Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AD4330

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
09-10-2001
Zaaknummer
070207-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

parketnummer: 070207-01

datum uitspraak: 9 oktober 2001

op tegenspraak

raadsman: mr. Hiddema

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in [plaats detentie].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2001.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij op of omstreeks 29 maart 2001 in de gemeente Groningen, nadat hij en/of zijn mededader(s), rijdend in een auto, was/waren aangereden tegen en/of in botsing was/waren gekomen met een persoon genaamd [slachtoffer] en die [slachtoffer] tengevolge van die aanrijding en/of botsing

aan/onder die auto vast is komen te zitten en/of is blijven hangen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (korte tijd na die aanrijding en/of botsing) wist(en) dat die [slachtoffer] aan/onder die auto vastzat en/of hing, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk die [slachtoffer] van het leven te beroven,

met voormeld opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s)

- gas heeft gegeven en/of (met hoge snelheid) is doorgereden en op die manier die [slachtoffer] (ongeveer) 600 meter, althans een aanzienlijke afstand, heeft meegesleept, en/of

- heeft nagelaten om die auto tot stilstand te brengen en/of de in doodsnood, althans de in een situatie die direkt ernstig fysiek letsel en/of gevaar opleverde, verkerende [slachtoffer] te helpen en/of te ontzetten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 maart 2001 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig hersenletsel (kneuzing) gepaard gaande met een bloeding en/of ernstig letsel van de weke delen (huid/vet/spieren) van hoofd, hals en rechterschouder en/of ernstig letsel van de weke delen van de linkerhand gepaard gaande met botbreuken in alle vijf vingers en/of letsel van de weke delen van de rechter knie) heeft toegebracht, door nadat verdachte en/of diens mededader(s), rijdend in een auto, was/waren aangereden tegen en/of in botsing was/waren gekomen met genoemde [slachtoffer] en die [slachtoffer] tengevolge van die aanrijding en/of botsing aan/onder die auto is vast komen te zitten en/of is blijven hangen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (korte tijd na die aanrijding en/of botsing) wist(en) dat die [slachtoffer] aan/onder die auto vastzat en/of hing, opzettelijk

- gas te gegeven en/of (met hoge snelheid) door te rijden en op die manier die [slachtoffer] (ongeveer) 600 meter, althans een aanzienlijke afstand, mee te slepen, en/of

- na te laten om die auto tot stilstand te brengen en/of de in doodsnood, althans de in een situatie die direkt ernstig fysiek letsel en/of gevaar opleverde, verkerende [slachtoffer] te helpen en/of te ontzetten;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 maart 2001 in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, nadat verdachte en/of diens mededader(s), rijdend in een auto, was/waren

aangereden tegen en/of in botsing was/waren gekomen met een persoon genaamd [slachtoffer] en die [slachtoffer] tengevolge van die aanrijding en/of botsing aan/onder die auto is vast komen te zitten en/of is blijven hangen, terwijl verdachte en/of diens mededader(s) (korte tijd na die aanrijding en/of

botsing) redelijkerwijs had(den) kunnen weten dat die [slachtoffer] aan/onder die auto vastzat en/of hing, daar hij/zij die [slachtoffer] na de aanrijding en/of botsing niet (meer) heeft/hebben gezien en/of bemerkt(en) dat die auto na die aanrijding en/of botsing afwijkend rij-/stuurgedrag vertoonde en/of na die aanrijding en/of botsing vreemde geluiden (die onder die auto vandaan kwamen) hoorde(n),

grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, gas heeft gegeven en/of (met hoge snelheid) is doorgereden, althans heeft nagelaten om die auto tot stilstand te brengen, en op die manier die [slachtoffer] (ongeveer) 600 meter, althans een aanzienlijke afstand, heeft meegesleept,

waardoor het aan zijn schuld en/of aan de schuld van zijn mededader(s) te wijten is geweest dat Slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hersenletsel (kneuzing) gepaard gaande met een bloeding en/of ernstig letsel van de weke delen (huid/vet/spieren) van hoofd, hals en rechterschouder

en/of ernstig letsel van de weke delen van de linkerhand gepaard gaande met botbreuken in alle vijf vingers en/of letsel van de weke delen van de rechter knie, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze is ontstaan;

2.

