Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AB1791

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-01-2001
Datum publicatie
23-05-2001
Zaaknummer
AWB 00/1039 ALGEM V01
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 00/1039 ALGEM V01

U I T S P R A A K

in het geschil van

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder, Ara/bpz Gak Amsterdam.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 25 september 2000 het bezwaarschrift van eiser gericht tegen het besluit van 28 april 2000 ongegrond verklaard. Bij dit op de aanvraag van eiser van 2 november 1999 genomen besluit is eiser in de eerste plaats met ingang van 17 september 1998 verplicht verzekerd geacht ingevolge de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet en de Ziekenfondswet. Voorts is geweigerd dit alsnog te besluiten, in afwijking van een eerder genomen beslissing, over de periode van 28 januari 1998 tot 17 september 1998.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep doen instellen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd zijn op 27 oktober 2000 nog nadere stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzon-den.

De rechtbank heeft besloten de zaak versneld te behandelen en heeft het schriftelijk vooronderzoek vervolgens gesloten.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2001 alwaar eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is evenmin verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op de voet van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst. De behandeling van het beroep is hervat op de zitting van 18 januari 2001.

Eiser is in persoon verschenen en bijgestaan door mr. A. Elgersma, advocate te Groningen. Verweerder is niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat uitspraak wordt gedaan binnen een week na de dag van de zitting.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een besluit dat voor beroep vatbaar is en dat tegen het besluit van 28 april 2000 bezwaar kon worden gemaakt. Het besluit van 28 april 2000 is op rechtsgevolg gericht omdat verweerder bij gebleken onjuistheid van het besluit voor de toepassing van de werknemersverzekeringen aan zal nemen dat eiser verzekerd is.

De rechtbank overweegt als volgt over de toe te passen rechtsregels. Daarbij komt het standpunt van verweerder met betrekking tot die regels eerst aan de orde.

In geding is in de eerste plaats -kort gezegd- de vraag wat de waarde is van een beslissing van verweerder over de verzekeringsplicht van een persoon, die in het verleden is afgegeven en waartegen geen beroep is ingesteld.

Uit het bestreden besluit maakt de rechtbank op dat verweerder een dergelijke beslissing partijen bindende kracht toekent. Met andere woorden: die beslissing zou tot gevolg hebben dat de betreffende persoon wel of niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen.

Uit de uitspraak van de CRvB van 20 november 1991, RSV 1992/182 volgt dat dit standpunt onjuist is.

Het al dan niet verzekerd zijn vloeit rechtstreeks uit de wet voort. De beslissing constitueert dit niet maar heeft slechts het karakter van rechtsvaststelling.

Van een al dan niet terugkomen op het al dan niet geconstitueerd zijn van verzekeringsplicht kan dus geen sprake zijn. Dit is door verweerder miskend bij het bestreden besluit.

Voorzover verweerder artikel 4:6 Awb toepast heeft dit op grond van het voorgaande een beperkte strekking: er was wel of geen verzekeringsplicht op grond van de destijds bestaande feiten en omstandigheden. Nieuwe feiten en omstandigheden kunnen er in dit opzicht niet zijn.

Uitgaande van deze jurisprudentie moet de rechtbank vaststellen dat verweerder onjuiste maatstaven heeft gehanteerd bij de beoordeling van de aanvraag van eiser.

De tweede vraag die in geding is, is wat de voor het bestaan van verzekeringsplicht relevante feiten en omstandigheden ten tijde hier van belang zijn geweest. Daarbij gaat het er om of eiser werkzaam was op voorwaarden die duidelijk afwijken van de voorwaarden, die gelden voor personen die in ondergeschiktheid (gezagsverhouding) werkzaam zijn.

Uit de uitspraak van de CRvB van 20 maart 1995, ZW 93/90, volgt dat een rechtsvaststellende beslissing als in casu aanwezig, gevolg heeft voor de bewijslastverdeling als deze onaantastbaar is geworden (door na te laten daartegen een rechtsmiddel aan te wenden) en als vervolgens de juistheid van die beslissing ter discussie wordt gesteld. Hier ligt een materiële overeenkomst met artikel 4:6 Awb. De bewijslast verschuift van bestuursorgaan naar aanvrager.

De vraag doet zich voor of deze maatstaf ook voor eiser geldt.

