Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AB1596

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
23-09-2005
Zaaknummer
AWB 00/1250 WW44 V03 AWB 00/1251 WW44 V03 AWB 00/1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE5778
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerders hebben het bezwaar van onder meer verzoekers tegen hun besluit waarbij zij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers te Rijswijk onder vrijstelling ex artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vergunning hebben verleend voor het oprichten van een asielzoekerscentrum plaatselijk bekend hoek Oudeweg-Oostwoldjerweg te Siddeburen, ongegrond verklaard.

Tijdelijke afwijking bestemmingsplan aannemelijk ondanks dwaling omtrent ingangsdatum instandhoudingstermijn. President bepaalt deze datum zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nrs.: AWB 00/1250 WW44 V03

AWB 00/1251 WW44 V03

AWB 00/1252 WW44 V03

AWB 01/66 WW44 V03

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak op de verzoeken om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb in de geschillen tussen

1. Comité Asielzoekers Siddeburen, te Siddeburen,

gemachtigde J.G.W. Porre, en

2. [verzoeker 1] en [verzoeker 2], beiden te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde mr. J.C.M. Damming.

ten aanzien van het besluit van 13 november 2000, kenmerk JJ/JtK, van

burgemeester en wethouders van Slochteren, verweerders,

gemachtigden: J.J. Jullens en K. Bosker.

1. PROCESVERLOOP

Verweerders hebben bij besluit van 13 november 2000, kenmerk JJ/JtK, het bezwaar van onder meer verzoekers tegen hun besluit van 3 juli 2000, waarbij zij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers te Rijswijk (hierna te noemen: vergunninghouder) onder vrijstelling ex artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vergunning hebben verleend voor het oprichten van een asielzoekerscentrum op het perceel, kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie T, nr. 860d, plaatselijk bekend hoek Oudeweg-Oostwoldjerweg te Siddeburen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) hebben verzoekers bij beroepschriften van 18 december 2000 beroep bij de rechtbank ingesteld. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de nummers AWB 00/1250 WW44 (verzoekster sub 1.) en AWB 00/1252 WW44 (verzoekers sub 2.).

Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoekster sub 1 de president gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het wordt geschorst (Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 00/1250 WW44).

Verweerders hebben op 5 januari 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede een verweerschrift ingediend.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb, is vergunninghouder bij brief van 21 december 2000 in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Op 28 december 2000 heeft verzoekster sub 1 nadere stukken ingediend.

Bij brief van 12 januari 2001 hebben verzoekers sub 2 de president eveneens verzocht het bestreden besluit te schorsen. (Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 01/66 WW44).

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

De verzoeken zijn met toestemming van partijen gevoegd behandeld ter zitting van de president van

6 februari 2001.

Verzoekster sub 1 heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.G.W. Porre.

Verzoekers sub 2 zijn ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden, eerdergenoemd.

Het COA heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Tardjapawiro.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De feiten.

Vergunninghouder heeft op 11 april 2000, ingekomen op 13 april 2000, vergunning gevraagd voor het oprichten van een asielzoekerscentrum op het perceel kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie T, nr. 860d, plaatselijk bekend hoek Oudeweg-Oostwoldjerweg te Siddeburen.

Op 17 mei 2000 heeft de loco-burgemeester van Slochteren middels publicatie in "'t Bokkeblad" bekendgemaakt dat verweerders voornemens zijn voor de duur van 5 jaar met toepassing van artikel 17 WRO vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan "Buitengebied" voor het oprichten van meergenoemd asielzoekerscentrum.

Hij heeft daarbij medegedeeld dat het bouwplan met ingang van 18 mei 2000 tot en met 31 mei 2000 ter inzage ligt, en dat eenieder gedurende deze termijn bij verweerders schriftelijk bedenkingen kan indienen tegen het voornemen om vrijstelling te verlenen.

Verzoekers hebben tegen dit voornemen hun bedenkingen kenbaar gemaakt bij verweerders.

Bij besluit van 3 juli 2000, nr. 20000162, verzonden op 5 juli 2000, hebben verweerders:

- vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 17 WRO voor de duur van vijf jaar;

- de gevraagde bouwvergunning verleend;

- bepaald dat dit besluit op 1 oktober 2000 in werking treedt;

- de ingangsdatum van de termijn van instandhouding als bedoeld in de artikelen 17 WRO en artikel 19 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening bepaald op de datum dat het asielzoekerscentrum voor bewoning in gebruik wordt genomen en de einddatum bepaald op exact vijf jaar daarna.

