Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AB0706

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/969 AW V02
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Slechts vergoeding van ziektekosten indien de kosten die de betrokkene als zodanig heeft gemaakt betrekking hebben op een aaneengesloten tijdvak van 12 maanden.

Eiser ontving tot 25 april 2000 een wachtgelduitkering. Het door eiser ingediende verzoek om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de ziektekosten heeft verweerder afgewezen, omdat eiser niet gedurende de gehele periode van 1 mei 1999 tot en met 30 april 2000 betrokkene is geweest.

De rechtbank overweegt dat uit art. 7.1 zvr-regeling blijkt dat betrokkene slechts voor een vergoeding in aanmerking kan komen indien de kosten die de betrokkene als zodanig (cursivering door de rechtbank) heeft gemaakt betrekking hebben op een aaneengesloten tijdvak van 12 maanden. De kosten die eiser vanaf 25 april 2000 heeft gemaakt, heeft hij niet als betrokkene gemaakt. De kosten die eiser als betrokkene heeft gemaakt hebben derhalve geen betrekking op een aaneengesloten periode van 12 maanden. Dit betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming ingevolge de zvr-regeling. Dat deze ook door verweerder voorgestane uitleg, welke er op neer komt dat de aanvrager gedurende het gehele tijdvak van 12 maanden betrokkene moet zijn geweest in de zin van de zvr-regeling, juist is, wordt bevestigd in de nota van toelichting zoals afgedrukt in het Staatsblad (Stb. 1997, 357).

De zvr-regeling maakt in art. 8, leden 2 en 3 slechts in twee gevallen een uitzondering op de regel dat de kosten die de betrokkene als zodanig heeft gemaakt, betrekking moeten hebben op een aaneengesloten tijdvak van 12 maanden. Dat is het geval bij overlijden en bij ontslag van de betrokkene wegens privatisering van de dienst. Andere uitzonderingen, zoals een hardheidsclausule, kent de zvr-regeling niet. In de reeds aangehaalde nota van toelichting wordt dit bevestigd.

Derhalve is afwijzing van verzoek terecht en op goede gronden geschied. Het beroep is ongegrond.

Minister van Binnenlandse Zaken, verweerder.

mr. drs. A. Houtman

Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel (BTZR) 1.1.a

Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (zvr-regeling) 7.1

Wetsverwijzingen
Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel 1, geldigheid: 2001-02-01
Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel 7, geldigheid: 2001-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 00/969 AW V02

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde, mr. S. Jeronimus

en

de Minister van Binnenlandse Zaken, verweerder.

1. PROCESVERLOOP

Feiten en standpunten van partijen.

Verweerder heeft bij besluit van 9 juni 2000 het verzoek van eiser om een tegemoetkoming ziektekosten over de periode 1 mei 1999 tot en met 30 april 2000 afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaarschrift van 4 juli 2000 is bij het besluit van 11 augustus 2000 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 21 september 2000, op nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 19 januari 2001.

Eiser is aldaar niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R.A. ten Cate.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Eiser was in vaste dienst van het Ministerie van Justitie. Hij is per 1 oktober 1993 ontslagen onder toekenning van een wachtgelduitkering tot 25 april 2000.

Op 22 mei 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend om over het tijdvak 1 mei 1999 tot en met 30 april 2000 in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de ziektekosten ingevolge de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (hierna zvr-regeling). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet gedurende de gehele periode van 1 mei 1999 tot en met 30 april 2000 betrokkene is geweest.

In de toelichting op de zvr-regeling is volgens verweerder aangegeven dat de aanvrager gedurende de periode waarop de aanvraag betrekking heeft steeds betrokkene moet zijn geweest in de zin van de zvr-regeling. Verweerder is van mening dat daarvan blijkens artikel 8, leden 2 en 3 van de zvr-regeling slechts in het geval van overlijden en in geval van privatisering van de overheidsdienst kan worden afgeweken. Er is volgens verweerder geen ruimte voor een belangenafweging, nu de zvr-regeling daarin niet voorziet.

Eiser is van mening dat hij, om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming, niet gedurende de gehele aanvraagperiode van 12 maanden betrokkene hoeft te zijn geweest. Slechts de kosten moeten volgens eiser betrekking hebben op een aaneengesloten periode van 12 maanden.

Dat eiser vanaf 25 april 2000 geen betrokkene meer was, betekent enkel dat hij slechts een tegemoetkoming kan krijgen over de kosten die hij in de periode van 1 mei 1999 tot 25 april 2000 heeft gemaakt, zijnde een periode van 11 maanden en 25 dagen.