Eiser stelt dat hij niet heeft gevraagd om de beslissing van 28 januari 1998. Deze is op initiatief van een belanghebbende particuliere verzekeringsmaatschappij tot stand gekomen middels een aanvraag van [aanvrager]. aan de rechtsvoorganger van verweerder. Volgens eiser berust die beslissing niet mede op een door eiser gegeven versie van de feiten en omstandigheden waaronder hij werkzaam was, maar uitsluitend op gegevens die door [aanvrager] zijn opgegeven.

De rechtbank stelt vast dat deze stelling wordt weersproken door de verklaring die [aanvrager] op 15 december 1999 heeft afgelegd. Daarbij heeft hij een verklaring overhandigd van mr. G.J. Meijer, die destijds betrokken was bij de totstandkoming van het besluit van verweerders rechtsvoorganger van 28 januari 1998. Deze verklaring houdt onder meer in dat eiser zelf mede het initiatief heeft genomen om niet meer verzekerd te worden geacht en dat hij daarbij goed op de hoogte is gekomen van de gevolgen. In verband hiermee is met zijn instemming een directie-pensioenvoorziening getroffen.

De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen.

Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank eiser niet kan geloven waar deze stelt dat hij niet bij de feitenvaststelling was betrokken. Dat hij niet kon overzien wat de gevolgen waren van deze handelingen en er alleen maar op heeft vertrouwd dat met de bij de particuliere verzekeringsmaatschappij afgesloten verzekering(en) geen negatieve gevolgen zouden optreden en dat hij daarvan in de pensioensfeer grote schade heeft geleden, doet er niet aan af dat van een keuze van eiser moet worden gesproken.

Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de maatstaf toepast dat eiser voldoende aannemelijk dient te maken dat hij, in weerwil van de beslissing van 28 januari 1998, op grond van de feitelijke omstandigheden waaronder hij heeft gewerkt in ondergeschiktheid werkte.

Uit de uitspraak van de CRvB van 4 januari 1990, RSV 1990/264, volgt dan dat eiser voldoende aannemelijk moet maken dat de feiten en omstandigheden van zijn arbeidsverhouding met de vennootschap, waarvan zijn schoonvader directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) was, uitwijzen dat er sprake was van gezagsuitoefening van de vennootschap over hem, passend bij een verhouding werkgever - werknemer.

Volgens de CRvB gaat het om werkgeversgezag dat uitgaat van de vennootschap, en niet van de dga, zodat bij de beoordeling van het werknemerschap van (en de verzekeringsplicht ten aanzien van) andere in de vennootschap werkzame personen -in casu de schoonzoon- per definitie de relatie tot de vennootschap en niet tot dga moet worden beoordeeld. Waar de CRvB voorts oordeelde dat in situaties, waarin het om verzekeringsplicht van de echtgenoot van de dga gaat, een BV c.q. NV zeker reëel werkgeversgezag kan uitoefenen, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank te meer voor een arbeidsverhouding waarin een schoonzoon van de dga betrokken is. Daarbij zal echter het feit, dat er naast de arbeidsverhouding, een persoonlijke relatie is met de dga, materiële betekenis toekomen in het geheel van de feitelijke omstandigheden.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of eiser er in geslaagd is te bewijzen dat er sprake was van een reële gezagsuitoefening door de vennootschap, zoals gebruikelijk voor een werkgever. In verband hiermee stelt de rechtbank de volgende feiten vast. Voorzover dat nodig is met het oog op de te nemen beslissing, waardeert de rechtbank daarbij de feiten.

Eiser is op 1 augustus 1975 als hoofd productie in dienst getreden bij [werkgever] B.V. (de vennootschap), waar hij tot 1 maart 2000 werkzaam is geweest. Het overgrote deel van die tijd had deze vennootschap slechts een directeur: [aanvrager]. Eiser heeft steeds in de productie gewerkt.

Eiser was enige jaren voor zijn indiensttreding in het huwelijk getreden met de dochter van [aanvrager].

Ten tijde van zijn indiensttreding had eiser geen aandelen in de B.V. Deze waren toen in handen van verschillende personen. In 1983 trad een fundamentele wijziging op in het aandelenbezit. De mogelijkheid deed zich voor om aandelen over te nemen.[aanvrager] heeft dit volledig geregeld. Zelf verwierf hij door aanvullende aankoop in totaal 80% van de aandelen. De overige aandelen werden beschikbaar gesteld voor koop. Eiser heeft toen besloten op dit aanbod in te gaan. Hij heeft een lening gesloten bij een bank en 10% van de aandelen gekocht. De andere 10% ging naar aanvrager jr.] ([aanvrager] jr.).