Publicatie van vorenbedoelde vergunningverlening heeft plaatsgevonden in "'t Bokkeblad" van 5 juli 2000.

Tegen de vergunning van 3 juli 2000 zijn 16 bezwaarschriften ingediend bij verweerders. Verzoekers sub 2 hebben dat gedaan bij brief van 28 juli 2000, en verzoekster sub 1 heeft dat gedaan bij brief van 10 augustus 2000.

In het kader van de behandeling van de ingediende bezwaarschriften heeft de commissie bezwaar- en beroepschriften op 16 oktober 2000 een hoorzitting gehouden.

In haar rapport van 19 september 2000 heeft voornoemde commissie verweerders geadviseerd:

- verzoekers in hun bezwaar ontvankelijk te verklaren;

- het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de twijfel omtrent de tijdelijkheid van het AZC (uitsluiting van verlenging in de bestuursovereenkomst) en de onduidelijkheid omtrent de ingangsdatum van de periode van vijf jaar inzake artikel 17 WRO;

- de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren;

- met inachtneming van dit advies een nieuw besluit te nemen.

Verweerders hebben daarop bij besluit van 13 november 2000, in afwijking van voormeld advies, de bezwaarschriften (geheel) ongegrond verklaard.

Tegen vorengenoemd besluit van 13 november 2000 richten de thans voorliggende verzoeken om voorlopige voorziening zich.

Beoordeling van de verzoeken.

Blijkens het in hun verzoeken gestelde, alsmede het ter zitting besprokene, spitsen de verzoeken zich toe op:

- de grote onzekerheid met betrekking tot de tijdelijkheid van het asielzoekerscentrum;

- de vrees dat het tijdelijke asielzoekerscentrum permanent wordt;

- de toenemende kans dat kleinere asielzoekerscentra mogelijk worden, maar dan voor onbepaalde tijd;

- de grootte van het asielzoekerscentrum.

De president overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, WRO -voor zover hier van belang- kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan maximaal vijf jaren belopen. Verlenging van deze termijn behoort niet tot de wettelijke mogelijkheden.

Artikel 19, eerste lid, BRO bepaalt dat vrijstelling als bedoeld in artikel 17 WRO slechts wordt verleend indien aannemelijk is dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk zal voortduren.

Artikel 45, eerste lid, onder d, Woningwet (Ww) bepaalt dat in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 17 WRO wordt toegepast, een termijn wordt gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden.

Het vierde lid van artikel 45 Ww bepaalt dat in zodanig geval de termijn gelijk is aan die, waarvoor de vrijstelling, bedoeld in artikel 17 WRO, is verleend.

Met verzoekers is de president van oordeel dat de omstandigheid dat de vrijstelling voor maximaal vijf jaren is verleend op zichzelf bezien onvoldoende waarborgt dat het voorgestane, met het geldende bestemmingsplan strijdige, gebruik werkelijk van tijdelijke aard is. Er moet sprake zijn van voldoende objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan de tijdelijkheid kan worden aangenomen. Bij het ontbreken van zodanige omstandigheden is toepassing van artikel 17 WRO zonder meer buiten de orde.

De president stelt in dit kader vast dat verweerders met vergunninghouder op 22 maart 2000 een (bestuurs)overeenkomst hebben gesloten. In het aan de gemeenteraad gedane voorstel, leidend tot de tussen verweerders en vergunninghouder gesloten overeenkomst, wordt dienaangaand gesteld:

"Het gaat heel nadrukkelijk om een tijdelijk AZC, voor de duur van maximaal vijf jaar. Dit zal worden vastgelegd in de met het COA te sluiten bestuursovereenkomst (zie aldaar). Na de termijn van maximaal vijf jaar zullen de gebouwen worden gesloopt en zal het terrein worden ontruimd (inclusief de infrastructuur). Verlenging van deze termijn is wat ons betreft niet aan de orde. Met andere woorden: de tijdelijkheid van de voorziening is objectief aantoonbaar, mede op basis van de te sluiten bestuursovereenkomst met het COA".

en

"Als bijlage bij dit voorstel treft u aan een concept bestuursovereenkomst tussen het COA en de gemeente Slochteren, te tekenen door de burgemeester ter uitvoering van het door uw raad te nemen besluit. Het thans voorliggende concept is tot stand gekomen in overleg met het COA, op basis van de door de COA gehanteerde standaard overeenkomst. Wij hebben het echter noodzakelijk geacht om daarin de nodige wijzigingen en aanvullingen aan te brengen. Het uiteindelijke resultaat, waarover inmiddels overeenstemming met het COA is bereikt, biedt naar onze mening voldoende garanties voor een goed functioneren van het AZC terwijl bovendien de belangen van de gemeente en de inwoners van Slochteren in voldoende mate zijn gewaarborgd. In het onderstaande zullen de meest relevante onderdelen van de overeenkomst nader worden toegelicht.

