Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AB2058

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
12-06-2001
Zaaknummer
AWB 01/456 BESLU V06
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het opleggen van een ema dient in relatie te staan tot het besturen van een motorrijtuig, of in ieder geval een voornemen om een motorrijtuig te besturen.

Oplegging verplichting tot het zich onderwerpen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (ema). Uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal blijkt dat bij verzoeker op 12 mei 2000 een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 760 µg/l.

Verzoeker betwist dit niet, maar stelt zich op het standpunt dat hij op het moment van zijn aanhouding op 12 mei 2000 de auto niet heeft bestuurd. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat zowel de politierechter te Groningen als het Gerechtshof te Leeuwarden hem daarom hebben vrijgesproken van - de strafrechtelijke - overtreding van art. 8 WvW.

De president overweegt als volgt:

Het opleggen van een ema dient in relatie te staan tot het besturen van een motorrijtuig, of in ieder geval een voornemen om een motorrijtuig te besturen. Dit blijkt onder meer uit de uitspraak van de ABRS van 26 augustus 1999, AB 1999, 429, ECLI:NL:RVS:1999:AB2255. De president is, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, niet ervan overtuigd dat verzoeker de auto voorafgaand aan zijn aanhouding heeft bestuurd dan wel het voornemen had deze te besturen.

Onder deze omstandigheden heeft het bij verzoeker na zijn aanhouding op 12 mei 2000 vastgestelde ademalcoholgehalte niet kunnen leiden tot het besluit verzoeker de verplichting op te leggen dat hij zich dient te onderwerpen aan een ema.

Gegrond beroep.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

mr. B.J.H. Hofstee (president)

Wetsverwijzingen
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 8
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 8
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 131
Wegenverkeerswet 1994 131
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nrs.: AWB 01/456 BESLU V06

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, Awb in het geschil tussen

[verzoeker], wonende te Lettelbert, verzoeker,

gemachtigde: mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 12 april 2001, nr. 2000014637/JL, het bezwaar van verzoeker gericht tegen het besluit van 11 oktober 2000, waarbij aan verzoeker de verplichting is opgelegd zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (ema) ter bevordering van de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroepschrift van 21 mei 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoeker de president gevraagd met betrekking tot meergenoemd besluit van verweerder van 12 april 2001 een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat hij niet gehouden is tot het volgen van de ema-cursus totdat op zijn beroepschrift is beslist.

Verweerder heeft op 30 mei 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Op 1 juni 2001 heeft verweerder voorts nog een verweerschrift, inclusief bijlagen, ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 5 juni 2001.

Verzoeker is aldaar in persoon en bij gemachtigde verschenen.

Verweerder heeft zich, zoals aangekondigd, niet doen vertegenwoordigen.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, kan de president indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Partijen zijn op de voet van artikel 8:86, tweede lid, Awb, bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

De feiten.

Op 21 september 2000 heeft de Regiopolitie Groningen, district Groningen/Haren, verweerder de mededeling ex artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) gedaan, dat het vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorieën AL/AZ/B/C/D/E van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven.

Bij besluit van 11 oktober 2000, nr. 2000014637, heeft verweerder verzoeker krachtens artikel 131 WVW en artikel 8, eerste en tweede lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) verplicht zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een jaar na de datum van verzending daarvan, deel te nemen aan een ema, ter bevordering van de geschiktheid. Daarbij is hem medegedeeld dat een deel van de kosten die aan deze maatregel verbonden zijn, te weten ¦ 565,00, voor rekening van verzoeker komen en binnen tien weken betaald dienen te zijn.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 november 2000, nader aangevuld op 19 december 2000, een bezwaarschrift op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, ingediend bij verweerder.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het door verzoeker ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Verzoeker kan zich met dit besluit niet verenigen. Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat zowel de politierechter te Groningen als het Gerechtshof te Leeuwarden hem hebben vrijgesproken van -de strafrechtelijke -overtreding van artikel 8 WVW, omdat zij van oordeel zijn dat verzoeker geen bestuurder was. Daarnaast heeft verzoeker er op gewezen dat hij reeds in 1995 de Alcohol Verkeer Cursus heeft gevolgd.

Het van toepassing zijnde recht.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 doen, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan verweerder onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Krachtens artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 besluit, indien de in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling naar het oordeel van verweerder daartoe aanleiding geeft, hij dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Op grond van het vijfde lid van artikel 131 kan verweerder, indien de in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting opleggen zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan deze maatregelen verbonden kosten, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, komen (deels) ten laste van betrokkene.