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2001 tot en met 04 april 2001 in de gemeente Groningen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

parketnummer: 050821-00

hij op of omstreeks 12 juni 2000, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een sportkantine gelegen aan de Zilverlaan weg te nemen een of meer goed(eren) van verdachtes en/of verdachtes mededader(s) gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting Westend, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die sportkantine te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) van verdachtes en/of verdachtes mededader(s) gading, althans die/dat goed(eren), onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met voormeld oogmerk die kantine door een opening is ingeklommen en/of (vervolgens) op zoek is gegaan naar (een) goed(eren) van zijn/hun gading en/of een of meer goed(eren) heeft klaargezet om mee te nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 12 juni 2000, te Groningen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de Zilverlaan en in gebruik bij de sportvereniging Forward, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

Wijziging tenlastelegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenlastelegging als volgt zal worden gewijzigd:

Feit 1.

Aangaande het primair gestelde:

·de zinsnede "terwijl hij en/of zijn mededader(s) (korte tijd na die aanrijding en/of botsing) wist(en) dat die [slachtoffer] aan/onder die auto vastzat en/of hing," dient te worden verwijderd,

·na de zinsnede "met voormeld opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s)" dient te worden toegevoegd ", terwijl die [slachtoffer] aan/onder die auto vastzat of hing";

Aangaande het subsidiair gestelde:

·de zinsnede "terwijl hij en/of zijn mededader(s) (korte tijd na die aanrijding en/of botsing) wist(en) dat die [slachtoffer] aan/onder die auto vastzat en/of hing," dient te worden verwijderd,

·aansluitend, na de zinsnede "en/of is blijven hangen, opzettelijk" dient te worden toegevoegd ", terwijl die [slachtoffer] aan/onder die auto vastzat of hing";

·Aangaande het meer subsidiair gestelde:

·de zinsnede "terwijl verdachte en/of diens mededader(s) ... tot en met ... (die onder de auto vandaan kwamen) hoorde(n)," dient te worden verwijderd.

Deze vordering is door de rechtbank ter terechtzitting, gehoord de verdachte en diens raadsman, toegewezen.

GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

Namens de verdachte is door de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging, na wijziging zoals door de officier van justitie is gevorderd en door de rechtbank is toegelaten, onbegrijpelijk is geworden omdat nu een feitelijke omschrijving van de verweten gedraging ontbreekt. Het feit kan daarom niet gekwalificeerd worden en verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld een beroep op nietigheid van de dagvaarding te doen overweegt de rechtbank hieromtrent het volgende:

De tenlastelegging voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

Nu er voorts geen sprake is van innerlijke tegenstrijdigheid of onbegrijpelijkheid van de tenlaste-legging, dient het verweer te worden afgewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 070207-01 onder 1 primair en 2 en het onder parktnummer 050821-00 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 29 maart 2001 in de gemeente Groningen, nadat hij en/of zijn mededader(s), rijdend in een auto, was/waren aangereden tegen en/of in botsing was/waren gekomen met een persoon genaamd [slachtoffer] en die [slachtoffer] tengevolge van die aanrijding en/of botsing

aan/onder die auto vast is komen te zitten en/of is blijven hangen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk die [slachtoffer] van het leven te beroven, met voormeld opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), terwijl die [slachtoffer] aan/onder die auto vastzat of hing

- gas heeft gegeven en/of (met hoge snelheid) is doorgereden en op die manier die [slachtoffer] (ongeveer) 600 meter, althans een aanzienlijke afstand, heeft meegesleept, en/of

