Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AD7614

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
55878 KGZA 01-442
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

DE PRESIDENT IN KORT GEDING

Reg.nr.: 55878 KGZA 01-442

Datum uitspraak: 21 december 2001

VO N N I S

in de zaak van:

[eiser],

wonende te[woonplaats eiser],

eiser,

nader te noemen [eiser],

procureur mr. M.R. Gans,

en

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats gedaagde 1],

2. de besloten vennootschap TIMMER SKATING B.V.,

gevestigd te Hoogezand-Sappemeer,

3. de besloten vennootschap TEAM TIMMER B.V.,

gevestigd te Hoogezand-Sappemeer,

gedaagden,

nader te noemen [gedaagde1], Timmer Skating en Team Timmer danwel gezamenlijk [gedaagde 1] c.s.,

procureur mr. M.J. Blokzijl.

PROCESVERLOOP

Eiser heeft gedaagden doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe gedaagden hoofdelijk (des dat de een betalende de andere voor dat gedeelte zal zijn gekweten) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan eiser te betalen:

a. het achterstallige brutoloon, althans – bij wijze van voorschot, voor zover de tussen partijen bestaande rechtsverhouding niet als arbeidsovereenkomst doch anderszins gekwalificeerd zou moeten worden – een bruto bedrag groot ƒ 12.500,-- per maand vanaf 1 april 2001 tot de dag van beëindiging van de arbeidsovereenkomst c.q. de tussen partijen bestaande rechtsverhouding;

b. de wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW over het sub a gevorderde;

c. de onkostenvergoeding groot ƒ 44.333,84;

d. de wettelijke rente over het sub a, b en c gevorderde vanaf 1 april 2001 althans vanaf ieder moment dat het respectievelijke maandsalaris inclusief wettelijke verhoging c.a. verschuldigd is, tot de dag van algehele betaling;

e. een bedrag groot ƒ 25.000,-- bruto terzake van de bonus, in verband met de kwalificatie voor de Worldcup;

f. terzake van preprocessuele kosten een bedrag groot ƒ 3.000,-- te vermeerderen met BTW;

g. en voorts om vanaf 1 november 2001 aan eiser ter beschikking te stellen een lease-auto, althans daarvoor een compensatie te betalen van een zodanig bedrag als de president redelijk acht;

met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

Op de voor de behandeling bepaalde dag, 17 december 2001, is eiser verschenen, vergezeld van mr. Gans.

Gedaagden zijn niet verschenen, doch hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. Blokzijl.

Eiser heeft bij akte de eis gewijzigd in die zin dat doorbetaling van het overeengekomen salaris c.a. wordt gevorderd tot het moment dat de arbeidsovereenkomst dan wel de anderszins te kwalificeren overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Verder heeft eiser conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij hij producties in het geding heeft gebracht.

Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd eiser hierin niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van eiser in de kosten van de procedure.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en pleitnotities overgelegd.

Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.

De uitspraak is bepaald op 21 december 2001.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De vaststaande feiten

In dit geschil kan van de navolgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

1.1 [eiser] is van beroep schaatstrainer/coach.

[gedaagde 1] is professioneel schaatsster.

[gedaagde 1] heeft haar financiële en commerciële belangen ondergebracht in een vennootschap Timmer Skating, gedaagde sub 2. met [vader gedaagde], haar vader en manager, als directeur.

Met ingang van 15 april 2001 heeft T[gedaagde 1] haar contract met (de) DSB(-schaatsploeg) beëindigd.

1.2 In verband met het plan om een eigen schaatsteam rond [gedaagde 1] - het Team Marianne Timmer- op te zetten hebben [gedaagde 1], haar vader en [eiser] –als (beoogd) trainer/coach van dit team- veelvuldig overleg gehad.

1.3 Bij dit overleg is voorts [betrokkene 1] betrokken, een ondernemer in sportkleding die bereid was via de vennootschap [betrokkene 1] Management B.V. in de op te richten vennootschap onder firma Team Timmer v.o.f als vennoot te participeren.

[gedaagde 1] zou daarbij met haar nieuw opgerichte vennootschap Team Timmer B.V., gedaagde sub 3, als andere vennoot in deze v.o.f. toetreden.