Dat het niet juist is om te verlangen dat de aanvrager gedurende 12 maanden achtereen betrokkene is geweest, blijkt volgens eiser ook uit het feit dat het in geval van overlijden en ontslag - eveneens belemmeringen voor de vervulling van de 12 maandenvereiste - mogelijk is om de tegemoetkoming te beperken tot de kosten die als betrokkene zijn gemaakt.

Eiser stelt bovendien dat zijn uitleg aansluit bij de ratio van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel (BTZR) en de daarbij behorende zvr-regeling, te weten tegemoetkoming van particulier verzekerden, nu die relatief duurder uit zijn dan ziekenfondsverzekerden.

Tot slot stelt eiser dat de marge van vijf dagen dusdanig klein en het belang van eiser dusdanig groot is, dat verweerder bij afweging van deze belangen niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing had kunnen komen.

Inzake het geschil.

De zvr-regeling is een regeling die de betrokkene die in voldoende mate verzekerd is tegen het risico van ziektekosten recht biedt op een tegemoetkoming in de te zijnen laste blijvende ziektekosten van zichzelf en van zijn mede-betrokkenen (artikel 1 zvr-regeling). In zoverre verschilt deze regeling van het BTZR, dat een tegemoetkoming in ziektekosten van de ambtenaar biedt over elke maand waarin hij een of meer betrekkingen bekleedt als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a BTZR.

Gelet op artikel 4, lid 1, onder a en b van de zvr-regeling was eiser tot 25 april 2000, de datum waarop zijn wachtgelduitkering is beƫindigd, betrokkene in de zin van de zvr-regeling.

Op grond van artikel 7 van de zvr-regeling kunnen voor het verlenen van een tegemoetkoming in aanmerking worden gebracht de in artikel 1 bedoelde kosten die betrokkene als zodanig heeft gemaakt en die betrekking hebben op een aaneengesloten tijdvak van 12 maanden.

Artikel 8, leden 2 en 3 van de zvr-regeling luiden:

lid 2 In geval van overlijden van de betrokkene binnen een jaar na het verstrijken van een tijdvak als bedoeld in artikel 7, eerste lid, waarover krachtens deze regeling een tegemoetkoming is verleend, kunnen de ziektekosten met betrekking tot het tijdvak gelegen tussen het einde van evenbedoeld tijdvak en de datum van overlijden eveneens voor het verlenen van een tegemoetkoming aan diens nagelaten betrekkingen in aanmerking worden gebracht.

lid 3 Degene die na ontslag in verband met privatisering van een overheidsdienst waarbij hij werkzaam was niet langer betrokkene is, kan de te zijnen laste blijvende ziektekosten met betrekking tot het aaneengesloten tijdvak dat korter is dan 12 kalendermaanden en eindigt voor de datum van ontslag, voor het verlenen van een tegemoetkoming in aanmerking brengen.

De rechtbank staat voor de vraag of verweerder, gelet op het bovenstaande, terecht en op goede gronden het verzoek van eiser om een tegemoetkoming ingevolge de zvr-regeling heeft afgewezen.

Uit artikel 7, lid 1 van de zvr-regeling blijkt dat betrokkene slechts voor een vergoeding in aanmerking kan komen indien de kosten die de betrokkene als zodanig [redactie: door rechtbank gecursiveerd] heeft gemaakt betrekking hebben op een aaneengesloten tijdvak van 12 maanden. De kosten die eiser vanaf 25 april 2000 heeft gemaakt, heeft hij niet als betrokkene gemaakt. De kosten die eiser als betrokkene heeft gemaakt hebben derhalve geen betrekking op een aaneengesloten periode van 12 maanden. Dit betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming ingevolge de zvr-regeling. Dat deze ook door verweerder voorgestane uitleg, welke er op neer komt dat de aanvrager gedurende het gehele tijdvak van 12 maanden betrokkene moet zijn geweest in de zin van de zvr-regeling, juist is, wordt bevestigd in de nota van toelichting zoals afgedrukt in het Staatsblad (Stb. 1997, 357).

De zvr-regeling maakt in artikel 8, leden 2 en 3 slechts in twee gevallen een uitzondering op de regel dat de kosten die de betrokkene als zodanig heeft gemaakt, betrekking moeten hebben op een aaneengesloten tijdvak van 12 maanden. Dat is het geval bij overlijden en bij ontslag van de betrokkene wegens privatisering van de dienst. Andere uitzonderingen, zoals een hardheidsclausule, kent de zvr-regeling niet. In de reeds aangehaalde nota van toelichting wordt dit bevestigd.

Verweerder heeft het verzoek om de tegemoetkoming dan ook terecht en op goede gronden afgewezen. Het beroep is derhalve ongegrond.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. A. Houtman, rechter en in het openbaar door haar uitgesproken

op 1 februari 2001, in tegenwoordigheid van L. Smidt als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op: 1 februari 2001

typ: fz