Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AB0567

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/1182 BELEI V06.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring huurgegevens huursubsidie van de voorzitter van de huurcommissie is geen besluit als bedoeld in art. 1:3, eerste lid Awb.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op de "Verklaring huurgegevens huursubsidie" van de voorzitter van de huurcommissie in het ressort Groningen, waarin is vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamde all-in prijs als bedoeld in art. 11a Huurprijzenwet woonruimte aangezien een aantal roerende zaken wordt meegeleverd, zonder dat daarvoor een aparte vergoeding is overeengekomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser en zijn vader moeten worden geacht te zijn overeengekomen hetgeen door de voorzitter van de huurcommissie in zijn verklaring is vermeld, nu zij zich niet tot de kantonrechter hebben gewend ter zake van deze verklaring.

Verweerder heeft evenwel miskend dat met betrekking tot de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie geen beroep kan worden ingesteld, dan wel anderszins een voorziening kan worden gevraagd bij de kantonrechter.

Voorts kan de verklaring van de voorzitter niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in art. 1:3, eerste lid, Awb. De verklaring is niet zelfstandig op rechtsgevolg gericht. Zij krijgt eerst betekenis bij de vaststelling van de aanspraak op huursubsidie. Er staat daarom ook geen bezwaar en beroep op grond van de Awb open ter zake van een dergelijke verklaring. Waar het bij de toekenning van huursubsidie gaat om de vaststelling van een burgerlijk recht moeten, gelet op art. 6 EVRM, de aan het geschil ten grondslag liggende feiten ter beoordeling aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Nu vaststaat dat met betrekking tot de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie noch bij de kantonrechter, noch bij de bestuursrechter rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, dient de juistheid van die verklaring dan ook te worden betrokken bij de beoordeling van de aanspraak van eiser op huursubsidie.

De rechtbank stelt met eiser vast dat de voorzitter van de huurcommissie in zijn verklaring niet heeft aangegeven welke roerende zaken met de verhuurde woonruimte zijn meegeleverd, waardoor eiser wordt belemmerd in zijn mogelijkheden ter zake verweer te voeren.

Besluit vernietigd wegens strijd met art. 7:12, eerste lid Awb.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

mr. B.J.H. Hofstee

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2001-02-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 99/1182 BELEI V06.

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder,

gemachtigde, mr. J.C.A. Stevens.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 8 november 1999, kenmerk Awb31/NO-B/265, het bezwaarschrift van eiser tegen zijn besluit van 26 maart 1999 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 2 december 1999 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 7 januari 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en op 10 januari 2000 een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 7 november 2000.

Eiser is aldaar in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Feiten en standpunten van partijen.

Eiser is woonachtig aan de […] 118 te B. Eiser huurt deze woning van zijn ouders. Zijn broer is medebewoner.

Bij aanvraagformulier van 20 juli 1998 heeft eiser verweerder verzocht om toekenning van huursubsidie op grond van de Huursubsidiewet (Hsw) ten behoeve van het bewonen van de woning voor het tijdvak van 1 juli 1998 tot 1 juli 1999.

Bij besluit van 26 maart 1999 heeft verweerder het verzoek afgewezen op de grond dat de huur van de woning te laag is.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 april 1999, aangevuld op 20 juni 1999, bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder is - samengevat - van mening dat de huur die eiser maandelijks aan zijn ouders betaalt een zogenoemde all-in huur is. In een dergelijke situatie moet de huursubsidie op basis van de minimaal redelijke huurprijs worden vastgesteld en die ligt i.c. onder de normhuur, aldus verweerder.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft - samengevat - aangevoerd dat verweerder ten onrechte uitgaat van een all-in huur. In de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie wordt volgens eiser niet aangegeven welke roerende goederen zouden zijn meegeleverd. Verweerder heeft hier ook geen navraag naar gedaan. De prijs van ¦ 520,00 die eiser per maand aan huur betaalt betreft naar zijn mening de kale huur. Kennelijk heeft de voorzitter rekening gehouden met de aanwezigheid van twee gaskachels en een boiler. Zijn ouders hebben de aanschaf van twee gaskachels en de aanleg van een huurboiler in de woning betaald en zouden dat ook hebben betaald indien de verhuurder iemand anders was geweest, aldus eiser. De gaskachels zijn evenals de overige inboedel eigendom van hem en zijn broer. De huur van de boiler wordt ook door henzelf betaald. Eiser vindt het vreemd dat in het huurcontract gespecificeerd moeten worden welke goederen niet zijn meegeleverd. Verder heeft eiser gesteld dat hij - alhoewel dit was toegezegd - geen mondelinge of schriftelijke uitnodiging heeft gehad om zijn bezwaarschrift mondeling of telefonisch toe te lichten.

