Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AB8541

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-07-2001
Datum publicatie
22-08-2001
Zaaknummer
AWB 01/544 WW44 V03; AWB 01/477 WW44 V03
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 20
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nrs.:

AWB 01/544 WW44 V03

AWB 01/477 WW44 V03

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb in het geschil tussen

[verzoeker], wonende te Appingedam,

gemachtigde: mr. R.J. Skála

en

burgemeester en wethouders van Appingedam, verweerders.

gemachtigden: R.A. Velis en C. Nap.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], wonende te Appingedam,

gemachtigde: mr. H. Martens.

1. PROCESVERLOOP

Verweerders hebben bij besluit van 4 mei 2001, verzonden op 8 mei 2001, het door verzoeker tegen hun besluit 11 december 2000 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen vorenbedoeld besluit van 4 mei 2001 (hierna te noemen: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 29 mei 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 01/477 WW44 V03.

Bij verzoekschrift van 18 juni 2001 heeft verzoeker de president gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het wordt geschorst. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 01/544 WW44 V03.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb, is [vergunninghouder] (hierna te noemen: vergunninghouder) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Verweerders hebben op 19 juni 2001, ontvangen op 26 juni 2001, een verweerschrift terzake van het beroep ingediend, en de op het beroep betrekking hebbende stukken ingezonden.

Op 26 juni 2001 hebben verweerders de op het verzoek om voorlopige voorziening betrekking hebbende stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Bij brief van 2 juli 2001 heeft mr. H. Martens zich gesteld als gemachtigde van vergunninghouder.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 3 juli 2001.

Verzoeker is daar in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote, en bijgestaan door zijn gemachtigde, vorengenoemd.

Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden, vorengenoemd.

Vergunninghouder is ter zitting in persoon verschenen, vergezeld van zijn vader.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, kan de president, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Partijen zijn op de voet van artikel 8:86, tweede lid, Awb, bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

2.1. De feiten.

Op 19 april 1998 heeft vergunninghouder zich tot verweerders gewend met het verzoek hem vergunning te verlenen voor het bouwen van een garage op het perceel, kadastraal bekend gemeente Appingedam, [kadastrale aanduiding], plaatselijk bekend [adres] te Appingedam.

Na een daartoe van gedeputeerde staten van Groningen verkregen verklaring van geen bezwaar hebben verweerders bij besluit van 9 december 1998 de gevraagde vergunning met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) -de zogenoemde anticipatieprocedure- verleend.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bij brief van 4 februari 1999 een bezwaarschrift ingediend bij verweerders, welk bezwaarschrift verweerders bij besluit van 6 april 1999 ongegrond hebben verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoeker op 17 mei 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank. Na een op 6 juni 2000 gehouden zitting heeft de rechtbank bij uitspraak van 6 juli 2000, nr. AWB99/513 WW44 V13, het beroep gegrond verklaard en het besluit van verweerders van 6 april 1999 vernietigd.

Verweerders hebben hierop bij besluit van 11 augustus 2000 het bezwaarschrift van verzoeker van 4 februari 1999 gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen, en de bij besluit van 9 december 1998 verleende bouwvergunning ingetrokken.

Vergunninghouder heeft vervolgens op 1 september 2000 andermaal vergunning gevraagd voor het bouwen van een garage op eerdergenoemd perceel [adres] te Appingedam.

Verweerders hebben de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Bij besluit van 11 december 2000, verzonden op 28 december 2000, hebben verweerders de gevraagde vergunning en vrijstelling verleend. Publicatie hiervan heeft plaatsgevonden in de "Eemslander" van 3 januari 2001.

Tegen vorenbedoeld besluit heeft verzoeker bij brief van 3 februari 2001 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend bij verweerders, welk bezwaarschrift verweerders na een op 20 maart 2001 gehouden hoorzitting bij het thans bestreden besluit ongegrond hebben verklaard.

2.2. Met betrekking tot het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb.

Op 3 april 2000 is onder meer de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302; hierna Wijzigingswet) in werking getreden. Voorts is als gevolg hiervan met ingang van eerstgenoemde datum een aantal artikelen in de Woningwet gewijzigd.

Op grond van artikel VI, eerste lid, van de Wijzigingswet blijft ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO en om bouwvergunning ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden.

In casu is de aanvraag om bouwvergunning ingediend op 1 september 2000, derhalve na vorenbedoelde wijzigingen. Dit betekent derhalve dat voor de beoordeling van het thans bestreden besluit uitgegaan dient te worden van het nieuwe recht.

