto volledige doorbetaling van zijn bezoldiging tot zijn 60e jaar, het moment waarop hij met functioneel leeftijdsontslag (flo) zou zijn gegaan, en vanaf zijn 60e tot zijn 65e jaar een flo-uitkering op basis van 85% van zijn bezoldiging; subsidiair vordert eiser de toepassing van een anti-cumulatiebepaling op basis van 120% van zijn bezoldiging;

daarnaast vordert eiser:

- vergoeding van de kosten voor een volledige pensioenopbouw;

- volledige vergoeding van de door eiser gemaakte rechtsbijstandskosten van inmiddels ca ¦ 100.000,-;

- immateriële schadevergoeding van ¦ 100.000,-;

- vergoeding in verband met het verlies van het (privé-)gebruik van een dienstauto.

Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld, dat niet alleen de korpsbeheerder en de korpsleiding, doch ook eiser mede debet is geweest aan het ontstaan van de onwerkbare situatie, welke uiteindelijk tot het ontslag heeft geleid.

Op grond van het oordeel dat beide partijen schuld dragen aan de ontstane situatie, acht verweerder de bij het bestreden besluit getroffen regeling, mede gelet op de door de korpsbeheerder toegekende rechtsbijstandsvergoeding van ¦ 25.000,-, excl. BTW, redelijk.

In het verweerschrift heeft verweerder er nog op gewezen:

- dat eiser op grond van de getroffen anti-cumulatiebepaling op jaarbasis met neveninkomsten nog een bedrag tot ¦ 15.000,- boven (100% van) zijn bezoldiging mag bijverdienen, alvorens tot korting zal worden overgegaan;

- dat er naast de aan het ontslag verbonden financiële regeling geen plaats is voor een vergoeding van materiële en immateriële schade, omdat er geen sprake is van een los van het bestreden besluit staand onrechtmatig handelen door verweerder c.q. de korpsbeheerder, welke tot schade aan eer en goede naam van eiser heeft geleid;

- dat de door de korpsbeheerder toegekende vergoeding van rechtsbijstandskosten ad ¦ 25.000,-, excl. BTW, als redelijk dient te worden aangemerkt, er voor een verdergaande materiële schadevergoeding geen plaats is, en de beoordeling van eisers bezwaren te dien aanzien dient plaats te vinden in het bij de rechtbank onder nr. AWB 97/1526 aanhangige geding;

- dat voor een aanvullende financiële regeling in verband met het wegvallen van de secundaire arbeidsvoorwaarden -het privé-gebruik van de dienstauto- geen enkele aanleiding bestaat, nu deze voorwaarde namelijk uitdrukkelijk was gekoppeld aan de uitoefening van de functie van districtschef en onder meer diende ter compensatie van het ontbreken van rechtspositionele vergoedingen voor overwerk, dienstreizen, telefoongebruik e.d., waarvan na de beëindiging van de arbeidsverhouding geen sprake meer is.

Ten aanzien van het geschil tussen eiser en verweerder I.

In dit geding staat ter beoordeling de vraag of het besluit (op bezwaar) van verweerder van 16 september 1997 in rechte kan stand houden.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende:

Met betrekking tot de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit A (de "amice-brief" van de gemachtigde van verweerder van 5 december 1996 aan de gemachtigde van eiser).

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser tegen voornoemde "amice-brief" van 5 december 1996 overeenkomstig het advies van de Interregionale Adviescommissie voor de Bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Eiser, die ook tegen dit onderdeel van het bestreden besluit beroep heeft ingesteld, heeft ter terechtzitting doen weten dat hij terzake wenst te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

Anders dan de president, als blijkend uit de uitspraak van 24 april 1997 (AWB 97/11), is de rechtbank van oordeel dat de "amice-brief" van de gemachtigde van verweerder van 5 december 1996 niet een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb.