In de door [betrokkene 1] opgestelde - ongedateerde en niet ondertekende - “overeenkomst van winstverdeling tussen de vennoten van Team Timmer VOF” is een kostenpost van f 300.000,- opgenomen voor “trainer en fysiotherapeut”.

1.4 Vanaf 1 april 2001 heeft [eiser] [gedaagde 1] en de voor het Team Marianne Timmer aangetrokken andere schaatsers continu getraind en begeleid, onder meer tijdens de diverse stage- en trainingskampen in het buitenland.

1.5 Op 6 september 2001 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en de overige medewerkers medegedeeld dat de activiteiten met betrekking tot het schaatsteam met onmiddellijke ingang zouden worden gestaakt.

1.6 Op 20 september 2001 heeft Team Timmer - onder voorbehoud van alle rechten - ter afwikkeling van de gerezen geschillen (naast de overige teamleden) [eiser] een vergoeding van f 75.000,- aangeboden alsmede de vergoeding van de door hem gemaakte onkosten, mits gespecificeerd en goedgekeurd door een door Team Timmer aan te wijzen accountant.

[eiser] heeft de afkoopsom van ƒ 75.000,-- niet aanvaard.

1.7 [eiser] heeft tot op heden geen enkele betaling ontvangen.

2. Het standpunt van [eiser]

[eiser] vordert loon c.a. –dan wel een voorschot betaling voor verrichte werkzaamheden - alsmede vergoeding van de door hem gemaakte onkosten en voert daartoe het navolgende aan.

2.1 Reeds in februari 2001 is hij benaderd door zowel [gedaagde 1] als haar vader met de vraag of hij als trainer/coach in dienst zou willen treden van het door [gedaagde 1] op te richten schaatsteam.

Tijdens de vervolgbesprekingen op 16 februari en 11, 17 en 19 maart 2001 zijn de plannen uitgewerkt en de arbeidsvoorwaarden vastgelegd.

2.2 Partijen zijn toen onder meer het volgende overeengekomen:

- [eiser] treedt met ingang van 1 april 2001 in loondienst bij het door [gedaagde 1] opgerichte team op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten één jaar.

- Het jaarsalaris bedraagt ƒ 150.000,-- bruto, te vermeerderen met een tweetal bonussen van elk ƒ 25.000,--, te betalen op het moment van kwalificatie van [gedaagde 1] voor respectievelijk de Worldcup en de Olympische Spelen. Derhalve in totaal ƒ 200.000,-- bruto per jaar inclusief vakantietoeslag e.d.

- Vanaf 1 november 2001 wordt aan [eiser] een lease-auto ter beschikking gesteld.

- Alle kosten, waaronder reiskosten in verband met trainingsstages e.d., worden vergoed.

Bij het aangaan van de overeenkomst zijn geen bijzondere voorwaarden gesteld, met name geen ontbindende c.q. opschortende voorwaarden in verband met het verkrijgen van de nodige sponsoren.

2.3 Al voor 1 april 2001 is [eiser] daadwerkelijk begonnen met zijn werkzaamheden ten behoeve van het schaatsteam van [gedaagde 1]. In eerste instantie betrof dit het zoeken van bekwame medewerkers ten behoeve van het begeleidingsteam alsmede het selecteren van overige schaatsers ten behoeve van het team (mede als trainingspartner van [gedaagde 1]).

[gedaagde 1] heeft zich actief bemoeid met de samenstelling van haar team.

Vervolgens heeft [eiser] zich met name beziggehouden met de voorbereiding van trainingen en in dat kader de stage- en trainingskampen.

Bij deze werkzaamheden heeft hij steeds overleg gehad met [gedaagde 1].

Na 1 april 2001 is hij fulltime als trainer en coach voor [gedaagde 1] werkzaam geweest.

2.4 Partijen zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan. Ook op grond van het bepaalde in artikel 7:610a BW (rechtsvermoeden) moet van een arbeidsovereenkomst worden uitgegaan.

Aan de vereisten voor een arbeidsarbeidsovereenkomst is ook overigens voldaan.