In de aanhef van de overeenkomst is opgenomen dat de opvang van asielzoekers wordt overeengekomen voor een periode van maximaal vijf jaar. Verlenging van deze periode is niet aan de orde. Verderop in de overeenkomst is vastgelegd dat deze termijn van vijf jaar ingaat op de datum van ingebruikname van het centrum, conform de maximale termijn die aan het gebruik kan worden verleend krachtens artikel 17 WRO."

De president stelt vast dat in artikel 12, eerste lid, van de met vergunninghouder gesloten overeenkomst uitdrukkelijk bepaalt dat de overeenkomst geldt voor maximaal vijf jaar.

Ook in de terzake gesloten huurovereenkomst is deze termijn opgenomen, terwijl de standaard verlengingsoptie uit de overeenkomst is geschrapt. Ook in de huurovereenkomst is bepaald -artikel 4- dat bij het einde van de huurovereenkomst het terrein geheel ontruimd in de oorspronkelijke staat dient te worden opgeleverd.

Namens vergunninghouder is ter zitting betoogd dat juist omdat het om een tijdelijk asielzoekerscentrum gaat is gekozen de weg van artikel 17 WRO te volgen. Indien men een permanent asielzoekerscentrum had willen realiseren zou men voor de weg van artikel 19 WRO hebben gekozen. Dat -naar door verzoekers is gesteld- het in een aantal gemeenten wordt gedoogd om na afloop van de maximale termijn van vijf jaar een centrum in stand te houden, maakt niet dat daar in het onderhavige geval sprake van zal zijn. In casu is, in tegenstelling tot genoemde gevallen, een verlengingsmogelijkheid bewust uitgesloten.

Het opnemen in de gesloten overeenkomst van een boetebeding, hetgeen verzoekers wensen, is volgens vergunninghouder niet alleen ongebruikelijk maar ook niet nodig gelet op de mogelijkheden die er zijn om naleving van de overeenkomst en wettelijke bepalingen omtrent de duur van de vrijstelling af te dwingen. Zo zouden verzoekers aan verweerders om toepassing van bestuursdwang kunnen verzoeken ingeval vergunninghouder zich niet zou houden aan de gemaakte afspraken en de wettelijke bepalingen niet naleeft.

De president komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat voldoende feiten en omstandigheden bekend zijn geworden op grond waarvan de tijdelijkheid van het beoogde gebruik en derhalve de tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan aannemelijk is, een en ander ondanks het feit dat -zoals hierna zal worden geoordeeld- verweerders en vergunninghouder kennelijk hebben gedwaald omtrent de ingangsdatum van de bestuursovereenkomst.

Nu voorts niet is gebleken dat het bestemmingsplan een bepaling inhoudt op grond waarvan de toepasselijkheid van artikel 17 WRO is uitgesloten, is de president van oordeel dat verweerders bevoegd waren ten behoeve van de tijdelijke vestiging van een asielzoekerscentrum vrijstelling te verlenen.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of, uitgaande van de thans bekende feiten en omstandigheden, verweerders bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid hebben kunnen besluiten vrijstelling en bouwvergunning te verlenen, dan wel anderszins in strijd met een regel van geschreven of ongeschreven recht hebben gehandeld.

In dit verband overweegt de president het volgende.

Door verzoekers is in geding gebracht de vraag op welke moment de aan de vrijstelling verbonden termijn van vijf jaren aanvangt.

