Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AD6635

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-01-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
AWB 99/1238 AKW V01
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In casu kan aanvraag AKW voor tweede kind niet als een te laat ingediende aanvraag worden gezien.

Eiser heeft ten behoeve van zijn tweede kind, geboren in februari 1995, eerst op 4 mei 1999 een aanvraag AKW ingediend. Verweerster heeft kinderbijslag toegekend, doch de terugwerkende kracht op grond van art. 14.3 beperkt tot een jaar voor de aanvraag. De rechtbank verstaat het standpunt van verweerster zo dat uit de wetsgeschiedenis van de wet van 4 december 1991, Stb. 1991, 669 volgt dat er slechts één recht op kinderbijslag voor een kinderbijslaggerechtigde kan bestaan. Dit ontstaat door vaststelling van het recht bij de toekenning voor het eerste kind. Volgen er meer kinderen dan heeft dit geen invloed op het recht op kinderbijslag maar op de hoogte daarvan. De door eiser bestreden weigering van verweerster berust op toepassing van art. 14.3 AKW. Het standpunt van verweerder heeft tot gevolg dat de toepassing van art. 14.3 onbegrijpelijk is. Deze bepaling ziet immers niet op de hoogte van het kinderbijslagrecht, maar op het recht zelf. De aanvraag van 4 mei 1999 kan dus niet als een te laat ingediende aanvraag worden gezien. Besluit kan niet in stand worden gelaten.

Bestreden weigering van kinderbijslag kan evenmin berusten op art. 17 AKW.

Verweerster dient een nieuw besluit te nemen.

De Sociale Verzekeringsbank, verweerster.

mrs. A.H.J. Lennaerts, B.J.H. Hofstee, G. Laman

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 14
Algemene Kinderbijslagwet 15
Algemene Kinderbijslagwet 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg. nr.: AWB 99/1238 AKW V01

U I T S P R A A K

In het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

de Sociale Verzekeringsbank, verweerster.

I. PROCESVERLOOP

Eiser heeft beroep doen instellen tegen het besluit van verweerster van 4 november 1999.

Verweerster heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingezonden.

Partijen hebben de beschikking gekregen over een afschrift van de gedingstukken.

De voorzitter heeft het vooronderzoek gesloten. De mondelinge behandeling van het beroep is verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 20 december 2000.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde mr. I.T. Martens, medewerker van SRK Rechtsbijstand.

Voor verweerster is verschenen - na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen - mw. A. Popken, medewerkster van de Sociale Verzekeringsbank, kantoor Groningen.

Partijen hebben hun standpunt toegelicht en desgevraagd nadere inlichtingen verschaft.

De voorzitter heeft na de mondelinge behandeling medegedeeld dat de uitspraak op het beroep zal worden gedaan binnen zes weken na de dag van de mondelinge behandeling.

II. MOTIVERING

Feiten

De rechtbank legt de volgende feiten aan haar beslissing ten grondslag en waardeert deze daarbij voorzover dat dienstig is voor die beslissing.

Op […] november 1990 is het eerste kind van eiser geboren. Verweerster heeft voor dit kind recht op kinderbijslag op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) vastgesteld en vervolgens per kwartaal op aanvraag uitbetaald.

Met de Wet van 4 december 1991, Stb. 1991, 669 heeft de wetgever beoogd met ingang van 1 januari 1992 een wijziging door te voeren in de AKW. Dit staat bekend onder de noemer 'afschaffing van de driemaandelijkse aanvraag van de kinderbijslag en invoering van een mutatiesysteem'. In verband hiermee is een aantal bepalingen van de AKW gewijzigd, waaronder artikel 14 AKW.

Dit heeft tot gevolg gehad dat eiser geen aanvragen meer hoefde in te dienen om ieder kwartaal recht te hebben op kinderbijslag voor zijn eerste kind. Eiser hoefde ook verder niets te doen als de omstandigheden in zijn gezin, voorzover relevant voor het recht op en de hoogte van kinderbijslag, niet wijzigden in een kwartaal. Om een wijziging door te geven beschikte eiser, of kon hij de beschikking krijgen, over een zogeheten mutatieformulier.

