Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AB2153

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
13-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/2/70 AW V02
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 01/270 AW V02

U I T S P R A A K

van de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. P. van Wijngaarden,

en

het dagelijks bestuur van Synergon, verweerder,

gemachtigde: mr. G. Ham.

1. FEITEN EN PROCESVERLOOP

Verzoeker was sinds medio 1997 in dienst van het Werkvoorzieningsschap Synergon te Winschoten. Tot 1 juni 1998 was hij werkzaam al sectormanager Metaal en daarna als hoofd verkoop van de sector Metaal.

Op verzoek van de directeur van Synergon, [directeur verzoeker], heeft op 16 juni 1999 een gesprek plaatsgevonden tussen [interim sectorhoofd], interim hoofd van de sector Metaal, [hoofd P & O], hoofd personeel en organisatie, en verzoeker.

Hetgeen [hoofd P & O] aan [directeur verzoeker] omtrent dit gesprek heeft gerapporteerd was voor de laatste de directe aanleiding om verzoeker met onmiddellijke ingang naar huis te sturen.

Verweerder heeft bij brief van 21 juni 1999 het voornemen geuit om verzoeker, met toepassing van artikel 8:15:1, eerste lid, sub d van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) te schorsen.

Bij besluit van 19 juli 1999 heeft verweerder verzoeker op grond van voornoemd artikel geschorst tot de datum waarop een definitief besluit zou zijn genomen over verzoekers rechtspositie.

Verzoeker heeft tegen dit besluit op 27 augustus 1999 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is bij besluit van 8 juni 2000 ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoeker beroep ingesteld.

Op 25 januari 2000 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen tot ontslag op grond van artikel 8:8 CAR - ontslag op 'andere gronden' - kenbaar gemaakt. Verweerder heeft daarbij als reden voor ontslag de onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie tussen verzoeker enerzijds en de heren [directeur verzoeker], [interim sectorhoofd] en [hoofd P & O] anderzijds genoemd.

Op 19 december 2000 heeft verweerder met ingang van 1 januari 2001 aan dit voornemen uitvoering gegeven. Daarbij is bepaald dat verzoeker in aanmerking komt voor een wachtgelduitkering conform hoofdstuk 10 CAR.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 26 januari 2001 een bezwaarschrift ingediend.

Op 16 maart 2001 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot schorsing van het besluit van 19 december 2000.

Verweerder heeft op 27 maart 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de president toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 26 april 2001.

Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [hoofd P & O], vergezeld van voornoemde gemachtigde.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Standpunten van partijen

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening het volgende aangevoerd.

De uitvoering van het ontslagbesluit brengt voor verzoeker onevenredig nadeel mee in verhouding tot het belang dat verweerder daarbij heeft.

Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, nu zijn inkomen met ingang van 1 januari 2001 is komen te vervallen. De uitvoeringsinstantie USZO heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij geen recht heeft op een wachtgelduitkering, omdat verzoeker door het starten van een onderneming in Duitsland niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. De exploitatie van de onderneming heeft forse investeringen gevergd, zodat verzoeker tot op heden afhankelijk is van het inkomen dat hij bij verweerder had.

Het ontslag is onrechtmatig. Het gesprek van 16 juni 1999 is anders verlopen dan verweerder doet voorkomen, maar verweerder hecht kennelijk meer waarde aan de verklaringen van [interim sectorhoofd] en [hoofd P & O].

Verweerder heeft de beginselen van hoor en wederhoor geschonden door naar aanleiding van het gesprek van 16 juni 1999 een verstoorde arbeidsverhouding te constateren, zonder daartoe eerst verzoeker te horen. De mogelijkheid om zijn visie op het schorsings- c.q. ontslagvoornemen kenbaar te maken kwam voor verzoeker als mosterd na de maaltijd.

Verweerder heeft het volgende aangevoerd.

Er is geen sprake van een spoedeisend belang, nu verzoeker na zijn ontslag in aanmerking had kunnen komen voor wachtgeld. Dat hij met anderen een eigen onderneming op poten heeft gezet, is zíjn keuze. De gevolgen van die keuze moeten voor zijn rekening blijven.

Het ontslag is gebaseerd op een verstoorde arbeidsverhouding tussen verzoeker enerzijds en de heren [directeur verzoeker], [interim sectorhoofd] en [hoofd P & O] anderzijds. Dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding blijkt duidelijk uit de stukken. Na een lange voorgeschiedenis van disfunctioneren en non-communicatie door verzoeker is de situatie tijdens het gesprek van 16 juni 1999 volledig uit de hand gelopen. Verzoeker heeft toen tegen [interim sectorhoofd] gezegd: "Krijg toch een infarct, niet in je hoofd maar liever iets lager", en tegen [hoofd P & O]: "Je bent ook een rat, je zit hier alleen voor jezelf".

Van een verdere samenwerking kon na de scheldpartij op 16 juni 1999 geen sprake meer zijn.

Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor toewijzing van zo'n verzoek kan plaats zijn, indien verzoekers belangen door het aangevallen besluit onevenredig worden geschaad in verhouding tot het belang dat verweerder heeft bij handhaving van het besluit. Hierbij dient tevens een inschatting te worden gemaakt van de kans dat een eventueel beroep tegen dat - inhoudelijk - besluit door de rechtbank gegrond zal worden verklaard. Voor zover de president in deze procedure een oordeel geeft over het eventuele geschil in de hoofdzaak te zijner tijd, heeft dat oordeel een voorlopig karakter.