Met ingang van 1 februari 1988 droeg [werkgever] B.V. geen premies voor de werknemersverzekeringen meer af over betalingen aan eiser, in verband met de beëindiging van de verplichte verzekering van directeuren-grootaandeelhouders en hun familieleden naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB van 4 oktober 1985.

Uit de eerder vermelde verklaring van mr. G.J.Meijer blijkt dat deze verklaart dat hij toen goed op de hoogte was van de feitelijke situatie binnen het bedrijf en in staat was die situatie te waarderen met het oog op de verplichte en particuliere verzekeringen. Hij stelt dat voor hem toen overduidelijk was dat eiser niet verplicht verzekerd was.

[aanvrager]. heeft tegenover de medewerker werkgeverscontacten C. Tielemans op 15 december 1999 onder meer verklaard dat:

- eiser met [aanvrager] jr. het bedrijf moest gaan overnemen;

- dat er nooit een aandeelhoudersvergadering is geweest;

- dat eiser meedeelde in de winst naar rato;

- dat eiser zijn eigen afdeling zelfstandig leidde en dat orders van klanten zelfstandig werden uitgevoerd;

- dat er sprake was van afwijkende arbeidsvoorwaarden, zoals een veel te hoog salaris (laatstelijk ¦ 9000,-- per maand) als eiser een 'vreemde' werknemer zou zijn, het niet bijhouden van snipper- en vakantiedagen, en het geen toestemming hoeven te hebben om het werk te onderbreken;

- dat er ook andere door de familieverhouding beïnvloede en afwijkende voorwaarden golden: als eiser een 'vreemde' werknemer was geweest had hij nooit zijn positie in het bedrijf gehouden in verband met zijn gebrek aan kwaliteiten voor zijn functie.

Eiser heeft verklaard dat hij inderdaad op financieel gebied afwijkende arbeidsvoorwaarden had.[aanvrager] behandelde hem gelijk aan [aanvrager] jr. en deze claimde bijvoorbeeld gratis gebruik van een luxe auto. Dit werd door [aanvrager] sr. toegestaan en vervolgens kreeg eiser, zonder dat hij dit gevraagd had, het aanbod om zijn privé-auto onder te brengen in een lease-constructie. Ook mocht eiser bij een bepaald tankstation op kosten van de vennootschap tanken, zoals [aanvrager] jr. deed. Op een bepaald moment kreeg eiser, wederom zonder dat hij dit gevraagd had, zelfs een kaart, waarmee hij wereldwijd bij Shell kon tanken op kosten van de vennootschap.

Ook op het gebied van de salarisvaststelling was volgens eiser sprake van eenzijdig bevoogdend optreden van [aanvrager] sr. Zo werd zijn salaris nu eens wel, maar dan weer niet verhoogd als er een cao-verhoging moest worden doorgevoerd. Ook kreeg hij ongevraagd verhoging. Dit is de laatste keer het geval geweest toen het salaris werd verhoogd met ¦ 1000,-- per maand tot ¦ 9000,-- . [aanvrager] jr. had daar om gevraagd in verband met de hoge woonlasten die deze bleek te hebben in de ouderlijke woning, die door hem was gekocht. Eiser heeft niet om de verhoging gevraagd.

Verder was volgens eiser eveneens sprake van bevoogdend optreden op het gebied van verdeling van de winst over de aandeelhouders. Eiser heeft daar nooit inzage in gekregen, terwijl [aanvrager] jr. dit wel kreeg. Als hij daar om vroeg werd dit geweigerd. Zelfs is het bij de laatste dividenduitkering voorgekomen dat eerst door [aanvrager] sr. gesteld was dat er zo slecht was geboerd dat er geen winst was gemaakt, terwijl, nadat eiser zich daarbij had neergelegd, onverwacht ¦ 2000,-- werd betaald. Deze betaling werd als dividend gepresenteerd. Eiser moest daarvoor een kwitantie tekenen. Toen hij opmerkte dat dit onverwacht was, werd daarop gesteld dat er toch nog wel iets aan zat.

Deze, tegenover de rechtbank afgelegde, verklaringen stroken met hetgeen eiser tegenover de heer Tielemans heeft verklaard over de financiële kant van de arbeidsverhouding en de rol die [aanvrager] sr. daarin had.