Ter uitwerking van onder meer bovengenoemde artikelen is vastgesteld de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, laatstelijk gewijzigd op 18 mei 2000.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Regeling -voor zover hier van belang- besluit de minister tot oplegging van een ema indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3 o/oo.

Krachtens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling komt betrokkene niet in aanmerking voor de ema indien hij de afgelopen 5 jaar reeds eerder aan de ema heeft deelgenomen.

Beoordeling van het geschil.

De president stelt vast dat uit het door de Regiopolitie Groningen, district Groningen/Haren, opgemaakte proces-verbaal blijkt dat bij verzoeker op 12 mei 2000 een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 760 µg/l. De president constateert verder dat verzoeker dit niet betwist.

Voor zover verzoeker -onder verwijzing naar het vonnis van de politierechter te Groningen van 24 oktober 2000 alsmede het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 26 april 2001- heeft aangevoerd dat hij op het moment van zijn aanhouding op 12 mei 2000 de auto niet heeft bestuurd, overweegt de president het volgende.

Vooropgesteld wordt dat verweerder in de onderhavige, bestuursrechtelijke procedure een eigen zelfstandige beoordelingsbevoegdheid heeft en dat hij daarbij niet gebonden is aan de stringente bewijsmiddelen van het strafrecht, noch aan de gronden van een veroordeling of een vrijspraak.

Dit neemt evenwel niet weg dat het opleggen van een ema in relatie dient te staan tot het besturen van een motorrijtuig, of in ieder geval een voornemen om een motorrijtuig te besturen.

Dit blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 augustus 1999, AB 1999/429. Daarin is overwogen dat het opleggen van een ema niet voortvloeit uit het vermoeden van overtreding van artikel 8 van de WVW, doch uit het vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden dient los te worden gezien van de in artikel 8, tweede lid, onder a en b, WVW vervatte delictsomschrijving. Ook andere feiten en/of omstandigheden, zoals opgesomd in bijlage 1 bij de Regeling, kunnen dit vermoeden rechtvaardigen.

De vraag is of in casu deze situatie zich voordoet en gesteld kan worden dat verzoeker op 12 mei 2000 zijn auto inderdaad heeft bestuurd, dan wel voornemens was zijn auto te besturen.

Alhoewel de president enige twijfels heeft bij de verklaringen van verzoeker is hij er op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, anders dan verweerder, niet van overtuigd dat verzoeker de auto voorafgaand aan zijn aanhouding heeft bestuurd dan wel het voornemen had deze te besturen. De president acht het niet uitgesloten dat verzoeker ten tijde van zijn aanhouding inderdaad alleen maar in zijn auto zat om te telefoneren en bij wijze van automatisme de sleutel heeft omgedraaid.

De president neemt hierbij in aanmerking dat uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van de opsporingsambtenaren R.A. van den Steen en H. Robben kan worden afgeleid dat verzoeker, gelet op de afstand tussen de Sint Jansstraat en de plaats waar de auto stond geparkeerd, reeds enige tijd in de auto heeft gezeten, alvorens hij is aangehouden.

Daarnaast acht de president van belang dat verzoeker de ter plaatse aanwezige paal niet heeft neergeklapt, welke handeling nodig is om met de auto werkelijk de parkeerruimte te kunnen verlaten. Bovendien bevond de auto van verzoeker zich niet op de openbare weg.

Onder deze omstandigheden is de president van oordeel dat het bij verzoeker na zijn aanhouding op 12 mei 2000 vastgestelde ademalcoholgehalte niet heeft kunnen leiden tot het besluit verzoeker de verplichting op te leggen dat hij zich dient te onderwerpen aan een ema.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Omdat nader onderzoek niet verder zal bijdragen aan de beoordeling van de zaak zal de president op de voet van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Aangezien onmiddellijk uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, waardoor het bestreden besluit niet langer onderwerp vormt van een door de rechtbank te beslissen geschil, bestaat er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

Griffierecht en proceskosten.

Verder dient niet alleen op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb, te worden bepaald dat verzoeker het betaalde griffierecht in de hoofdzaak wordt vergoed, maar ziet de president ook aanleiding op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder verzoeker het betaalde griffierecht terzake van het verzoek om een voorlopige voorziening vergoedt.

De president acht voorts termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de president deze kosten op ¦ 2.130,--, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 12 april 2001;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder verzoeker het betaalde griffierecht tot een bedrag van totaal ¦ 450,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, welke zijn vastgesteld op ¦ 2.130,--, en bepaalt dat de Staat der Nederlanden verzoeker deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee als president en in het openbaar door hem uitgesproken op

6 juni 2001, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

De president wijst er op dat belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met uitzondering van de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 8 juni 2001

typ: Bijlage: Staat van kosten