De rechtbank overweegt daartoe dat de brief niet afkomstig is van een bestuursorgaan en evenmin geacht kan worden een namens een bestuursorgaan (in casu de korpsbeheerder) genomen besluit te zijn, zulks aangezien in die brief uitsluitend gerefereerd wordt aan het tussen de gemachtigden plaatsgevonden hebbende gesprek van 10 oktober 1996 naar aanleiding van de brief van eisers (toenmalige) gemachtigde van 28 mei 1996.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel, dat het door eiser ingediende bezwaarschrift van 20 december 1996 bezwaarlijk kan worden aangemerkt -zoals de adviescommissie en verweerder hebben gedaan- als een aanvulling op een door eiser op 13 juli 1994 ingediend bezwaarschrift tegen de brief van verweerder van 7 juni 1994.

Ontegenzeglijk is de behandeling van laatstbedoeld bezwaarschrift destijds in onderling overleg tussen partijen opgeschort ten behoeve van het bereiken van een minnelijke oplossing (zie brief van de korpsbeheerder van 19 juli 1994). Ook biedt het bepaalde in het vierde lid van artikel 7:10 Awb in een dergelijke situatie de mogelijkheid de beslistermijn op te schorten. Maar gezien het tijdsverloop tussen de bezwaarschriften van ca 2,5 jaar en de feiten en omstandigheden die zich in dat tijdsbestek hebben voorgedaan, kan de rechtbank de -overigens coulante- redenering van verweerder niet volgen.

Verweerder had het bezwaar van eiser tegen besluit A dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

De rechtbank is op grond van hetgeen zij zoëven heeft overwogen van oordeel dat het beroep op dit punt gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit voor dat onderdeel moet worden vernietigd.

De rechtbank bepaalt daarbij voorts -met toepassing van artikel 8:72, lid 4, Awb- dat het hiervoor weergegeven oordeel in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

Met betrekking tot de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit B.

Eiser heeft desgevraagd zijn beroep tegen dit onderdeel van het bestreden besluit ter terechtzitting ingetrokken; de rechtbank zal daarom geen uitspraak doen met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit.

Met betrekking tot de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit C.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift, gericht tegen besluit C, waarbij aan eiser met ingang van 1 juni 1997 onder toepassing van artikel 95, BARP, eervol ontslag is verleend, ongegrond verklaard.

Artikel 95 van het BARP bepaalt in het eerste lid, dat een ambtenaar ook op andere gronden, dan die welke in artikel 94 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, kan worden ontslagen.

Terzake van deze ontslaggrond komt verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Gezien het gesloten stelsel van ontslaggronden is het toepassingsbereik van de hier bedoelde ontslaggrond beperkt tot die gevallen waarin sprake is van verstoorde verhoudingen ofwel onverenigbaarheid van karakters (incompatibilité d'humeur).

Het aan eiser verleende ontslag berust ten gronde op het standpunt van verweerder, dat een voor het functioneren van een districtschef onontbeerlijke vruchtbare samenwerking tussen eiser enerzijds en de korpsbeheerder en de korpsleiding anderzijds niet langer aanwezig wordt geacht en dat er in dit opzicht sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk.

De rechtbank ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of de verhoudingen zodanig ernstig verstoord zijn geraakt dat in redelijkheid tot het ontslag kon worden besloten. Daarbij dient tevens te worden nagegaan of de verstoorde verhoudingen in voldoende mate kunnen worden geobjectiveerd.

Evenals de president in kort geding, merkt de rechtbank daarbij op, dat bij de beoordeling van het ontslagbesluit de vraag aan wiens schuld de ontstane situatie is te wijten niet relevant is.

De beoordeling van dit geschil dient verder te geschieden aan de hand van de situatie, zoals deze aanwezig was ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. Aangezien de bezwaarprocedure beoogt te voorzien in een volledige heroverweging van het primaire besluit, kunnen alle feiten en omstandigheden, zoals die tijdens de bezwaarprocedure naar voren komen, bij de definitieve besluitvorming worden meegewogen. Verweerder mag zijn oordeel over de ernst van en de eventuele herstelbaarheid van de verstoring in de verhoudingen derhalve ook baseren op de verdere ontwikkeling van die verhoudingen, zoals die zich na het nemen van het primaire besluit hebben voorgedaan, alsmede ook op bij eventueel nader onderzoek tijdens de bezwaarprocedure verkregen gegevens.