Op het in geding zijnde perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Oling I' de bestemming 'Woondoeleinden, categorie I en II'.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de op de daarbij behorende kaart voor 'Woondoeleiden, categorie I en II' aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor ééngezinshuizen, bijgebouwen, autoboxen, gebouwtjes van openbaar nut, zoals transformator- en gasreduceerstations, een school, verenigings- wijk-, kantoor- of bankgebouw, een winkel, wegen, paden, andere oppervlakteverhardingen, groenvoorzieningen, waterpartijen, parkeergelegenheden, speelruimten, andere bouwwerken en andere werken.

Artikel 6, tweede lid, van de bestemmingsplanvoorschriften bepaalt dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 WRO en overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften, verweerders het plan uitwerken.

Artikel 6, derde lid, van de bestemmingsplanvoorschriften bepaalt dat het bouwen dient te geschieden overeenkomstig de uitwerking door burgemeester en wethouders.

Omdat een uitwerking als evenbedoeld niet heeft plaatsgevonden hebben verweerders, teneinde medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan van vergunninghouder, de aanvraag om vergunning op grond van artikel 46, derde lid, laatste volzin Ww, tevens aangemerkt als verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, WRO.

Artikel 19, derde lid, WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ter uitwerking van dit artikellid is in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) bepaald dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking komt een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Verzoeker is van mening dat verweerders niet bevoegd waren toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 19, derde lid, WRO, aangezien de werkingsduur van het op 25 mei 1998 in werking getreden voorbereidingsbesluit is verstreken.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Anders dan verzoeker meent, volgt uit het vorenbepaalde, dat het bij het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, WRO, niet (meer) is vereist te anticiperen op een toekomstig planologisch kader, noch is urgentie vereist.

Indien wordt voldaan aan het gestelde in artikel 20 Bro, eerdergenoemd, kunnen verweerders in beginsel een vrijstelling als vorenbedoeld verlenen.

In het bepaalde in artikel 19, vierde lid, WRO ziet de president, anders dan verzoeker, geen termen gelegen een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, WRO te weigeren. Het vierde lid van artikel 19 WRO ziet slechts op vrijstellingen als bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, WRO, en niet op een een vrijstelling als thans aan de orde, als bedoeld in artikel 19, derde lid, WRO.

In het kader van de beoordeling van een verzoek om vrijstelling dienen door verweerders echter wel alle bij het betreffend bouwplan betrokken belangen te worden afgewogen.

In het kader van die belangenafweging hebben verweerders geoordeeld dat het oprichten van een garage door vergunninghouder op de door hem gewenste plek een redelijk verlangen betreft. Aansluiting van de garage op de keuken achten verweerders een logische gedachte. Andere opties leveren de nodige bezwaren op, terwijl van de kant van de gemeente geen toestemming verleend zal worden voor een uitweg aan de achterzijde van het perceel.

Verzoeker heeft vervolgens bezwaar tegen de situering van de te bouwen garage. Naar verzoeker stelt zal de garage worden gebouwd op een afstand van minder dan twee meter vanaf de perceelsgrens. Als gevolg daarvan, mede gelet op de grootte van de garage, zal hij te maken krijgen met schaduwwerking en verkleining van het ruimtelijk effect van de tuin.

Terzake van de grootte van de op te richten garage stelt de president vast dat artikel 20, eerste lid, onder a, ten eerste, Bro, geen bepalingen bevat terzake van de grootte van bijgebouwen.

Voorts is in de schaduwwerking van het op te richten bouwwerk, mede gelet op de jurisprudentie dienaangaand, in casu, hoe begrijpelijk de grieven van verzoeker daaromtrent ook zijn, geen grond gelegen de benodigde vrijstelling in het kader van de te verrichten belangenafweging te weigeren.

Verweerders hebben gesteld dat zij in het kader van de belangenafweging die zij verricht hebben bij het verlenen van de benodigde vrijstelling ex artikel 19, derde lid, Wro, aansluiting hebben gezocht bij het bepaalde in de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan "Oling I", uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO, fase I. Het bouwplan van vergunninghouder hebben zij hieraan getoetst.

Constaterend dat dat uitwerkingsplan onder meer betrekking heeft op het perceel van verzoeker, terwijl het voorts aannemelijk is dat het perceel van vergunninghouder per abuis niet in dat uitwerkingsplan is opgenomen, acht de president het niet onredelijk het bouwplan te toetsen aan vorenbedoeld uitwerkingsplan. Dusdoende krijgt vergunninghouder dezelfde bebouwingsmogelijkheden als -onder andere- verzoeker. Naar verweerders hebben gesteld is dit laatste ook uitdrukkelijk de bedoeling geweest.

