Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2001:AA9981

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
36190 / HA ZA 98-994
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS MEERVOUDIG SECTOR CIVIELRECHT RECHTBANK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR CIVIEL RECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: 36190 / HA ZA 98-994

V O N N I S

in de zaak van:

[eiser[,

wonende te [woonplaats], [adres],

e i s e r bij exploot van dagvaarding d.d. 29 oktober 1998,

hierna te noemen [eiser],

toevoeging Raad voor Rechtshulp Leeuwarden d.d. 3 september 1998, nr. 5AAN6165

procureur eerst mr. Th. Kremers, thans mr. F.L. van Lelyveld,

en

DE GEMEENTE LEEK,

zetelende te 9351 BJ Leek, Tolberterstraat 66,

g e d a a g d e bij opgemeld exploot van dagvaarding,

hierna te noemen de gemeente,

procureur mr. J.D. Leerink.

PROCESVERLOOP

[eiser] heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden en onder overlegging van producties, voor eis geconcludeerd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen de somma van ¦ 10.000,-- als vergoeding van de door [eiser] tengevolge van het onrechtmatig handelen van de gemeente geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag en een daarover verschuldigde rente als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren en met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

De gemeente heeft, onder overlegging van één productie, voor antwoord geconcludeerd, dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] af zal wijzen met veroordeling van [eiser], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

[eiser] heeft gerepliceerd en daarbij zijn eis aangevuld in die zin dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht zal verklaren, dat de in de stukken aan [eiser] verweten gedragingen ten opzichte van [collega], voor zover bewezen geacht:

a. niet vallen onder de definitie van sexuele intimidatie, zoals omschreven in artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, aangehaald in de ten tijde van deze klacht geldende Regeling Ongewenste Intimiteiten van de gemeente Leek,

b. niet vallen onder de definitie van ongewenste intimiteiten, zoals omschreven in diezelfde hierboven aangehaalde regeling, en

c. niet behoren tot het begrip "stalking", zoals dat begrip in maatschappelijke context wordt gehanteerd.

2. Primair:

a. de gemeente zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen de somma van ¦ 10.000,-- als vergoeding van de door [eiser] tengevolge van het onrechtmatig handelen van de gemeente geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, althans een zodanig bedrag en een daarover verschuldigde rente als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Subsidiair:

b. de gemeente zal veroordelen de door [eiser] geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige gedragingen van de gemeente te vergoeden, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over het vast te stellen schadebedrag vanaf de dag der dagvaarding in deze zaak tot aan die der algehele voldoening.

[eiser] heeft daarbij producties in het geding gebracht.

De gemeente heeft zich bij akte tegen de wijziging van eis verzet.

[eiser] heeft daarna een antwoordakte genomen en zijn eis geherformuleerd en aangevuld in die zin dat [eiser] thans vordert dat de rechtbank, voor wat betreft de vordering onder 1, voor recht zal verklaren, dat de gemeente ten onrechte de aan [eiser] verweten gedragingen ten opzichte van mevrouw [collega] - voor zover bewezen geacht -:

a. heeft laten vallen onder de definitie van sexuele intimidatie, zoals omschreven in artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, aangehaald in het ten tijde van deze klacht geldende regeling ongewenste intimiteiten van de gemeente Leek,

b. heeft laten vallen onder de definitie van ongewenste intimiteiten, zoals omschreven in diezelfde hierboven aangaande regeling, en

c. heeft laten behoren tot het begrip "stalking", zoals dat begrip in maatschappelijke context wordt gehanteerd.

De gemeente heeft zich bij akte ook hiertegen verzet.

Bij rolbeschikking van 19 november 1999 heeft de rechtbank het verzet van de gemeente ongegrond verklaard.

De gemeente heeft vervolgens gedupliceerd.

Partijen hebben daarna de processtukken, waarvan de inhoud als hier herhaald en als ingelast geldt, overgelegd voor vonnis.

RECHTSOVERWEGINGEN

1.1. De rechtbank gaat uit van de gewijzigde eis.

Vaststaande feiten

2. a. Vanaf 26 september 1991 tot 1 april 1998 is [eiser] werkzaam geweest bij de [school] te [plaats]. Eerst een jaar op tijdelijke basis in het kader van een project "werkervaringsplaatsen"; vanaf 1 september 1992 tot 1 januari 1996 als vrijwilliger; vanaf 1 januari 1996 tot de zomervakantie van 1996 in het kader van een project als "schoolassistent" en vervolgens weer als vrijwilliger. Voor het project "schoolassistent" ontving [eiser] boven op zijn bijstandsuitkering een onkostenvergoeding van ¦ 100,-- per maand. Aan [eiser] werd na afloop van het project "schoolassistent" de vergoeding voor zijn werk als vrijwilliger doorbetaald.