Nu het bestreden besluit omtrent de inwerkingtreding daarvan geen misverstand laat bestaan, immers het besluit zelf bepaalt dat het in werking treedt op 1 oktober 2000, verstaat de president die vraag aldus dat die betrekking heeft op de datum waarop de zogeheten instandhoudingstermijn aanvangt.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

In het bestreden besluit is bepaald dat de instandhoudingstermijn conform het bepaalde in de artikelen 17 WRO en 19 BRO 5 jaren is en dat als ingangsdatum van die termijn de datum dat het asielzoekerscentrum voor bewoning in gebruik wordt genomen. De president stelt vast dat verweerders aldus de instandhoudingstermijn voor wat betreft de duur hebben bepaald overeenkomstig de termijn waarvoor de vrijstelling geldt.

Met betrekking tot de vastgestelde ingangsdatum van de instandhoudingstermijn stelt de president vast dat deze niet overeenkomt met de datum van inwerkingtreding van het vrijstellingsbesluit, te weten 1 oktober 2000.

Dit betekent dat de termijn waarvoor de vrijstelling geldt niet gelijk loopt met de instandhoudingstermijn. Eerstgenoemde termijn is reeds ingaande 1 oktober 2000 aangevangen, terwijl de laatstgenoemde termijn nog moet ingaan. Het gevolg hiervan is dat per 1 oktober 2005 de vrijstellingstermijn is verlopen en de instandhoudingstermijn nog doorloopt.

Dit nu is strijdig met het bepaalde in artikel 45, vierde lid, Woningwet in samenhang met artikel 17 WRO, te weten dat de instandhoudingstermijn gelijk dient te zijn aan de termijn waarvoor de vrijstelling is verleend.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit voorzover het betreft de ingangsdatum van de instandhoudingstermijn wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.

Met betrekking tot de overige door verzoekers aangevoerde gronden overweegt de president het volgende.

Terzake van de bij verzoekers levende angst dat na afloop van de vijfjaarstermijn van het vrijstellingsbesluit zal worden besloten de thans tijdelijk toegestane afwijking van het bestemmingsplan te legaliseren, danwel een kleiner, doch permanent, asielzoekerscentrum te realiseren, oordeelt de president dat voor die angst geen gronden te vinden zijn in het thans bestreden besluit, aangezien het bestreden besluit ziet op een periode van maximaal vijf jaar. Mogelijkerwijs in de toekomst te nemen besluiten kunnen bezwaarlijk thans ter discussie staan.

Verzoekers zijn voorts van mening dat de grootte van het asielzoekerscentrum een te grote wissel trekt op het dorp Siddeburen. De president heeft voor deze stelling in de terzake overgelegde stukken en hetgeen ter zitting daaromtrent is gesteld geen zodanige aanknopingspunten kunnen vinden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden verweerders gegeven de verhouding tussen enerzijds de capaciteit van het asielzoekerscentrum (400 bewoners) en anderzijds het inwonertal van het dorp Siddeburen (circa 3.000 inwoners) in redelijkheid hadden moeten afzien van het verlenen van de vrijstelling. Verweerders hebben -gegeven dit toetsingskader- doorslaggevende betekenis toe kunnen kennen aan de voordelen die concentratie (bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs en begeleiding) biedt boven spreiding.

Met betrekking tot hetgeen verzoekers hebben aangevoerd omtrent de locatiekeuze overweegt de president dat die keuze het resultaat is van een politiek besluitvormingsproces. In het kader van de onderhavige procedure is die keuze een gegeven en is het niet aan de president om de wijze waarop invulling is gegeven aan dat proces te beoordelen. De op dit punt aangevoerde grieven dienen, nu niet is gebleken dat verweerders bij afweging van alle belangen niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot de onderhavige locatiekeuze, derhalve buiten beschouwing te blijven.

De overige door verzoekers naar voren gebrachte bezwaren zien op de ook door verweerders niet ontkende gevolgen die zijn verbonden aan het toenemen van het inwonertal van het dorp, de leefomgeving van verzoekers, met 400 bewoners.

Wordt dit aspect betrokken bij de afweging van belangen dan overweegt de president dat tegenover deze -door verzoekers als nadelige aangemerkte en in de sfeer van de leefbaarheid geplaatste- gevolgen staat het gegeven dat aan de opvang van asielzoekers en derhalve aan het oprichten van een asielzoekerscentrum een -ook niet door verzoekers ontkend- zwaarwegend belang is verbonden.

Daarbij komt het gegeven van de tijdelijkheid van de vrijstelling. Verzoekers worden gedurende maximaal vijf jaren met de gevolgen van de vestiging van het asielzoekerscentrum geconfronteerd.