- heeft nagelaten om die auto tot stilstand te brengen en/of de in doodsnood, althans de in een situatie die direct ernstig fysiek letsel en/of gevaar opleverde, verkerende [slachtoffer] te helpen en/of te ontzetten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2001 tot en met 04 april 2001 in de gemeente Groningen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

parketnummer: 050821-00

hij op of omstreeks 12 juni 2000, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een sportkantine gelegen aan de Zilverlaan weg te nemen een of meer goed(eren) van verdachtes en/of verdachtes mededader(s) gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting Westend, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die sportkantine te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) van verdachtes en/of verdachtes mededader(s) gading, althans die/dat goed(eren), onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met voormeld oogmerk die kantine door een opening is ingeklommen en/of (vervolgens) op zoek is gegaan naar (een) goed(eren) van zijn/hun gading en/of een of meer goed(eren) heeft klaargezet om mee te nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen het onder parketnummer 070207-01 onder 1 primair en 2 en het onder parketnummer 050821-00 primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Nadere bewijsmotivering:

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde poging tot doodslag omdat niet kan worden bewezen dat bij de verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Uit de bewijsmiddelen is niet op te maken dat verdachte heeft geweten of heeft kunnen vermoeden dat het slachtoffer zich nog onder de auto bevond op het moment dat verdachte besloot door te rijden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Een aantal getuigen heeft verklaard dat verdachte na de botsing met [slachtoffer] op de kruising van de Turfsingel met de St.Jansstraat met hoge snelheid is doorgereden. Een van de getuigen heeft, toen de fiets onder de auto tevoorschijn was gekomen, nog vonken onder de auto zien wegspatten. Getuige [getuige] heeft niet alleen vonken onder de auto vandaan zien komen, maar ook een dof, slepend geluid gehoord, waarover hij opmerkt, dat dit geluid zodanig was, dat omstanders in de Steentilstraat opkeken, zo van: “Wat komt daar nou aan?”.

Zowel verdachte als [medepasagier] en [medeverdachte] hebben verklaard dat de auto na de aanrijding een

bonkend geluid maakte en tijdens het rijden heen en weer slingerde; verdachte had moeite de auto in de rijbaan te houden. Medepassagier [medepasagier] heeft verklaard dat op haar vraag tijdens het rijden of het de fiets is die onder de auto zit, medeverdachte [medeverdachte] heeft geantwoord: “Nee, het is die neger”.

Ook verdachte heeft verklaard dat de auto na het ongeval vreemd stuurde en rare geluiden maakte.

[medeverdachte] heeft volgens zijn verklaring tegen de verdachte gezegd, dat de persoon nog onder de auto zat.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij na de botsing in de buitenspiegel alleen de fiets en een schoen heeft zien liggen en voorts, dat hem na de botsing door zijn hoofd ging, dat hij geen rijbewijs had, hij lange tijd zou komen vast te zitten en dat hij het slachtoffer had doodgereden en dat hij daarop besloot door te rijden.

Verdachte is vanaf voornoemd kruispunt via het Schuitendiep en de Steentilstraat via de Rademarkt de parkeergarage aldaar ingereden. Het gaat hier om een afstand van 547 meter.

Tenslotte heeft verdachte bij de politie verklaard, dat hij wist, dat [slachtoffer] werd meegesleurd en dat hij dacht dat die persoon nog onder de auto kon zitten.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet anders dan tot de conclusie komen, dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat [slachtoffer], als gevolg van zijn, verdachtes rijgedrag en het feit dat hij eerst na voornoemde afstand zijn auto tot stilstand heeft gebracht, dodelijk letsel zou hebben kunnen oplopen. Het verweer wordt daarom verworpen.

KWALIFICATIE

Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert de volgende strafbare feiten op:

Parketnummer: 070207-01

1. primair: Poging tot doodslag.