2.5 [gedaagde 1] c.s. zijn steeds nalatig gebleven het overeengekomen salaris en de onkosten van [eiser] te voldoen. Regelmatig heeft [eiser] aangedrongen op betaling.

2.6 De arbeidsovereenkomst is aangegaan met [gedaagde 1] dan wel Timmer Skating.

Of Team Timmer de verplichtingen heeft overgenomen is voor [eiser] onduidelijk.

Voorts handelt [gedaagde 1] onrechtmatig wanneer zij als statutair directeur van beide vennootschappen de salarisbetaling aan [eiser] blokkeert.

2.7 Partijen zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van een jaar.

[gedaagde 1] c.s. hebben deze overeenkomst niet rechtsgeldig opgezegd zodat de nietigheid van deze beeindiging is ingeroepen.

[eiser] is nog steeds bereid en in staat zijn werkzaamheden te blijven uitvoeren zodat [gedaagde 1] c.s. gehouden zijn het loon van [eiser] en alle overige overeengekomen emolumenten te voldoen.

Het seizoen moet voor [eiser] als betaald trainer voor andere schaatsers als verloren worden beschouwd zodat geen sprake is van “restcapaciteit” (mogelijkheden van andere betaalde werkzaamheden voor de rest van het seizoen).

3. Het standpunt van [gedaagde 1] c.s.

Gedaagden hebben zich als volgt verweerd.

3.1 De vordering van [eiser] is onduidelijk en onvoldoende onderbouwd. Evenzeer is onduidelijk jegens wie [eiser] zijn vorderingen pretendeert.

[eiser] heeft zijn stellingen niet aannemelijk gemaakt en kan deze ook niet aannemelijk maken. Aldus leent dit geschil zich niet voor een behandeling in kort geding.

3.2 Het spoedeisend belang ontbreekt.

3.3 [eiser] beroept zich op afspraken die niet zijn gemaakt.

Partijen hebben wel overlegd maar afspraken en verplichtingen over en weer of jegens elkaar zijn daarbij niet gemaakt.

3.4 De idee van een eigen schaatsteam is uitgewerkt op basis en in afwachting van een te contracteren sponsor. Toen die niet werd gevonden, is het plan opgeheven.

3.5 [gedaagde 1], [betrokkene 1] en [eiser] hebben alledrie als ondernemer geïnvesteerd in een nieuw te vormen schaatsploeg en dienen thans ieder hun verlies te dragen.

3.6 Van een arbeidsovereenkomst is nimmer sprake geweest. Daartoe ontbrak ook de daarvoor vereiste gezagsverhouding.

3.7 [eiser] heeft tot op heden nagelaten zijn onkosten te specificeren en te voorzien van justificatoire bescheiden.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 In geschil is of partijen een contractuele relatie zijn aangegaan op grond waarvan gedaagden - of één van hen - uit hoofde van een arbeidsovereenkomst dan wel een andere (rechts)verhouding gehouden zijn/is tot betaling van de gevorderde bedragen.

4.2 Niet betwist is dat tussen [gedaagde 1]en [eiser] onderhandelingen zijn gevoerd over een te vormen schaatsteam Marianne Timmer en het aandeel daarin van [eiser] als trainer en coach.

Hoe verschillend ieders lezing over de uitkomst van deze onderhandelingen ook moge zijn, vast staat dat nadien door [gedaagde 1] de vennootschap Timmer Team is opgericht teneinde daarin haar zakelijke belangen in dit schaatsteam onder te brengen als vennoot van de samen met de zakelijk partner [betrokkene 1] op te richten vennootschap onder firma Team Timmer v.o.f., de uiteindelijk exploitant van het team Marianne Timmer.

4.3 Evenzeer staat vast dat [eiser] sedertdien een team heeft samengesteld en vanaf 1 april 2001 als trainer en coach van dit schaatsteam werkzaam is geweest.

Onweersproken is gebleven – en overigens ook aannemelijk- dat [eiser] zijn werkzaamheden steeds in nauw overleg en met instemming van [gedaagde 1] heeft verricht en dat het schaatsteam Marianne Timmer voornamelijk ten dienste van [gedaagde 1] stond.