Uit de voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat reeds kort na eisers aantreden als districtschef problemen ontstonden tussen eiser en de korpsleiding, alsmede dat bij de korpsleiding irritaties zijn ontstaan met betrekking tot zowel eisers functioneren als districtschef als zijn gebrek aan communicatie met haar en met de burgemeesters in het district [district]. In een door de korpschef en de plaatsvervangend korpschef op 2 september 1993 met eiser gevoerd gesprek -waarbij op verzoek van eiser een organisatiepsycholoog aanwezig was- is een en ander aan de orde gesteld. Het verslag van dat gesprek ademt reeds een sfeer uit van gebrek aan onderling respect en wat eiser betreft ook een gebrek aan besef van zijn hiërarchisch lagere positie.

Daarna zijn die problemen en irritaties niet afgenomen; zij hebben zodanige spanningen tussen eiser enerzijds en de korpsleiding anderzijds doen ontstaan, dat het nodig werd gevonden om nadere gesprekken met eiser te gaan voeren. Op 3 februari en 16 maart 1994 hebben zulke gesprekken plaatsgevonden en daaraanvolgend heeft eiser zich op 17 maart 1994 ziek gemeld. Kort daarop verschenen er diverse negatieve publicaties omtrent eisers persoon en functioneren in de regionale dagbladen.

Nadat vervolgens overleg had plaatsgevonden tussen eiser en de korpsleiding/korpsbeheerder omtrent eisers positie, is op een op 26 mei 1994 gehouden persconferentie mededeling gedaan van eisers vertrek als districtschef. Tussen eiser en verweerder waren afspraken gemaakt aangaande het zoeken naar een andere functie voor eiser. Daarbij stond voor verweerder voorop dat in verband met de verstoorde relatie met eiser, deze niet meer in een functie terecht kon komen, waarin sprake zou zijn van direct (hiërarchisch) contact met korpsleiding, korpsbeheerder en burgemeesters.

Hoewel eiser ter zitting van de rechtbank desgevraagd heeft verklaard dat er naar zijn mening toen nog sprake was van een normale situatie qua verhouding tussen hem en de korpsleiding/korpsbeheerder en dat er nog geen verstoorde relatie c.q.vertrouwensbreuk was, moet de rechtbank vaststellen dat uit het door eiser opgestelde, 152 pagina's tellende, verslag van de gebeurtenissen wel anders blijkt. De wijze waarop en de felheid waarmee eiser daarin fulmineert tegen het handelen jegens hem van de korpsleiding c.q. de korpschef en de korpsbeheerder geven aan dat er bij eiser geen enkel respect voor en vertrouwen in hen bestond.

De rechtbank is niet gebleken dat er in de periode na mei/juni 1994 een wijziging ten goede in de verstoorde relatie tussen eiser en verweerder/korpsleiding is opgetreden. Integendeel, de relatie is nog verder verstoord geraakt door de lange duur van het zoeken naar een voor eiser geschikte functie, het niet doorgaan van de aan eiser voorgehouden functie van directeur van het op te richten IBT-centrum en eisers weigering om functies op het niveau van de schalen 12 en 13 (welke binnen de in aanmerking te nemen bandbreedte vallen) te aanvaarden. Eisers toenmalige gemachtigde heeft uiteindelijk in een gesprek op 10 oktober 1996 met de gemachtigde van verweerder te kennen gegeven dat eiser geen enkele belangstelling meer had om weer bij de regiopolitie aan de slag te gaan. Niettemin heeft eiser bij brief van 22 november 1996 van verweerder gevorderd dat hij weer in de gelegenheid werd gesteld zijn functie van districtschef [district] te gaan uitoefenen.