Verweerders mochten naar het oordeel van de president gelet op het voorgaande doorslaggevende betekenis toekennen aan realisering van het algemeen belang.

De president komt op grond van het vorenoverwogene tot het oordeel dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid hebben kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te verlenen en dat het beroep, behoudens voorzover dat ziet op de ingangsdatum van meergenoemde instandhoudingstermijn, ongegrond is.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, kan de president, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Partijen zijn op de voet van artikel 8:86, tweede lid, Awb, bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen. Namens verweerders en vergunninghouder is ter zitting verklaard dat er geen bezwaar bestaat tegen toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb. Verzoekers hebben ter zitting verklaard daartegen wel bezwaren te hebben omdat zij daardoor niet de mogelijkheid hebben hun beroepen nader te motiveren.

Niettegenstaand voormeld bezwaar van verzoekers is de president, gelet op hetgeen uit de stukken is gebleken en hetgeen ter zitting is besproken, van oordeel dat nader onderzoek c.q. nadere aanvulling van de beroepen geen ander licht op de zaak kan werpen en meent hij in het onderhavige geval van de hem in voormeld artikel gegeven bevoegdheid gebruik te moeten maken.

De president heeft daarbij betrokken het feit dat in de verzoekschriften alsmede in de beroepschriften voor wat betreft de gronden door verzoekers mede wordt verwezen naar de eerder door hen in het kader van het geven van hun zienswijze en in de bezwaarschriftprocedure naar voren is gebracht.

Op grond van het in deze uitspraak ten aanzien van de ingangsdatum van de instandhoudingstermijn overwogene en geconcludeerde ziet de president zich -nu het beroep voor het overige ongegrond is- voorts geplaatst voor de vraag of hij gebruik dient te maken van de hem in artikel 8:72, vierde lid, Awb gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien.

De president is van oordeel dat -ondanks het feit dat de vernietiging van dat deel van het besluit dat ziet op de ingangsdatum van de instandhoudingstermijn niet alleen gevolgen heeft op het bestreden besluit maar ook op het bepaalde in de tussen verweerders en vergunninghouder gesloten bestuursovereenkomst (niet zijnde een besluit in de zin van de Awb en op die grond vallend buiten zijn jurisdictie)- het in de rede ligt van vooromschreven bevoegdheid gebruik te maken en te bepalen dat deze uitspraak voorzover het betreft de ingangsdatum van de instandhoudingstermijn in de plaats treedt van het litigieuze onderdeel van het bestreden besluit. De president bepaalt deze datum op 1 oktober 2000.

Verweerders behoeven aldus niet opnieuw te beslissen op de door verzoekers ingediende bezwaarschriften.

Nu onmiddellijk uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, waardoor het bestreden besluit niet langer onderwerp vormt van een door de rechtbank te beslissen geschil, bestaat er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken dienaangaand zullen dan ook worden afgewezen.

Nu de door verzoekers ingestelde beroepen (deels) gegrond worden verklaard dient op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb te worden bepaald dat het door verzoekster sub 1 betaalde griffierecht van ¦ 225,-, en het door verzoekers sub 2 betaalde griffierecht van eveneens ¦ 225,-- wordt vergoed. Aangezien de verzoeken om voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking komen acht de president evenmin termen aanwezig voor het bepalen dat het dienaangaand betaalde griffierecht wordt vergoed.

Voorts acht de president termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid Awb, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoekers sub 2 in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken, en wijst de gemeente Slochteren aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de president deze kosten op ¦ 1.420,-, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart de beroepen gegrond voor wat betreft de ingangsdatum van de instandhoudingstermijn;

- vernietigt het bestreden besluit van verweerders van 13 november 2000 in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de gemeente Slochteren verzoekster sub 1 en verzoekers sub 2 het betaalde griffierecht van ¦ 225,- en ¦ 225,- vergoedt;

- veroordeelt verweerders in de proceskosten van verzoekers sub 2, welke zijn vastgesteld op in totaal ¦ 1.420-,-, en bepaalt dat de gemeente Slochteren deze kosten aan verzoekers sub 2 dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. P.J.W.M. Vermeulen als president en in het openbaar door hem uitgesproken op 21 februari 2001, in tegenwoordigheid van M.J. 't Hart als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

De president wijst er op dat belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met uitzondering van de afwijzing van de verzoeken om voorlopige voorziening, daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Tegen de afwijzing van de verzoeken om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: Bijlage: Staat van kosten

typ: fz