Beoordeling van het geschil.

Met betrekking tot het bezwaar van eiser dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaarschrift mondeling of telefonisch toe te lichten overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft eiser bij brief van 26 april 1999 meegedeeld dat hij desgewenst mondeling of telefonisch kan worden gehoord. Daarop is, zo leidt de rechtbank uit een brief van eiser aan verweerder van 20 juli 1999 af, eiser op die dag telefonisch gehoord. De rechtbank leest in de brief van eiser van 20 juli 1999 naar aanleiding van dit telefonische horen niet het verzoek om nogmaals te worden gehoord.

Verweerder heeft dan ook voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het bestuursorgaan voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, Hsw wordt onder huurprijs verstaan: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning.

Krachtens artikel 28, eerste lid, Hsw wordt een aanvraag tot toekenning van huursubsidie gedaan door de huurder, door middel van een volledig ingevuld formulier, dat wordt vastgesteld door de minister van VROM.

Op grond van artikel 28, derde lid, Hsw kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de aanvullende gegevens en bescheiden die door de aanvrager, of een aanvrager die behoort tot een bepaalde categorie, bij de aanvraag worden verstrekt.

Aan deze bepaling is uitwerking gegeven in het Huursubsidiebesluit.

Ingevolge artikel 4 van het Huursubsidiebesluit wordt bij het ingevulde aanvraagformulier een verklaring van de voorzitter van de huurcommissie gevoegd als de aanvraag betrekking heeft op een woning:

a. waarvoor de huurder voor de eerste keer een aanvraag doet tot toekenning van huursubsidie, en

b. die niet wordt verhuurd door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet of een gemeente en de verhuurder evenmin wordt vertegenwoordigd door een toegelaten instelling of een gemeente.

Krachtens artikel 6, eerste lid, van het Huursubsidiebesluit vermeldt de voorzitter van de huurcommissie op de verklaring de hoogte van de huurprijs en of deze redelijk is, beoordeeld naar de bij of krachtens de Huurprijzenwet woonruimte gestelde regels.

Op grond van artikel 3a van de Wet op de huurcommissies verstrekt de voorzitter van de huurcommissie op verzoek van een huurder van woonruimte ten behoeve van een aanvraag om huursubsidie op grond van de Huursubsidiewet binnen vier weken een verklaring omtrent de redelijkheid van de huurprijs en de juistheid van andere gegevens betreffende de woonruimte, een en ander voor zover van belang voor de toepassing van die wet, in de gevallen die bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 28 van genoemde wet zijn aangewezen.

Artikel 11a, eerste lid, van de Huurprijzenwet woonruimte heeft betrekking op de situatie dat een overeenkomst van huur en verhuur meer omvat dan het enkele gebruik van woonruimte en partijen bij die overeenkomst slechts de hoogte van de prijs en niet die van huurprijs zijn overeengekomen.

Indien er naar het oordeel van de voorzitter van de huurcommissie, sprake is van een zogenoemde "all-in huur" als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Hpw dan stelt verweerder de huursubsidie op basis van de minimaal redelijke huurprijs vast.