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Parketnummer: 050821-00

Poging tot diefstal in vereniging, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d., d.d. 24 juli 2001, opgemaakt door I.S.Hernandez-Dwarkasing, psychiater i.o en dr.P.J.A. Van Panhuis, psychiater, alsmede op de psychologischeonderzoeksrapportage, d.d. 9 juli 2001, opgemaakt door drs.A.F.J.M.Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog.

Het rapport van I.S.Hernandez-Dwarkasing voornoemd, houdt onder meer in, kort samengevat en zakelijk weergegeven:

Er is sprake van een anti sociale persoonlijkheidsstoornis met daarnaast intelligentieverval. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was de stoornis mogelijk aanwezig, maar dit is niet aan te tonen. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde speelde het persoonlijkheidsdefect zeker een rol bij de gedragskeuzes die hij maakte. Een gebrekkige impulscontrole en met name de gebrekkige gewetensfunctie speelden mee in betrokkenes besluit om door te rijden. Hoewel betrokkene verstandelijk wist dat dit niet mocht, zei een dergelijk verbod hem op grond van zijn emotioneel defect gevoelsmatig niets. Het ten laste gelegde is hem om die reden enigszins verminderd toe te rekenen.

Het feit dat betrokkene in het verleden al uitvoerig onderzocht en (jeugdforensisch psychiatrisch) behandeld is voor gewelddelicten heeft hem er niet van weerhouden het nu ten laste gelegde te plegen. Vanuit de deskundigheid van de psychiatrie kan gesteld worden dat het perspectief op een recidivekans verkleining door behandeling hier gering genoemd moet worden.

Het rapport van drs. A.F.J.M.Zwegers voornoemd, houdt onder meer in, kort samengevat en zakelijk weergegeven:

De betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis waarbij antisociale trekken domineren, maar waarbij ook narcistische en afhankelijke kenmerken zichtbaar zijn. Deze gebrekkige ontwikkeling bestond ten tijde van het tenlastegelegde. De gebrekkige ontwikkeling beïnvloedde betrokkene's gedrag ten tijde van het tenlastegelegde, zodanig dat het tenlastegelegde, indien bewezen, daaruit verklaard zou kunnen worden.

De ander is voor de betrokkene in affectieve zin niet betekenisvol. Bij het afwegen van motieven tot handelen weegt de betrokkene derhalve de gevolgen voor de ander nauwelijks mee. Dit gegeven op zichzelf beperkt de mogelijkheden om gedragskeuzen te maken echter niet. Indien het normbesef volledig intact is, zou het mogelijk moeten zijn om, vanuit dat besef, af te zien van delictgedrag. Voor de betrokkene geldt dat echter niet volledig; de afhankelijke kenmerken van zijn persoonlijkheid, gaan gepaard met een zwakke integratie van normen. Op grond hiervan is het te overwegen om hem te beschouwen als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De betrokkene zal ook in de toekomst zijn gedrag niet of nauwelijks afstemmen op de emotionele of affectieve gevolgen voor de ander, terwijl zijn gedragskeuzen niet worden aangestuurd vanuit een solide intern referentiekader, waarin normen goed geïntegreerd zijn. Daarbij komt dat zijn hoge strevingen, gecombineerd met beperkte mogelijkheden om in maatschappelijk opzicht succesvol te zijn, gemakkelijk leiden tot delinquent gedrag, waarbij dan ook nog de intrinsieke motieven tot beheersing ontbreken.

De kans op recidive is derhalve groot te noemen, zodanig dat de betrokkene gevaarlijk voor anderen kan worden.

Het is onwaarschijnlijk dat de betrokkene door therapeutische interventie zo te beïnvloeden is dat daarmee de kans op recidive afneemt. Om gevaarlijk gedrag te voorkomen, is men aangewezen op maatregelen ter beveiliging. Daartoe is de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging te overwegen, maar ook een langdurige detentie zou in aanmerking kunnen komen om de veiligheid te waarborgen.