Dit zo zijnde en in aanmerking genomen dat de in het district [district] fungerende burgemeesters, die deel uitmaken van het regionale college, in een brief van 29 april 1997, gericht aan verweerder, te kennen hadden gegeven geen enkel vertrouwen in eiser als districtschef te hebben, acht de rechtbank de conclusie gewettigd, dat verweerder ten tijde van het nemen van besluit C van 14 mei 1997 (het primaire ontslagbesluit) terecht heeft vastgesteld dat er sprake was van een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie. De rechtbank vermag voorts niet in te zien dat dit ten tijde van het nemen van het bestreden besluit anders was.

De rechtbank vermag evenmin in te zien dat de verstoorde verhoudingen en de vertrouwensbreuk ten tijde van het bestreden besluit nog zouden kunnen worden hersteld.

Onder deze omstandigheden was verweerder derhalve bevoegd om op grond van artikel 95, lid 1, BARP, tot ontslag van eiser over te gaan.

De rechtbank heeft -mede gelet op de toegekende ontslaguitkering (zie hierna)- geen argumenten aangetroffen op grond waarvan verweerder in redelijkheid ten aan zien van eiser van zijn ontslagbevoegdheid geen gebruik zou hebben mogen maken, dan wel bij het nemen van het bestreden besluit zou hebben gehandeld in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen besluit C ongegrond dient te worden verklaard.

Met betrekking tot de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit D.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser van 28 juli 1997, gericht tegen het primaire besluit van 25 juni 1997, waarbij aan eiser bij wijze van tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand een vergoeding is toegekend tot een bedrag van ¦ 25.000,- excl. BTW, eveneens ongegrond verklaard.

In bezwaar en beroep heeft eiser te kennen gegeven dat hij zich niet met de hoogte van dat bedrag kan verenigen.

Met betrekking tot dit punt van geschil overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de onderwerpelijke tegemoetkoming door verweerder is toegekend naar aanleiding van zijn oorspronkelijke verzoek aan verweerder van 22 november 1996, waarin is verzocht om vergoeding van de "tot dusverre geleden schade".

Ook van de zijde van verweerder is aangegeven dat voormeld schrijven de aanleiding vormde voor de toekenning van de betreffende vergoeding.

Blijkens de gedingstukken -met name het aanvullend beroepschrift van 10 februari 1998 in AWB 98/110- en het verhandelde ter terechtzitting, bedroegen de door eiser ten tijde van zijn verzoek aan verweerder gemaakte rechtsbijstandskosten beduidend minder, namelijk ca ¦ 15.000,-, dan de door verweerder toegekende vergoeding van ¦ 25.000,-.

Nog afgezien van de vraag of verweerder in rechte gehouden was tot toekenning van een dergelijke rechtsbijstandsvergoeding, kan verweerder, in het kader van althans dit onderdeel van betrokkenes beroep, zeker niet worden verweten dat de tegemoetkoming in verhouding tot de tot dat moment door eiser gemaakte werkelijke kosten ontoereikend was.

De rechtbank acht het beroep tegen dit onderdeel van het bestreden besluit dan ook ongegrond.

Ten aanzien van het geschil tussen eiser en verweerder II

Ingevolge artikel 95, tweede lid, BARP wordt in geval van ontslag op grond van het eerste lid van artikel 95 een regeling getroffen, waarbij de ambtenaar een uitkering wordt toegekend die met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Voorts is bepaald dat die uitkering in geen geval minder zal mogen zijn dan die welke de ambtenaar op grond van artikel 97 BARP zou toekomen, in geval van een ontslag als daar bedoeld, te weten een wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959.

De rechtbank merkt allereerst op dat de toetsing van het bestreden besluit naar zijn aard een terughoudend karakter draagt.

Bij de beoordeling hiervan moet betekenis worden toegekend aan alle omstandigheden van het voorliggende geval, zoals de duur van het verbroken dienstverband, de leeftijd van betrokkene, de kans op het kunnen verkrijgen van een ander inkomen en niet in de laatste plaats ook aan de mate waarin de betrokkene of anderen een aandeel hebben gehad in de omstandigheden, die tot het ontslag hebben geleid.