Over de overige aspecten heeft eiser, zowel tegenover de heer Tielemans, als tegenover de rechtbank verklaard;

- dat hij wel toestemming diende te vragen om vrij te zijn;

- dat hij alle opdrachten van de heren [aanvrager] zonder meer uit moest voeren;

- dat hij niet bij het beleid werd betrokken en nergens inspraak en inzicht in kreeg;

- dat hij meer dan eens reprimandes kreeg met de opdracht om [aanvrager] sr. te laten beslissen over zaken in de productiesfeer, als hij zelf een beslissing had genomen (bijvoorbeeld om een ambulance te laten komen i.v.m een bedrijfsongeval), die [aanvrager] sr. niet aanstond (op het ambulancebezoek bleek een rekening te volgen van ¦ 175,--);

- dat hij in feite zelfs minder serieus genomen werd als andere werknemers onder het motto 'het gaat jullie toch goed?'.

Zowel eiser als [aanvrager] sr. hebben verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat eiser samen met [aanvrager] jr. het bedrijf zou overnemen en dat dit er niet van gekomen is doordat de familieverhouding in negatieve zin escaleerde als gevolg van verschillen van inzicht rond opvoeding en andere daarmee verwante zaken.

Voorts blijkt uit hun verklaringen dat de verslechterde familieverhouding sterk doorwerkte naar de verhouding binnen het bedrijf.

Over en weer is geprocedeerd, waarbij de kantonrechter heeft geoordeeld dat eiser verzekerd is voor de werknemersverzekeringen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de door de overige betrokkenen tegenover verweerder afgelegde verklaringen en op de wijze waarop eiser ter terechtzitting desgevraagd inlichtingen heeft verschaft, acht de rechtbank de door eiser gegeven voorbeelden van optreden namens de vennootschap tegenover hem aannemelijk.

Voorts acht de rechtbank deze voorbeelden overtuigend.

Het door eiser aan de hand van deze voorbeelden geschetste beeld van zijn arbeidsverhouding met de vennootschap acht de rechtbank een reële weergave van de werkelijke verhouding.

Deze komt er op neer dat sprake was van een paternalistische instelling van de dga op grond van diens persoonlijke relatie met eiser, die binnen de arbeidsverhouding doorwerkte in eenzijdige gezagsuitoefening door de vennootschap, waarbij eiser zelfs minder invloed had dan een werknemer gebruikelijk heeft. Inspraak was er niet alleen niet, maar pogingen daartoe werden zelfs niet geduld. Tegenspraak vanuit eisers functie als productiechef werd niet op prijs gesteld als het de directeur ([aanvrager] sr.) niet uitkwam. Tegenstellingen in de privésfeer leidden zelfs tot ernstige repercussies vanuit de vennootschap (culminerend in een ontbindingsverzoek aan de kantonrechter), waar een werknemer deze niet zou hebben -kunnen- ondervinden: eiser ontleende aan zijn privé-relatie met de dga juist niet de (ontslag)bescherming, die voor de CRvB aanleiding is geweest om geen verzekering voor de werknemersverzekeringen aan te nemen.

Van gezagsuitoefening door de vennootschap is naar het oordeel van de rechtbank door de inbreng van eiser in de procedure dus overtuigend gebleken.

Dit heeft tot gevolg dat het bestreden besluit strijdig is met de wet (de betreffende artikelen van de ZW, WW en WAO) en vernietigd dient te worden. Gelet op het feit dat geen andere beslissing mogelijk is zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien.

Daarbij spreekt de rechtbank een proceskostenveroordeling uit, waarbij de zwaarte van de zaak op zwaar wordt gesteld in verband met aantal en aard van de rechtsvragen in geding en de bewerkelijkheid van de feitenvaststelling in verband met deze vragen.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat eiser met ingang van 1 februari 1988 bij verweerder(s rechtsvoorganger) verzekerd is voor de ZW, WW en WAO;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van ¦ 1775,-- als gespecificeerd in de bijlage;

- wijst het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan als rechtspersoon die deze kosten en het betaalde griffierecht van ¦ 60,-- dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.H.J. Lennaerts, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken

op 25 januari 2001, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden, griffier.

De griffier De rechter

Partijen kunnen binnen zes weken van de dag van verzending van deze uitspraak daartegen beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA, Utrecht door indiening van een beroepschrift.

Afschrift verzonden op: 25 januari 2001

typ: jb