Op grond van een en ander is de rechtbank van oordeel, dat bij de verdachte, op de in voormelde rapporten genoemde gronden, tijdens het begaan van het hem ten laste gelegde zodanige ziekelijke storing van de geestvermogens, bestond dat hem dit slechts in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

Anders dan door de officier van justitie is gevorderd is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd. Uit voornoemde rapportage komt eenduidig naar voren dat het onwaarschijnlijk is dat de kans op recidive door therapeutische behandeling af zal nemen, zodat een behandeling in een tbs kliniek niet direct aangewezen lijkt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat, teneinde de maatschappij tegen de verdachte te beschermen een straf als na te melden dient te worden opgelegd.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte ook overigens geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

MOTIVERING STRAF

Bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a)- de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de vordering van de officier van justitie;

b)de persoon van de verdachte, zoals naar voren gekomen uit:

- het onderzoek op de terechtzitting d.d. 25 september 2001;

- de inhoud van een uittreksel uit het algemeen documentatieregister omtrent verdachte d.d. 6 april 2001;

- het over de verdachte door de Stichting Reclassering Nederland te Groningen uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 31 augustus 2001;

- een pro justitia rapport, d.d. 9 juli 2001, opgemaakt door drs.A.F.J.M.Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog;

- een pro justitia rapport, d.d. 24 juli 2001, opgemaakt door I.S.Hernandez-Dwarkasing, psychiater i.o en dr.P.J.A. Van Panhuis, psychiater.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, met buitengewoon ernstige fysieke en naar de rechtbank aannemelijk acht, psychische gevolgen voor het slachtoffer. De wijze waarop het slachtoffer honderden meters onder de auto is meegesleept heeft grote verontwaardiging, afschuw en afkeuring in de maatschappij veroorzaakt.

Verdachte heeft besloten door te rijden, waarbij zijn motieven, angst om betrapt te worden op rijden zonder rijbewijs, en angst voor een TBS of een langdurige gevangenisstraf, slechts gericht waren op zijn eigen belang.

Verdachte is volledig voorbijgegaan aan de gevolgen die zijn handelwijze voor het slachtoffer zouden kunnen hebben. Het feit dat het slachtoffer heeft overleefd is niet aan verdachte te danken.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft verdachte geen blijk gegeven van een doorleefd meegevoel met het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte eveneens zwaar aan, dat hij tijdens het afleggen van de ruim 500 meter lange afstand geen enkel moment heeft overwogen om te stoppen

Daarnaast overweegt de rechtbank, dat verdachte zich op aandringen van anderen, eerst de dag na de zitting bij de politie heeft gemeld.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking, dat verdachte geruime tijd heeft gehandeld in voor de volksgezondheid bedreigende stoffen.

Tenslotte heeft de rechtbank bij het opleggen van de vrijheidsstraf in aanmerking genomen de conclusie van voormelde onderzoeksrapportage, dat het bewezen verklaarde aan de verdachte slechts in enigszins /licht verminderd mate kan worden toegerekend.

Ontzegging van de rijbevoegdheid

De rechtbank acht een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op zijn plaats omdat de verdachte door het plegen van het bewezen en strafbaar verklaarde de verkeersveiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht.

VERBEURDVERKLARING

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten

- een personenauto, merk [merk], kenteken [kenteken], moet worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het voorwerp mede aan verdachte toebehoort en het een voorwerp betreft met behulp waarvan het feit is begaan.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33a, 33b, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht alsmede artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder parketnummer 070207-01 onder 1 primair en 2 en het onder parketnummer 050821-00 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart het onder parketnummer 070207-01 onder 1 primair en 2 en het onder parketnummer 050821-00 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd, die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 JAREN.

Verklaart verbeurd:

- een personenauto, [merk ], [kenteken].

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. Bosch, voorzitter, Goederee en Van Eerde, in tegenwoordigheid van Hesling als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2001.