Met betrekking tot dit laatste aspect overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de niet onaanzienlijke hoeveelheid gegevens, waaronder gerekend die, welke blijken uit stukken uit voorgaande procedures, alhier geregistreerd onder de nrs. AWB 97/11, 97/867 en 97/1079, met inachtneming waarvan de onderhavige uitspraak mede tot stand is gekomen, leidt de rechtbank het volgende af.

Eiser was tot 24 maart 1992 werkzaam als korpschef bij de gemeentepolitie [gemeente]; in die functie werd hij bezoldigd overeenkomstig schaal 13 van het op hem van toepassing zijnde bezoldigingsbesluit.

Nadat hij in het kader van een reorganisatie vanaf 24 maart 1992 was benoemd tot deelprojectleider van het nieuw te vormen district [district] van de regiopolitie, werd eiser met ingang van 14 juni 1993 benoemd tot districtschef [district], en bezoldigd overeenkomstig schaal 14.

Uit de gedingstukken en niet in de laatste plaats uit het omvangrijke verslag van eiser zelf, valt op te maken dat reeds van meet af aan sprake was van spanningen tussen eiser enerzijds en de korpschef/korpsleiding anderzijds. Reeds tijdens de sollicitatiegesprekken voorafgaand aan de benoeming tot districtschef was er sprake van een "ijzige hiërarchische sfeer" tussen enerzijds de korpschef en anderzijds eiser.

Ook de betrekkelijk korte periode van minder dan 1 jaar, dat eiser zijn functie uitoefende, kenmerkt zich door een niet onaanzienlijke hoeveelheid incidenten, spanningen, aanvaringen en zakelijke verschillen van mening tussen enerzijds eiser en anderzijds de korpschef en de plaatsvervangend korpschef.

Uit het verslag van het eerder in deze uitspraak gememoreerde gesprek van 2 september 1993 tussen eiser en de korpschef blijkt dat de toonzetting (van beiden) tijdens dat gesprek en de wijze waarop over en weer werd gereageerd zodanig was, dat nauwelijks anders kan worden geconcludeerd dan dat reeds op dat moment een verdere samenwerking tussen partijen alleen mogelijk leek, indien beide partijen zich daarvoor op een meer dan substantiële wijze zouden inspannen.

De rechtbank constateert op grond van onder meer het gegeven, dat eiser in mei 1994 de aan zijn functie verbonden werkzaamheden in overleg met de korpsleiding/korpsbeheerder beëindigde en uiteindelijk per 1 juni 1997 eervol werd ontslagen, dat partijen daarin niet zijn geslaagd.

De rechtbank is, in tegenstelling tot het door eiser ingenomen standpunt, van oordeel dat niet alleen de korpsbeheerder c.q. de korpschef, doch ook eiser zelf aandeel heeft gehad in de omstandigheden, die tot het ontslag hebben geleid, en wel in die zin dat beide partijen daarvoor in nagenoeg gelijke mate verantwoordelijk moeten worden geacht.

Aan de korpsbeheerder kan in dit verband onder meer worden verweten dat hij in ambtenaarrechtelijke zin geen duidelijkheid heeft verschaft met betrekking tot het functioneren van eiser in zijn functie van districtschef (door middel van bijvoorbeeld een beoordeling) en een weinig besluitvaardige houding heeft getoond met betrekking tot de vraag of eiser zijn functie nu wel of niet vrijwillig heeft prijs gegeven. Daarmee heeft verweerder naar de toekomst een bron voor het ontstaan van -nieuwe- conflicten geschapen.

Ook na mei 1994 -toen de inspanningen van partijen waren gericht op het vinden van een, weliswaar binnen een bepaalde bandbreedte, gelijkwaardige andere passende functie voor eiser- heeft verweerder door bij het aanbieden van passende functies de nog niet bestaande IBT-functie te betrekken, opnieuw het risico van nadere conflictvorming in het leven geroepen.