Het tweede kind van eiser is onder dit regime geboren en wel op […] februari 1995.

Eiser heeft op 4 mei 1999 een aanvraag tot toekenning van kinderbijslag voor dit kind ingediend middels een tot verweerster gericht schrijven en bijgevoegd - door verweerster desgevraagd verstrekt- aanvraagformulier.

Daarbij heeft hij verzocht de kinderbijslag te doen ingaan met ingang van de geboorte van het kind. Hij heeft dit als volgt toegelicht:

"Tot mijn grote verbazing constateerde ik dat wij voor ons tweede kind geen kinderbijslag ontvangen. Onze dochter is op […] februari 1995 geboren. Ik heb het kind aangegeven op het gemeentehuis en mijn vrouw heeft enige weken later het SVB gebeld om te vragen wat wij moesten doen. Het antwoord was dat een tweede kind automatisch zou worden aangemeld via het gemeentehuis aan de SVB. Wij hoefde niets te doen.

Helaas is er iets mis gegaan en tot op heden hebben wij niets mogen ontvangen.

Nu is het al 4 jaar later en vragen wij ons af waarom het ons niet eerder is opgevallen. Het antwoord hebben wij inmiddels gevonden. Tot aan de geboorte van onze dochter heeft mijn vrouw altijd de privé administratie gedaan. Vanaf de geboorte heb ik de privé administratie overgenomen omdat we toen begonnen zijn met de computer en telebanking.

Ik was niet op de hoogte van het bedrag voor 1 kind en zodoende is het mij ook niet opgevallen.

Op een verjaardag vorige week kwam toevallig de kinderbijslag ter sprake. Op dat moment ging er bij mij een lichtje branden en heb toen een en ander gecontroleerd. Na een telefoontje met de SVB Groningen bleek inderdaad dat alleen ons eerste kind ingeschreven is.

Zodoende heb ik de formulieren ontvangen en ingevuld (zie bijlage)."

Bij besluit van 26 juli 1999 heeft verweerster kinderbijslag voor dit kind toegekend. De door eiser gevraagde terugwerkende kracht is beperkt tot een jaar voor de dag van de aanvraag. Verweerster heeft deze beperking gegrond op het bepaalde in het derde lid van artikel 14 AKW.

Bij het op bezwaar genomen besluit is deze beslissing gehandhaafd. Daarbij heeft verweerster de door verweerster gevolgde, en volgens verweerster uit de AKW voortvloeiende, werkwijze als volgt omschreven:

"Sinds 1 januari 1992 is in de AKW het zogenaamde mutatiesysteem ingevoerd en is de kinderbijslaglijst, waarmee elk kwartaal kinderbijslag moest worden aangevraagd afgeschaft.

Voor het eerste kind dient een aanvraag om kinderbijslag te worden ingediend. Als een pasgeborene binnen vier weken bij de gemeente is ingeschreven, geeft de gemeente de benodigde gegevens door aan de SVB. De SVB zendt dan aan de ouder(s), waarbij een eerste is geboren, een aanvraag toe. Daarbij heeft de SVB geen verantwoordelijkheid voor het indienen van een aanvraag om kinderbijslag en blijft de klant de initiatiefnemer. De geboorte van elk volgend kind moet, bij voorkeur middels het standaard mutatieformulier, aan de SVB worden gemeld."

Geschil en standpunt partijen

Eiser is van mening dat de weigering om een verdergaande terugwerkende kracht toe te passen neerkomt op het afwentelen van fouten van verweerster. Hem kan niet worden verweten niet eerder een aanvraag te hebben ingediend, aangezien door verweerster was medegedeeld dat dit niet meer nodig was voor het tweede en volgende kind.