4.4 De vraag of partijen een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan dan wel dat hun feitelijke verhouding als zodanig - al dan niet op grond van een rechtsvermoeden- moet worden gekwalificeerd, kan gelet op de sterk uiteenlopende verklaringen van partijen over de feitelijke gang van zaken en de terzake gemaakte mondelinge afspraken alsmede de onduidelijkheid omtrent de contracterende partijen niet zonder nadere bewijsvoering worden beantwoord. Omdat dit kort geding zich niet leent voor nadere bewijsvoering zal thans niet van het bestaan van een arbeidsovereenkomst worden uitgegaan.

4.5 Dat [eiser] -zoals [gedaagde 1] als belangrijkste verweer aanvoert- als mede-risicodragende ondernemer bij het vormen van bedoeld schaatsteam is opgetreden, wordt daarentegen als onaannemelijk en ook overigens in strijd met alle winstdelingsafspraken tussen [gedaagde 1] en [betrokkene 1] , waarbij [eiser] op de “pay-roll” stond en niet deelde in de winst, vooralsnog verworpen.

4.6 Waar aard en omvang van de door [eiser] verrichte werkzaamheden niet zijn betwist en ook overigens evident is dat bedoelde werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde 1] zijn verricht, komt [eiser] in redelijkheid een vergoeding toe.

Nu vast staat dat [eiser] tot op heden geen enkele betaling heeft ontvangen, is daarmee het spoedeisend belang bij zijn vordering gegeven.

4.7 Bij de omvang van deze bij wege van voorschot toe te kennen vergoeding zal worden uitgegaan van het in de stukken opgenomen basisjaarsalaris van f 150.000,- en de duur van de verrichte werkzaamheden (6 maanden), zodat een bedrag van f 75.000,- wordt toegewezen.

4.8 Daarnaast wordt toegewezen - eveneens bij wege van voorschot - een bedrag van f 25.000,- terzake van door [eiser] in die periode gemaakte onkosten.

[eiser] heeft zijn onkosten ter zitting – zij het in grote lijnen – gespecificeerd en ook overigens aannemelijk gemaakt dat gelet op de -niet betwiste - werkzaamheden, waaronder het organiseren van buitenlandse trainingskampen, in elk geval substantiële onkosten zijn gemaakt. [eiser] heeft ter zake ook onweersproken gesteld dat hij de betreffende bescheiden steeds heeft afgedragen aan de accountant en daarover nimmer aanmerkingen heeft gehad.

De president gaat daarmee voorbij aan de niet nader gemotiveerde ontkenning van [gedaagde 1] c.s. en hun eis dat - andermaal - de onderliggende bescheiden zouden moeten worden overgelegd.

4.9 Aldus wordt toegewezen bij wege van voorschot een totaalbedrag van f 100.000,- als een redelijke vergoeding voor de verrichte werkzaamheden en gemaakte onkosten.

Niet waarschijnlijk is dat in een eventuele bodemprocedure minder zal worden toegewezen.

De overige voorzieningen, allen uitgaande van een niet rechtsgeldig beëindigde arbeidsovereenkomst, komen gelet op het voorgaande in het kader van dit kort geding niet voor toewijzing in aanmerking.

4.10 Nu ieder van de gedaagden van de werkzaamheden van [eiser] heeft geprofiteerd - [gedaagde 1] persoonlijk en Timmer Skating en Team Timmer als ondernemingen waarin [gedaagde 1] haar financiele belangen heeft ondergebracht – ziet de president aanleiding ieder van de gedaagden hoofdelijk te veroordelen.

4.11 Gedaagden worden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding verwezen.

BESLISSING

De president:

1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk (des dat de een betalende de andere voor dat gedeelte zal zijn gekweten) om aan eiser te betalen bij wege van voorschot op de eventueel later vast te stellen vergoeding een bedrag van f 100.000,-;

2. veroordeelt gedaagden in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van eiser begroot op ƒ 1.537,23 aan verschotten en op ƒ 1.550,-- aan salaris van de procureur;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk, fungerend-president en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.

js