b. Vanaf februari 1996 tot 1 november 1996 is mevrouw [collega], hierna [collega], als tijdelijke leerkracht verbonden geweest aan [school].

c. Op 4 juli 1997 heeft [collega] zich tot de vertrouwenspersoon van de Arbodienst gewend in verband met een klacht tegen [eiser].

d. Op 26 augustus 1997 heeft [collega] via de Arbodienst tegen [eiser] een klacht ingediend bij de klachtencommissie ongewenste intimiteiten van de gemeente Leek, hierna de klachtencommissie, wegens seksuele intimidatie.

e. [eiser] heeft zich met ingang van 1 september 1997 ziek gemeld.

f. De klachtencommissie heeft [collega] op 16 september 1997 en [eiser] op 17 september 1997 gehoord. Op 23 september 1997 heeft de klachtencommissie aan de gemeente advies uitgebracht.

Het advies, voor zover hier van belang, luidt:

"De commissie meent dat aan dhr [eiser] nog één kans moet worden geboden. Hij zou voorshands aan '[school]' verbonden kunnen blijven onder de volgende twee stringente voorwaarden:

a. elk contact met mw. [collega] moet afgelopen zijn;

b. er mag geen herhaling plaatsvinden van dergelijk gedrag jegens andere aan de school verbonden personen.

Met betrekking tot voorwaarde a merkt de commissie duidelijkheidshalve nog op dat ook elk contact met familie en vrienden van mw [collega] of met de school waar zij nu werkt achterwege dient te blijven."

g. Bij brief van 27 oktober 1997 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente - voor zover hier van belang- [eiser] als volgt bericht:

"In onze vergadering van 14 oktober jl. hebben wij besloten het advies van de klachtencommissie over te nemen. Dit betekent, dat wij u nog een laatste kans bieden uw werkzaamheden aan [school] voort te zetten onder de volgende voorwaarden:

a) Elk contact met mevrouw [collega] moet afgelopen zijn.

Ook elk contact met familie of vrienden van mevrouw [collega] of met de school waar zij nu werkt moet achterwege blijven.

b) Er mag geen herhaling plaatsvinden van gedrag zoals genoemd in het advies van de klachtencommissie jegens andere aan de school verbonden personen.

(...)

Tenslotte brengen wij het volgende naar voren. Wij hebben geconstateerd, dat u niet gehoord bent door de vertrouwenspersoon, zoals gesteld, in de regeling ongewenste intimiteiten. Inmiddels hebben wij hierover contact opgenomen met de betreffende instantie en hen verzocht u in de gelegenheid te stellen alsnog gehoord te worden door de vertrouwenspersoon.

(...)

Binnen een termijn van zes weken na dagtekening van deze brief kun u een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en wethouders."

h. Op 28 oktober 1997 heeft [eiser] een gesprek gehad met de vertrouwenspersoon.

i. Op 5 november 1997 heeft [eiser] tegen de brief d.d. 27 oktober 1997 van de gemeente bezwaar gemaakt.

j. De gemeente heeft vervolgens een bezwarencommissie ad hoc ingesteld, hierna te noemen de bezwarencommissie.

k. Op 6 november 1997 heeft [eiser] met de school de afspraak gemaakt dat [eiser] eerst op [school] zal terugkeren als de bezwaarschriftprocedure is afgerond.

l. Bij brief van 8 december 1997 is door de gemeente aan [eiser] de toegang tot [school] ontzegd omdat [eiser] zich volgens de gemeente niet aan de voorwaarden heeft gehouden zoals gesteld in de brief van 27 oktober 1997. De gemeente heeft daarbij tevens laten weten dat zij - alvorens aan de overtreding van die voorwaarden verdere consequenties te verbinden - de beslissing op het bezwaarschrift zal afwachten.

m. Op 12 december 1997 heeft [eiser] bezwaar aangetekend tegen de brief van de gemeente van 8 december 1997 omdat [eiser] van mening is dat hij zich wel aan de voorwaarden zoals gesteld in de brief van 27 oktober 1997 heeft gehouden.

n. Bij brief van 5 februari 1998 heeft [eiser] de gemeente gesommeerd om hem onmiddellijk weer toe te laten tot [school].

o. Bij brief van 6 februari 1998 schrijft de gemeente de raadsvrouw van [eiser] dat het advies van de klachtencommissie op 16 januari 1998 is ontvangen en dat de gemeente [eiser], gelet op dat advies, niet ontvankelijk verklaart, omdat de brief van 8 december 1997 geen besluit is in de zin van de AWB.

