Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AB2592

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-07-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
AWB 01/267 WW44 V03
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 01/267 WW44 V03

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker] te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde mr. T. Knoop

en

burgemeester en wethouders van Haren, verweerders,

gemachtigde: W.A. Holtjer.

1. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 13 februari 2001, nr. 2001-440, hebben verweerders [verguninghouder] te [woonplaats] (hierna te noemen: vergunninghouder) vergunning verleend voor het verbouwen van de garage/berging op het perceel, kadastraal bekend gemeente Haren, sectie [...], nr. [...], plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats].

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 5 maart 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank, welk beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan verweerders is doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.

Bij verzoekschrift van 15 maart 2001 heeft verzoeker de president ge-vraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de verleende bouwvergunning wordt geschorst.

Verweerders hebben op 22 maart 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede een verweerschrift ingediend.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb, is vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzon-den.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 17 april 2001.

Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote, en bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bovengenoemd.

Vergunninghouder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn echtgenote.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, vooraf-gaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De feiten.

Bij aanvraag van 29 maart 2000, ingekomen bij verweerders op 30 maart 2000, heeft vergunninghouder verweerders verzocht hem vergunning te verlenen voor het veranderen van de garage op het perceel, kadastraal bekend gemeente Haren, sectie [...], nr. [...], plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats].

Verweerders hebben bij besluit van 29 mei 2000 de gevraagde vergunning verleend.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 21 juni 2000 een bezwaarschrift op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, ingediend bij verweerders.

Op 13 september 2000 heeft een hoorzitting bij de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften plaatsgevonden waarin het bezwaarschrift van verzoeker is behandeld. De commissie heeft op 19 september 2000 aan verweerders advies uitgebracht.

Overeenkomstig voormeld advies hebben verweerders bij besluit van 31 oktober 2000 het bezwaarschrift gegrond verklaard en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.

Op 30 januari 2001 heeft vergunninghouder een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning ingediend.

Op 7 februari 2001 heeft de welstandscommissie een positief welstandsadvies uitgebracht.

Verweerders hebben daarop bij het thans bestreden besluit van 14 februari 2001 de gevraagde vergunning verleend.

Beoordeling van het verzoek.

Ingevolge artikel 40 Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44 Ww mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien:

a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in de artikelen 2 en 120 be-doelde algemene maatregelen van bestuur gegeven voorschrif-ten of, voor zover van toepassing, de voorschriften, bedoeld in artikel 7a;

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening en, zolang de bouwveror-dening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die bij een in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een in artikel 120 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn gegeven;

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethou-ders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, of

e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumenten-wet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumenten-verordening is vereist en deze is geweigerd.

Het perceel waarop de te vergroten garage is gelegen is op grond van het ter plaatse geldende bestem-mingsplan "Haren-Dorp, kaartblad Ruitersteeg", bestemd voor 'Woondoeleinden', met de aanduiding 'W10'.

Op 31 januari 1994 heeft de raad der gemeente Haren vastgesteld het "bestemmingsplan algemene bijgebouwenregeling", (hierna te noemen: de bijgebouwenregeling).

Artikel 10, aanhef en onder 21, van de bijgebouwenregeling bepaalt dat de in de bijgebouwenregeling opgenomen voorschriften wijzigingen zijn van de geldende (bestemmingsplan)bepalingen met betrekking tot het oprichten van bijgebouwen bij niet-gestapelde woningen (vrijstaande, twee-onder-één-kap en rijtjeswoningen), uitgezonderd drive-in woningen.

Artikel 8, aanhef en onder a, van de bijgebouwenregeling bepaalt dat bijgebouwen welke ten tijde van de ter visie legging van het ontwerp van de bijgebouwenregeling bestaan, in uitvoering zijn of kunnen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende bouwvergunning of aangevraagde en alsnog te verlenen bouwvergunning en die afwijken van het plan, mits de bestaande afwijking daarbij naar de aard niet wordt vergroot, gedeeltelijk mogen worden vernieuwd, veranderd of vergroot, met dien verstande, dat bij vergroting deze niet meer dan 15% van het bestaande grondoppervlak van het betreffende bijgebouw zoals aanwezig -c.q. blijkende uit de reeds verleende of op een ingediende aanvraag te verlenen bouwvergunning- ten tijde van de ter visie legging van het ontwerp van dit plan, mag omvatten en geen goothoogte mag hebben dan die van het bestaande bouwwerk.