Ter ondersteuning van het betoog dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, heeft hij aangevoerd dat zijn inkomen - waarvan hij tot op heden afhankelijk is - is komen te vervallen. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat het ontslagbesluit naar alle waarschijnlijkheid niet in stand kan blijven, omdat het onrechtmatig is.

De president acht in verzoekers financiële situatie geen belang gelegen dat zou moeten leiden tot het treffen van de gevraagde voorziening.

De president overweegt hiertoe dat verweerder bij verzoekers ontslag heeft bepaald dat verzoeker in aanmerking komt voor een wachtgelduitkering conform hoofdstuk 10 CAR. De omstandigheid dat de uitvoeringsinstantie USZO geen uitkering aan verzoeker heeft toegekend, houdt verband met het feit dat verzoeker niet feitelijk beschikbaar is voor de arbeidsmarkt omdat hij zich bezig houdt met het opzetten en exploiteren van een onderneming in Duitsland. Dat verzoeker forse investeringen in deze onderneming heeft gedaan - met de financiële gevolgen van dien - is een keuze van verzoeker geweest en niet een omstandigheid die onmiddellijk verband houdt met verzoekers ontslag. Daar komt bij dat vast is komen te staan dat verzoeker een inkomen uit de Duitse onderneming geniet en dat verzoekers echtgenote eveneens een eigen inkomen heeft.

Op grond van het voorgaande komt de president tot het voorlopige oordeel dat, zo verzoeker al in een financieel deplorabele situatie is komen te verkeren, dit niet althans niet rechtstreeks het gevolg is van het ontslagbesluit.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van het ontslag overweegt de president voorts het volgende.

Het ontslagbesluit is gebaseerd op artikel 8:8 CAR. Dit artikel maakt ontslag 'op andere gronden' mogelijk. Daarbij moet met name gedacht worden aan verstoorde verhoudingen, dan wel de onverenigbaarheid van karakters.

De president staat voor de vraag of aannemelijk is dat de arbeidsrelatie tussen verzoeker enerzijds en de heren [hoofd P & O], [directeur verzoeker] en [interim sectorhoofd] anderzijds verstoord is en voorts of verweerder in redelijkheid verzoeker heeft kunnen aanwijzen als degene die zou worden ontslagen.

De president overweegt in dit kader dat er bij verzoekers directe collega's [hoofd P & O], [interim sectorhoofd] en [directeur verzoeker] reeds langere tijd onvrede bestond over het functioneren van verzoeker. Eiser ondernam volgens hen niets om de sector Metaal uit de rode cijfers te trekken, en zou zich daarop niet hebben laten aanspreken. Eiser van de andere kant meende juist dat met de genoemde collega's niet te praten viel over de problemen in de sector. Deze uiteenlopende visies hebben tot een vertrouwensbreuk geleid die in elk geval in het gesprek van 16 juni 1999 aan het daglicht is gekomen. Vooralsnog is onvoldoende weersproken dat partijen zich in dit gesprek over en weer kwetsend jegens elkaar hebben uitgelaten. Zijdens verzoeker is bovendien ter zitting erkend dat de verhoudingen nadien verstoord zijn geraakt en dat terugkeer naar zijn oude werkplek moeilijk denkbaar is.

Verweerders conclusie dat er sprake was van verstoorde verhoudingen tussen verzoeker enerzijds en de heren [interim sectorhoofd], [directeur verzoeker] en [hoofd P & O] anderzijds wordt dan ook door de president voorshands gedeeld. Dat verweerder daarbij de keuze voor ontslag op verzoeker heeft laten vallen kan de president niet onredelijk achten. Van verweerder kon bezwaarlijk worden verwacht dat hij in plaats van verzoeker de heren [interim sectorhoofd], [directeur verzoeker] en [hoofd P & O] zou ontslaan.

De president ziet voorts vooralsnog niet in waarom verweerder het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden, nu verweerder voorafgaand aan het ontslagbesluit - zoals ook voorafgaand aan het schorsingsbesluit - verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld zijn visie kenbaar te maken.

De president laat daarbij in het midden of verweerder verzoeker in een eerder stadium voldoende heeft geconfronteerd met zijn ontevredenheid over diens functioneren en zijn manier van communiceren.

De vraag of verweerder, door verzoeker in aanmerking te brengen voor een standaard wachtgelduitkering, zijn eigen aandeel in de verstoorde verhoudingen - van welke omvang dat aandeel ook moge zijn - voldoende tot uitdrukking heeft gebracht, kan in dit verband buiten beschouwing blijven. Zoals de president hiervoor reeds heeft overwogen is in de financiële situatie van verzoeker immers geen belang gelegen dat zou kunnen leiden tot toewijzing van de gevraagde voorziening.

Nu er overigens geen omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken die het ontslag in rechte zouden kunnen aantasten, komt de president tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking komt.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. drs. A. Houtman, president, en in het openbaar door haar uitgesproken

op 13 juni 2001, in tegenwoordigheid van M.J. 't Hart als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 13 juni 2001