p. Op 16 februari 1998 heeft de bezwarencommissie het College geadviseerd het bezwaar van [eiser] d.d. 5 november 1997 - waarin [eiser] bezwaar heeft aangetekend tegen de brief van 27 oktober 1997 - gegrond te verklaren en het bestreden besluit niet in stand te laten aangezien de commissie van mening is dat het bestreden besluit op een zodanig onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat [eiser] hierdoor in zijn belangen is geschaad.

q. Bij brief van 3 maart 1998 heeft de gemeente aan de raadsvrouw van [eiser] bericht dat hoewel zij [eiser] in haar brief van 27 oktober 1997 op de bezwaarprocedure attent heeft gemaakt de gemeente van mening is dat nu [eiser] als vrijwilliger werkzaam was op [school] haar besluit van 27 oktober 1997 geen besluit is in de zin van de AWB zodat tegen bedoeld besluit geen bezwaar mogelijk is.

De gemeente geeft tevens aan: "Het is de eerste ervaring die de gemeente opdoet met de uitvoering van de regeling ongewenste intimiteiten. Gelet op de opgedane ervaring zullen wij op een aantal punten bezien of de regeling moeten worden gewijzigd c.q. aangevuld".

De gemeente volgt het advies van de commissie niet en wel op grond van de navolgende overweging: "Het gaat hier immers niet om een advies over de handelwijze van de klachtencommissie, en over eventueel (gedeeltelijk) overdoen van de klachtenprocedure, maar om een advies over het naar aanleiding daarvan door ons ingenomen standpunt". Voorts geeft de gemeente aan dat "Inmiddels een situatie lijkt te zijn ontstaan, waarin de verhoudingen tussen de school en de heer [eiser] dermate ernstig zouden zijn gestoord, dat een terugkeer, van de heer [eiser] op de school in het geheel niet meer mogelijk zou zijn".

r. [eiser] heeft de gemeente in kort geding doen dagvaarden tegen 4 maart 1998 en gevorderd dat hij weer toegelaten zal worden tot [school] om zijn werkzaamheden als vrijwilliger te hervatten.

s. De directie van [school] heeft op 5 maart 1998, mede namens de medezeggenschapsraad en ouderraad van de school, aan de ouders van de leerlingen van [school] een brief gestuurd waarin staat aangegeven dat er problemen met betrekking tot [eiser] zijn gerezen. De naam van [eiser] staat in de brief vermeld .

t. De president in kort geding heeft op 12 maart 1998 uitspraak gedaan en daarbij onder meer overwogen "(...) dat op de procedure die naar aanleiding van de klacht van [collega] is gevoerd het nodige valt aan te merken en het optreden van de gemeente niet uitblinkt in helderheid". De president heeft de door [eiser] gevraagde voorzieningen echter geweigerd omdat [eiser] als vrijwilliger niet in privaatrechtelijke arbeidsverhouding staat tot de gemeente.

De president heeft ook overwogen dat indien [eiser] en de gemeente wel in een arbeidsrechtelijke verhouding hadden gestaan, dat het dan in hoge mate waarschijnlijk zou zijn geweest dat de rechter op grond van een verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst zou hebben ontbonden.

u. Bij brief van 30 maart 1998 heeft de gemeente [eiser] medegedeeld dat er van hervatting van het vrijwilligerswerk op [school] geen sprake kan zijn en dat per 1 april 1998 de toegekende vergoeding van ¦ 100,-- zal worden beëindigd.

3. Standpunt [eiser].

3.1 De gemeente heeft jegens hem onrechtmatig gehandeld. Ook de gedragingen van de directie van [school], de medezeggenschapsraad, het hoofd van de sociale dienst van de gemeente en de klachtencommissie zijn ten opzichte van hem onrechtmatig. Deze gedragingen kunnen aan de gemeente worden toegerekend.

3.2. De gemeente heeft [collega] ten onrechte gewezen op de klachtenregeling en de klachtencommissie heeft ten onrechte zijn gedragingen onder de definitie van seksuele intimidatie/ongewenste intimiteiten/stalking laten vallen. De door [collega] aan hem verweten gedragingen vallen niet onder de definitie ongewenste intimiteiten zoals omschreven in de Arbeidsomstandighedenwet en evenmin onder de definitie van ongewenste intimiteiten zoals omschreven in de Klachtenregeling Ongewenste Intimiteiten van de gemeente. De door [collega] gestelde klachten wijzen in de verste verte niet op sexuele intimidatie of ongewenste intimiteiten. [eiser] heeft zich ten opzichte van [collega] niet schuldig gemaakt aan "stalking".