Verzoeker heeft aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 1, onder i, van de voorschriften van het uitwerkingsplan aangezien in die voorschriften onder bijgebouw wordt verstaan "een bij het eengezinshuis behorend en daarvan vrijstaand gelegen gebouw", terwijl het hier om een niet vrijstaand bouwwerk gaat.

De president deelt de visie van verzoeker dat het bouwwerk waarvoor verweerders vergunning hebben verleend op grond van het daaromtrent in het uitwerkingsplan niet kan worden geduid als bijgebouw. Het gaat thans immers niet om een vrijstaand bouwwerk.

Verweerders hebben ter zitting gesteld dat de omschrijving van 'bijgebouw' in het uitwerkingsplan op een fout berust. Het aan het uitwerkingsplan ten grondslag liggende bestemmingsplan bevat niet de eis van het moeten 'vrijstaan', en het is praktijk in de gemeente dat dat een gebouw als het onderhavige niet losstaand wordt gebouwd, hetgeen nog nimmer tot problemen heeft geleid.

De president overweegt als volgt. Het uitwerkingsplan waaraan verweerders de gevraagde vergunning getoetst hebben is een uitwerking van het bestemmingsplan 'Oling I'.

Artikel 1, aanhef en onder i, van het uitwerkingsplan bepaalt dat onder bijgebouw dient te worden verstaan een bij het eengezinshuis behorend en daarvan vrijstaand gelegen gebouw.

Artikel 1, onder o, van dit bestemmingsplan verstaat onder bijgebouw: "een niet voor bewoning bestemd gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, al of niet aangebouwd aan dat hoofdgebouw".

De president constateert, met verweerders, dat het uitwerkingsplan -waaraan verweerders het bouwplan getoetst hebben- het begrip 'bijgebouw' minder ruim uitlegt dan het daaraan ten grondslag liggende bestemmingsplan dat doet. Immers, het uitwerkingsplan bepaalt dat een bijgebouw losstaand gebouwd dient te worden, terwijl het bestemmingsplan die eis niet stelt. Verweerders hebben, zoal hiervoor reeds opgemerkt, betoogd dat het in het uitwerkingsplan om een 'verschrijving' gaat; het is niet de de bedoeling geweest om het begrip bijgebouw middels het uitwerkingsplan in te perken. Dit zou, aldus verweerders, tot rechtsongelijkheid leiden aangezien het op belendende percelen -onder andere het perceel van verzoeker- wel is (werd) toegestaan aan het hoofdgebouw te bouwen.

Daargelaten of deze zienswijze al dan niet redelijk kan worden geacht leidt het volgen van deze wijze van handelen van verweerders ertoe dat vergunninghouder thans meer wordt vergund dan anderen op grond van het uitwerkingsplan toegestaan. Dat het, naar namens verweerders ter zitting is gesteld, aan anderen werd en wordt toegestaan bijgebouwen aan het hoofdgebouw te bouwen, moge wellicht zo zijn, doch is thans niet controleerbaar, en is daarenboven in strijd met het in het uitwerkingsplan bepaalde.

Het vorenoverwogene leidt de president tot het oordeel dat het bestreden besluit in de daartegen door verzoeker aangespannen procedure niet in stand zal kunnen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening komt onder de gegeven omstandigheden derhalve voor inwilliging in aanmerking.

De president overweegt voorts het volgende.

Artikel 6, tweede lid, onder d, van de voorschriften behorend bij het uitwerkingsplan bepaalt dat de afstand van de bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 2 meter mag bedragen, behoudens bij plaatsing op deze perceelsgrens.

Terzake van het bouwen hebben verweerders in het besluit in primo van 11 december 2000 gesteld:

"Het bouwwerk zal op de perceelsgrens worden opgericht. Dit houdt in dat de gehele constructie van de garage op het perceel van de heer [vergunninghouder] wordt gesitueerd. De goot en de fundering zullen tegen de grens liggen en de wand ± 20cm hier van verwijderd."

In het verweerschrift stellen verweerders:

"Wat het bouwen op de erfgrens betreft, sluiten wij ons aan bij de opvattingen in de bouwwereld. In de bouwwereld wordt onder bouwen op de erfafscheiding verstaan dat het gehele bouwwerk op het eigen terrein wordt opgericht. Vaak wordt als norm gehanteerd dat vanaf 1 meter boven peil de gehele constructie op eigen erf dient te worden geplaatst.

Deze wijze van meten staat niet in de bestemmingsplanvoorschriften opgenomen, maar bij de gemeente Appingedam wordt deze norm sinds jaar en dag gehanteerd. Wij menen dan ook dat het hier gaat om een bestendig gebruik."