Verweerster heeft aldus de spelregels voor het tweede kind gewijzigd, terwijl de wet in artikel 14, eerste lid AKW voorschrijft dat de kinderbijslag moet worden aangevraagd. Er had dus wel een aanvraagformulier verstrekt moeten worden. Verweerster heeft een buitenwettelijke aanvraagprocedure ingevoerd.

Ook is het maar de vraag of de aanvraag, die verweerster wel wil ontvangen, te laat is ingediend. Het kan best zo zijn dat de gemeente de aangifte van de geboorte van het tweede kind wel aan verweerster heeft gemeld, maar dat bij verweerster verzuimd is hier iets mee te doen.

Verweerster is van mening dat de wet meebrengt dat slechts voor het eerste kind kinderbijslag moet worden aangevraagd middels het in het tweede lid van artikel 14 AKW bedoelde aanvraagformulier. Het recht op kinderbijslag wordt eenmalig vastgesteld en vervolgens gewijzigd. De verplichting om melding te maken van geboorte van een tweede of volgend kind, vloeit voort uit artikel 15 AKW. Een daarop berustende melding leidt tot een wijziging van het eerder vastgestelde recht.

Verweerster is voorts van mening dat de weigering terecht gegrond is op het bepaalde in het derde lid van artikel 14 AKW.

Er is niet eerder dan op 4 mei 1999 een aanvraag ingediend, omdat er noch door eiser, noch door zijn echtgenote, melding is gemaakt van de geboorte van het tweede kind middels het daarvoor bestemde mutatieformulier.

Ook is er geen aanvraag van eiser of diens echtgenote ontvangen en is er geen melding binnengekomen vanuit de gemeentelijke basisadministratie. Van telefonisch door de echtgenote ingewonnen inlichtingen is ook niet gebleken.

Verweerster mag een verdergaande terugwerkende kracht van een jaar aan de toekenning verbinden in bijzondere gevallen. Van een bijzonder geval is geen sprake.

Overwegingen

Uit het bepaalde in artikel 7 AKW vloeit voort dat het recht op kinderbijslag per kind bestaat.

Artikel 14 AKW is een van de bepalingen die de regels bevat voor het geldend maken van dit recht.

Het eerste tot en met derde lid van artikel 14 AKW luiden als volgt:

"1. De Sociale Verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat.

2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale Verzekeringsbank beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

3. Het recht op kinderbijslag kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in de vorige volzin."

Deze bepalingen bijeengenomen brengen, naar de tekst genomen, mee dat ieder recht, inclusief een verhoging van een eerder toegekend recht, moet worden aangevraagd; derhalve per kind en per geval.

Dat zou betekenen dat onjuist is verweersters stelling dat het aanvraagformulier, bedoeld in het tweede lid van artikel 14 AKW, niet is bedoeld voor het tweede kind van eiser. Dan zou ook onterecht aan de echtgenote van eiser zijn medegedeeld dat dit niet ingediend hoefde te worden.

De rechtbank verstaat het standpunt van verweerster zo dat uit de wetsgeschiedenis van de Wet van 4 december 1991, Stb. 1991, 669, volgt dat er slechts één recht op kinderbijslag voor een kinderbijslaggerechtigde kan bestaan. Dit ontstaat door vaststelling van het recht bij de toekenning voor het eerste kind. Volgen er meer kinderen dan heeft dit geen invloed op het recht op kinderbijslag maar op de hoogte daarvan.

Dit leidt tot de volgende overwegingen.

De door eiser bestreden weigering van verweerster berust op toepassing van het bepaalde in het derde lid van artikel 14 AKW.

Het standpunt van verweerster heeft tot gevolg dat de toepassing van het derde lid van artikel 14 AKW onbegrijpelijk is. Deze bepaling ziet immers niet op de hoogte van het kinderbijslagrecht, maar op het recht zelf ("... stelt ...vast of een recht op kinderbijslag bestaat"). In de visie van verweerster was dit recht al vastgesteld vóór de geboorte van het tweede kind. De aanvraag van 4 mei 1999 kan dus niet als een te laat ingediende aanvraag worden gezien.