3.3 De klachtencommissie had de klacht niet in behandeling mogen nemen omdat [collega] al meer dan een jaar niet meer werkzaam was bij [school]. De behandeling bij de klachtencommissie is onzorgvuldig geweest en de procedure was niet met voldoende waarborgen omkleed. Ten onrechte heeft de vertrouwenspersoon geen bemiddelingsgesprek gevoerd met hem en [collega] samen. Het gesprek met de vertrouwenspersoon op 28 oktober 1997 was te laat en zinloos nu de gemeente haar besluit toen al genomen had. [Eiser] heeft de relevante stukken te laat ontvangen zodat hij zich ook niet behoorlijk heeft kunnen voorbereiden; [eiser] heeft geen gelegenheid gehad om getuigen te doen horen en heeft geen kennis kunnen nemen van de inhoud van de verklaringen van [collega]. Ook de wijze van horen door de klachtencommissie vindt [eiser] onbehoorlijk.

3.4 De gemeente heeft vervolgens onzorgvuldig gehandeld door het advies van de klachtencommissie integraal over te nemen. De gemeente had behoren na te gaan of de procedure op zorgvuldige wijze is gevoerd en of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De gemeente heeft [eiser] bovendien een aantal voorwaarden gesteld waartoe zij niet bevoegd was.

Tegen de brief van 8 december 1997 waarbij [eiser] de toegang tot de school werd ontzegd heeft [eiser] helemaal geen bezwaar kunnen maken. [Eiser] betwist uitdrukkelijk dat hij zich niet aan de in de brief van 27 oktober 1997 gestelde voorwaarden heeft gehouden.

3.5 De directie van [school] heeft onrechtmatig gehandeld door na de behandeling van het kort geding op 5 maart 1998 en nog vóór de uitspraak, de ouders van de leerlingen aan te schrijven en in te lichten over het gevoerde kort geding. Dit was onnodig en hierdoor is [eiser] in zijn goede naam geschaad.

3.6 Ook is [eiser] zeer gekwetst door de opmerking die de heer [...], hoofd sociale zaken van de gemeente, heeft gemaakt tegen een werkneemster van de Vacaturebank voor vrijwilligers te Leek, hierna VVB, "dat [eiser] niet in de buurt van jonge vrouwen moet komen". Hierdoor is een onjuist beeld gecreëerd over [eiser] en wordt het hem vrijwel onmogelijk gemaakt om elders als vrijwilliger een positie te verwerven.

3.7 Zijn schade bestaat uit immateriële schade en materiële schade in de vorm van de onkostenvergoeding van ¦ 100,-- die niet meer aan hem wordt uitbetaald, de eigen bijdrage in de proceskosten die hij moet voldoen en het gedeelte van het griffierecht dat hij niet vergoed krijgt.

4. Standpunt van de gemeente.

4.1 De gemeente betwist onrechtmatig jegens [eiser] te hebben gehandeld. Het handelen van de klachtencommissie is niet onzorgvuldig geweest en eventuele fouten van de commissie kunnen niet aan de gemeente worden toegerekend omdat de klachtencommissie geen orgaan is van de gemeente. Ook het handelen van de directie van [school], de medezeggenschapsraad en ouderraad van de school en het handelen van het hoofd van de afdeling sociale zaken van de gemeente is ten opzichte van [eiser] niet onrechtmatig geweest. De brief van 5 maart 1998 aan de ouders van de leerlingen is op geen enkele wijze in strijd met de waarheid en is niet kwetsend voor [eiser]. Slechts is op basis van argumenten die ook de president aan zijn vonnis ten grondslag heeft gelegd de ouders medegedeeld dat [eiser] niet terug zou keren op de school. Van enige onzorgvuldigheid is geen sprake.

4.2 [eiser] is op uitnodiging van de gemeente meegegaan in een traject om ander vrijwilligerswerk te vinden.

Tegen [eiser] is gezegd dat achtergrondinformatie aan de VVB zou moeten worden verschaft over de beëindiging van het vrijwilligerswerk bij [school].

Dat een medewerkster van de VVB uit de toelichting de conclusie heeft getrokken "dat eiser niet in de buurt van jonge vrouwen moet komen" is niet een verantwoordelijkheid van de gemeente.

4.3 De gemeente is van mening dat wegens het ontbreken van schade die voortgevloeid zou zijn uit het beweerde toerekenbare onzorgvuldig gedrag van de gemeente de vorderingen van [eiser] hoe dan ook afgewezen dienen te worden.