Ter zitting hebben verweerders een aantal foto's overgelegd waaruit zou blijken dat in het verleden in soortgelijke zaken ook bouwvergunning zou zijn verleend.

Verweerders zijn van mening dat op de perceelsgrens wordt gebouwd indien de dakgoot op (tegen) die grens wordt gebouwd.

De president deelt de visie van verweerders niet.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 6 juli 2000, nr. AWB99/513 WW44 V13, is de president van oordeel dat ook thans de bouw in strijd is met het in artikel 6 van het uitwerkingsplan bepaalde. Dat de dakgoot geacht kan worden wel in overeenstemming te zijn met het in vorenbedoeld artikel 6 bepaalde, laat onverlet dat de wand van de garage dat niet is.

Naar het oordeel van de president dient niet slechts het dak, doch het gehele bouwwerk op de perceelsgrens gesitueerd te zijn, wil sprake zijn van een met het uitwerkingsplan in overeenstemming zijnde situatie.

Het accepteren van bouwen op de door verweerders voorgestane wijze kan naar het oordeel van de president tot ongewenste, met de gemeentelijke Bouwverordening strijdige, situaties leiden.

Het vorenstaande leidt de president tot het oordeel dat het bouwplan waarvoor verweerders vergunning hebben verleend in strijd is met de bepalingen van het 'bestemmingsplan Oling I, uitwerking ex artikel 11 WRO, fase I', met name met artikel 1, aanhef en onder i, en artikel 6, tweede lid, onder d. Nu zij deze bepalingen ten grondslag hebben gelegd aan de beoordeling van het bouwplan, en die bepalingen bij de afweging van de belangen als kader hebben gehanteerd, dient ten aanzien van het bestreden besluit te worden geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek, en van een onjuiste belangenafweging.

Ook vanwege het vorenoverwogene komt het verzoek om voorlopige voorziening voor inwilliging in aanmerking.

2.3. Met betrekking tot het ingestelde beroep.

Naar uit het terzake van het verzoek om voorlopige voorziening overwogene blijkt, kan het bestreden besluit de rechtmatigheidstoets niet doorstaan. Omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak zal de president daarin, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen, en het beroep gegrond verklaren.

2.4. Met betrekking tot de getroffen voorlopige voorziening.

Nu enerzijds het bestreden besluit in het kader van het ingediende verzoek om voorlopige voorziening wordt geschorst totdat op het eveneens daartegen ingestelde beroep is beslist en, anderzijds, onder toepassing van artikel 8:86 Awb in deze uitspraak op dat beroep wordt beslist, ziet de president aanleiding om onder -analoge- toepassing van artikel 8:72, zesde lid, Awb, te bepalen dat de getroffen voorlopige voorziening op een later tijdstip vervalt in voege als hierna onder punt 3 wordt bepaald.

2.5. Met betrekking tot het griffierecht en de proceskosten.

Aangezien het door verzoeker ingestelde beroep gegrond wordt verklaard, en het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingewilligd, bepaalt de president op grond van artikel 8:74, eerste lid, en artikel 8:82, vierde lid, Awb dat het door verzoeker betaalde griffierecht, zijnde ¦ 450,-- door de gemeente Appingedam aan verzoeker, wordt vergoed.

De president acht voorts termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid Awb, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening heeft moeten maken, en wijst de gemeente Appingedam aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de president deze kosten op ¦ 2.130,--, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

met betrekking tot de gevraagde voorlopige voorziening:

-schorst het besluit van burgemeester en wethouders van Appingedam van 4 mei 2001;

met betrekking tot het beroep en de getroffen voorlopige voorziening:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van verweerders van 4 mei 2001;

-bepaalt dat de getroffen voorlopige voorziening doorloopt tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de andermaal door verweerders te nemen beslissing op het door verzoeker tegen het besluit van 11 december 2000 ingediende bezwaarschrift;

met betrekking tot het griffierecht en de proceskosten:

-bepaalt dat de gemeente Appingedam verzoeker het betaalde griffierecht van f 450,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerders in de proceskosten van verzoeker, welke zijn vastgesteld op f 2.130,--, en bepaalt dat de gemeente Appingedam deze kosten aan verzoeker dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. P.J.W.M. Vermeulen als president en in het openbaar door hem uitgesproken

op 12 juli 2001, in tegenwoordigheid van M.J. 't Hart als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

De president wijst er op dat belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met uitzondering van de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening, daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 12 juli 2001 Bijlage: Staat van kosten

typ: HtH