De minimaal redelijke huurprijs bedraagt ingevolge artikel 11 van het Besluit huurprijzen woonruimte 55% van de maximaal redelijke huurprijs.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op de "Verklaring huurgegevens huursubsidie" van de voorzitter van de huurcommissie in het ressort Groningen van 27 oktober 1998. De voorzitter heeft vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamde all-in prijs als bedoeld in artikel 11a Huurprijzenwet woonruimte aangezien een aantal roerende zaken worden meegeleverd, zonder dat daarvoor een aparte vergoeding is overeengekomen. De voorzitter heeft de minimaal redelijke huurprijs voor de in het geding zijnde periode bepaald op f. 297,08 per maand.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser en zijn vader moeten worden geacht te zijn overeengekomen hetgeen door de voorzitter van de huurcommissie in zijn verklaring is vermeld, nu zij zich niet tot de kantonrechter hebben gewend ter zake van deze verklaring.

Eiser is volgens verweerder voor de toepassing van de Huursubsidiewet dan ook aan die verklaring gebonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenwel miskend dat met betrekking tot de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie geen beroep kan worden ingesteld, dan wel anderszins een voorziening kan worden gevraagd bij de kantonrechter.

Voorts kan de verklaring van de voorzitter niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. De verklaring is niet zelfstandig op rechtsgevolg gericht. Zij krijgt eerst betekenis bij de vaststelling van de aanspraak op huursubsidie.

Er staat daarom ook geen bezwaar en beroep op grond van de Awb open ter zake van een dergelijke verklaring.

Waar het bij de toekenning van huursubsidie gaat om de vaststelling van een burgerlijk recht moeten de aan het geschil ten grondslag liggende feiten ter beoordeling aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Dit vloeit voort uit artikel 6 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (vgl. o.a. EHRM 23 juni 1981, NJ 1982, 602; EHRM 26 april 1995, AB 1996, 1 en EHRM 17 december 1996, NJCM-Bulletin 1997, p. 617-628).

Nu vaststaat dat met betrekking tot de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie noch bij de kantonrechter, noch bij de bestuursrechter rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, dient de juistheid van die verklaring dan ook te worden betrokken bij de beoordeling van de aanspraak van eiser op huursubsidie.

De rechtbank stelt met eiser vast dat de voorzitter van de huurcommissie in zijn verklaring niet heeft aangegeven welke roerende zaken met de verhuurde woonruimte zijn meegeleverd.

Daardoor wordt eiser belemmerd in zijn mogelijkheden ter zake verweer te voeren. Aangezien hij niet weet om welke roerende zaken het gaat kan hij niet gemotiveerd betwisten dat deze met de woonruimte zijn meegeleverd.

Zeker in het geval dat in bezwaar een dispuut ontstaat over de vraag welke roerende goederen het betreft en de vraag of die goederen ook werkelijk door de verhuurder met de woonruimte zijn meegeleverd, dient verweerder alvorens op het bezwaar te beslissen bij de voorzitter van de huurcommissie na te gaan waar zijn oordeel op is gebaseerd.

Voor zover de door de voorzitter bedoelde roerende zaken de beide gaskachels en de huurboiler zouden betreffen, heeft verweerder onvoldoende onderzocht of deze roerende zaken door de vader van eiser bij de verhuur van de woning zijn meegeleverd, dan wel door hem anderszins aan eiser ter beschikking zijn gesteld.

Verweerder heeft zijn besluitvorming dan ook niet zonder meer op de verklaring van de voorzitter van 27 oktober 1998 kunnen baseren.

Nu het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering dient dit besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

Het beroep van eiser moet daarom gegrond worden verklaard.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb, tevens te worden bepaald, dat het door eiser betaalde griffierecht ad ¦ 60,00 door de Staat der Nederlanden (Ministerie van VROM) aan eiser wordt vergoed.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 8 november 1999;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van VROM) eiser het betaalde griffierecht ad ¦ 60,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter en in het openbaar door hem uitgesproken

op 9 februari 2001, in tegenwoordigheid van W.J.C. Pije als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Verzonden op: 9 februari 2001

typ.: cbr