Hier staat tegenover dat ook eiser zelf dat risico in het leven riep, door zijn keuze te bepalen op deze nog niet bestaande functie.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat van eiser, gelet op zijn ondergeschikte positie ten opzichte van de korpsleiding, in het gesprek op 2 september 1993 een andere opstelling had mogen worden verwacht.

Voorts beschouwt de rechtbank eisers opstelling dat alleen een functie, bezoldigd overeenkomstig schaal 14 of hoger, als passend en gelijkwaardig zou kunnen worden aangemerkt, als een hindernis voor de instandhouding van het dienstverband. Dit geldt te meer nu eiser slechts betrekkelijk korte tijd op basis van schaal 14 werd bezoldigd, terwijl bovendien met betrekking tot de passendheid tussen partijen een bandbreedte was overeengekomen.

Het vorenstaande in aanmerking nemend komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het aandeel van de korpsbeheerder/korpsleiding in het ontstaan van de verstoorde verhouding met eiser in voldoende mate heeft gecompenseerd door hetgeen hij aan eiser boven de gewone regeling van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 heeft toegekend.

De rechtbank acht voorts de afwezigheid binnen de regeling van een compensatie voor het verlies aan pensioenopbouw in voldoende mate rechtgetrokken door de anti-cumulatieregeling, op grond waarvan eisers inkomsten uit arbeid of bedrijf met de uitkering zullen worden verrekend, pas en voorzover de som van de uitkering en die inkomsten een bedrag van 110% van de laatstgenoten bezoldiging te boven gaat.

Alles overziende, waaronder ook de omstandigheid dat inmiddels is gebleken dat eiser in staat is arbeid te verkrijgen, is de rechtbank van oordeel dat van de getroffen regeling niet kan worden gezegd dat deze buiten redelijkheidsgrenzen is gelegen.

Daarbij merkt de rechtbank overigens nog op, dat verweerder met betrekking tot de getroffen regeling bij het bestreden besluit ten onrechte de door de korpsbeheerder toegekende tegemoetkoming van ¦ 25.000,-, excl. BTW, heeft betrokken. Zoals reeds eerder in deze uitspraak is overwogen, heeft die tegemoetkoming naar het oordeel van de rechtbank betrekking op de door betrokkene tot november 1996 geleden schade in verband met advocaatkosten. Een en ander neemt echter niet weg dat de rechtbank de door verweerder getroffen regeling redelijk acht.

Het daartegen door eiser ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Vergoeding griffierecht en proceskosten.

Nu het beroep tegen het bestreden besluit van 16 september 1997 van verweerder I gegrond wordt verklaard voorzover daarbij eisers bezwaar tegen besluit A ongegrond is verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, lid 1, Awb, tevens te worden bepaald, dat het terzake door eiser betaalde griffierecht ad ¦ 210,- door de Regiopolitie Groningen aan eiser wordt vergoed.

De rechtbank acht het verder om dezelfde reden aangewezen verweerder I op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit onderdeel van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de Regiopolitie Groningen aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op ¦ 1.420,-, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector bestuursrecht, meervoudige kamer,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 16 september 1997 van verweerder I gegrond voorzover daarbij het bezwaar van eiser tegen (primair) besluit A ongegrond is verklaard en vernietigt in zoverre dit bestreden besluit;

- bepaalt dat het bezwaar tegen bedoeld (primair) besluit A niet-ontvankelijk is;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van verweerder I voor het overige ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 19 december 1997 van verweerder II ongegrond;

- bepaalt dat de regiopolitie Groningen eiser het betaalde griffierecht ad ¦ 210,- dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder I in de proceskosten van eiser, welke zijn vastgesteld op ¦ 1.420,- en bepaalt dat de regiopolitie Groningen eiser deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. P.H.M. Smeets, voorzitter, en mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en mr. D.J. Klijn, rechter-plaatsvervanger, en in het openbaar door de voorzitter uitgesproken op 08 februari 2001 in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier.

De griffier, wnd. De voorzitter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van de verzending van deze uitspraak daartegen beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden op: 8 februari 2001

typ:jb Bijlage: staat van kosten