Op grond van artikel 3, onder A, vierde lid, dient een bijgebouw te worden gebouwd op minimaal 1m van de perceelsgrens, of op die grens.

Verweerders hebben gesteld dat het te verbouwen bouwwerk reeds voordat de bijgebouwenregeling ter visie is gelegd is opgericht in 1968, en dat het bijgebouw niet voldoet aan vorenvermeld voorschrift, aangezien het op 0,65m van de perceelsgrens is gebouwd.

Niettegenstaand deze strijdigheid is naar de mening van verweerders het bepaalde in artikel 8 van de bijgebouwenregeling met betrekking tot het uitbreidingspercentage van maximaal 15 niet van toepassing, aangezien het onderhavige bouwplan mede tot gevolg heeft dat de bestaande strijdigheid terzake van de afstand tot de perceelsgrens wordt opgeheven.

De president kan zich hierin niet vinden. Voor beantwoording van de vraag of bedoeld artikel 8 van toepassing is, is niet bepalend of een nieuw bouwplan die strijd wegneemt, doch is bepalend of sprake is van strijdigheid met de bijgebouwenregeling op het moment dat de bijgebouwenregeling ter visie is gelegd.

Partijen houdt niet verdeeld dat het bestaande bijgebouw ten tijde van vorenbedoelde ter visie legging in strijd met de bijgebouwenregeling aanwezig was.

Dit leidt er, gelet op het vorenoverwogene, toe dat het bepaalde in artikel 8 van de bijgebouwenregeling in casu van toepassing is.

De omstandigheid dat het bepaalde in artikel 8 van de bijgebouwenregeling niet van toepassing is indien vergunninghouder het bestaande bijgebouw zou afbreken en een aanvraag om bouwvergunning in zou dienen voor het oprichten van een nieuw bijgebouw dat gelijk zou zijn aan het thans te verbouwen bijgebouw na verbouwing, doet hieraan niet af, en gaat het kader van de beoordeling van het thans bestreden besluit te buiten.

Uit de terzake overgelegde stukken blijkt dat het aanwezige bijgebouw een grondoppervlak heeft van 38,15m2. Gelet op het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder a, van de bijgebouwenregeling is uitbreiding met 5,7225m2 (15% van het bestaande grondoppervlak) toegestaan. Na uitbreiding mag het grondoppervlak van het bestaande bijgebouw derhalve maximaal 43,87m2 bedragen. Het thans aan de orde zijnde bouwplan voorziet -naar verweerders en vergunninghouder stellen- in een grondoppervlak van 69,54m2. Het maximaal toegestane grondoppervlak wordt derhalve in ruime mate overschreden.

Het vorenstaande, thans nog daargelaten of de welstandscommissie zich op basis van de haar ten dienste staande bouwtekeningen een juist beeld van het te bouwene heeft kunnen vormen, leidt de president tot het oordeel dat verweerders de gevraagde vergunning in strijd met het bepaalde in de bijgebouwenregeling hebben verleend. Dit betekent dat het bestreden besluit in de daartegen door verzoeker aangespannen procedure naar het zich thans laat aanzien niet in stand zal kunnen blijven. Onder deze omstandigheden dient doorslaggevend belang te worden toegekend aan het belang dat verzoeker heeft bij schorsing van het bestreden besluit.

Tevens ziet de president aanleiding op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,00 door de gemeente Haren aan verzoeker wordt vergoed.

De president acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:84, vierde lid, Awb, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de gemeente Haren aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de president deze kosten op

f. 1.420,--, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

- schorst het besluit van burgemeester en wethouders van Haren van 13 februari 2001, nr. 2001-440;

- bepaalt dat de gemeente Haren verzoeker het betaalde griffierecht ad

ƒ 225,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerders in de proceskosten van verzoeker, welke zijn vastgesteld op ƒ 1.420,--, en bepaalt dat de gemeente Haren verzoeker deze kosten moet betalen.

Aldus gegeven door mr. P.J.W.M. Vermeulen als president en in het openbaar door hem uitgesproken

op 3 mei 2001, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 2 mei 2001 Bijlage: staat van kosten