Dit heeft tot gevolg dat het bestreden besluit op een innerlijk tegenstrijdige motivering berust. Dit gebrek is zo ernstig dat het besluit niet in stand kan worden gelaten.

In verband met de vraag of het rechtsgevolg van dit besluit in stand kan worden gelaten op grond van de tijdens de onderhavige procedure door verweerder naar voren gebrachte nadere oordeelsvorming, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een specifieke wettelijke bepaling ontbreekt, die de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van voormelde systeemwijziging constitueert en daarbij een regeling bevat voor gevallen als in deze zaak aan de orde.

Verweerster betoogt dat de verplichting om alle mutaties tijdig aan verweerster door te geven, bij gebreke aan een daarop gerichte specifieke bepaling, voortvloeit uit de algemene informatieplicht van artikel 15 AKW, luidend:

"De verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, zijn verplicht aan de Sociale Verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag, de hoogte van de kinderbijslag, het geldend maken van het recht op kinderbijslag of op het bedrag van de kinderbijslag, dat wordt betaald."

De rechtbank acht deze toepassing van artikel 15 AKW op zichzelf mogelijk, ook al betreft het een situatie waarin de betrokkene zichzelf benadeelt door niet tijdig inlichtingen te verstrekken. Artikel 15 AKW bevat immers een zeer ruim geformuleerde inlichtingenplicht en maakt geen onderscheid naar gevallen waarin wel of niet sprake is van benadeling van verweerder.

Ook is naar tekst en strekking van dit artikel niet van belang of de te verstrekken inlichtingen verband houden met een recht dat nog vastgesteld moet worden.

Dit blijkt ook uit het bepaalde in het -thans- derde lid van artikel 17 AKW.

De leden een en drie van dit artikel luiden immers, voorzover hier van belang, als volgt:

"1. Indien de verzekerde of de persoon aan wie ingevolge artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een verplichting op grond van artikel 15 niet binnen de door de Sociale Verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, weigert de Sociale Verzekeringsbank de kinderbijslag tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.

3. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag kan de Sociale Verzekeringsbank afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is gegeven."

Aangenomen dat eiser artikel 15 AKW heeft overtreden, moet vervolgens de vraag beantwoord worden of deze overtreding kan dienen als grondslag voor een weigering van uitkering (het opleggen van een boete is geen onderwerp van het bestreden besluit).

De leden een en drie van artikel 17 AKW bevatten de regels voor weigering van uitkering bij overtreding van artikel 15 AKW.

Blijkens het eerste lid van artikel 17 is deze bevoegdheid om uitkering te weigeren beperkt tot gevallen, waarin door verweerder om inlichtingen is gevraagd. Het mutatiesysteem houdt juist het tegendeel in: de informatie moet uit eigen beweging worden verstrekt.

De bestreden weigering van kinderbijslag voor het tweede kind kan dus niet berusten op artikel 17 AKW. Langs deze weg kan de uitkomst van het bestreden besluit geen stand houden.

Verweerder zal dan ook een nieuwe beslissing moeten nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank.

Bij de gegrondverklaring van het beroep past een proceskostenveroordeling. Deze is in de bijlage gespecificeerd. Daarbij is de zwaarte van de zaak gesteld op zwaar (factor 1.5).

III. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerster in plaats daarvan een nieuw besluit neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerster in de kosten aan de zijde van eiser gevallen ten bedrage van ƒ 1775,- , als gespecificeerd in de bijlage, en bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank deze kosten, alsmede het griffierecht ad ƒ 60,- aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.H.J. Lennaerts, voorzitter, en de mrs. B.J.H. Hofstee en G. Laman, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2001, door mr. A.H.J. Lennaerts, in tegenwoordigheid van L. Smidt, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Dit dient te geschieden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Het beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van deze uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: 15 januari 2001

typ: jb