4.4 [eiser] kan geen verklaring voor recht vragen omdat een dergelijke verklaring ertoe dient om op enigerlei wijze vast te doen stellen wat omtrent een bepaalde rechtsverhouding (i.c. tussen [eiser] en de gemeente) rechtens is.

5. Beoordeling

5.1 De rechtbank gaat er bij de beoordeling van het onderhavige geschil van uit dat ten tijde dat de klacht door [collega] werd ingediend [collega] verbonden was aan een openbare school in de gemeente Leek.

5.2 De rechtbank is van oordeel dat de gemeente als bevoegd gezag verantwoordelijk is voor het optreden van de klachtencommissie en voor de gevolgde klachtenprocedure. Het gaat in casu immers om de toepassing van de Regeling ongewenste intimiteiten van de gemeente Leek en een gemeente is verantwoordelijk voor een juiste toepassing van door haar uitgevaardigde regels. De gemeente heeft zich terzake de door [collega] ingediende klacht, op basis van voornoemde regeling laten adviseren door de klachtencommissie - die zij zelf heeft ingesteld - en heeft het advies van de klachtencommissie in haar besluit van 27 oktober 1997 integraal overgenomen en daarmee tot het hare gemaakt. Niet alleen de door de commissie gevolgde werkwijze kan volledig aan de gemeente worden toegerekend, maar ook de inhoud van het besluit dat de gemeente naar aanleiding van het advies van de klachtencommissie heeft genomen.

5.3 Naar het oordeel van de rechtbank is de procedure die naar aanleiding van de tegen [eiser] ingediende klacht, zodanig onzorgvuldig geweest dat deze als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd.

5.4 De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat [eiser] niet op de door de klachtenprocedure voorgeschreven wijze door de vertrouwenspersoon is gehoord, voordat het advies aan de gemeente werd uitgebracht. [Eiser] is immers pas door de vertrouwenspersoon gehoord nadat de gemeente haar besluit al had genomen. Daarmee is het horen van [eiser] verworden tot een volstrekte formaliteit. Bovendien is ten onrechte niet geprobeerd om - zoals in de regeling is voorgeschreven - aan het gerezen geschil door middel van bemiddeling een einde te maken. [Eiser] is daarmee de mogelijkheid ontnomen dat de kwestie - met voorkoming van een officiële klachtprocedure -in minnelijk overleg alsnog zou kunnen worden opgelost.

Ook de gevolgde procedure met betrekking tot de oproeping van [eiser] voor de hoorzitting bij de klachtencommissie alsmede de wijze waarop hem de stukken daarvoor ter beschikking zijn gesteld, acht de rechtbank niet zorgvuldig. [Eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank aldus onvoldoende de gelegenheid gekregen zich ter verdediging op de klacht van [collega] voor te bereiden.

5.5. Het feit dat de gemeente [collega] heeft gewezen op de regeling ongewenste intimiteiten, acht de rechtbank - anders dan [eiser] heeft betoogd - op zich niet onrechtmatig. Deze regeling staat open indien een betrokkene - die onder de reikwijdte van de regeling valt - het gedrag van een ander persoon die daar eveneens onder valt, ervaart als ongewenste intimiteit. Met het enkele verwijzen naar het bestaan van de klachtenregeling, is echter niet gezegd dat de verweten gedragingen ook begaan zijn. Dat zal in de betreffende procedure nader moeten worden uitgezocht.

De rechtbank is echter van oordeel dat [eiser] van de vertrouwenspersoon niet mocht verwachten dat deze [eiser] en [collega] in elkaars aanwezigheid zou horen. [Collega] had immers uitdrukkelijk laten weten niet rechtstreeks met [eiser] geconfronteerd te willen worden, welk belang, gezien de aard van de beschuldigingen, naar het oordeel van de rechtbank gerespecteerd mocht worden.

5.6 De rechtbank is voorts van oordeel dat de gemeente voor wat betreft de inhoud van de aan [eiser] opgelegde sancties haar bevoegdheid heeft overschreden; de gemeente heeft, gelet op de litigieuze regeling niet de bevoegdheid om verstrekkende maatregelen op te leggen die [eiser] in zijn bewegingsvrijheid beperken, in ieder geval niet voorzover deze beperkingen zouden moeten gelden elders dan in locaties die zich onder het directe toezicht van de gemeente bevinden.

5.7 Eveneens onzorgvuldig acht de rechtbank het feit dat de gemeente [eiser] in de brief van 8 december 1997 de toegang tot de school heeft ontzegd, zonder dat [eiser] eerst is gehoord met betrekking tot de vraag of hij de (naar het oordeel van de rechtbank onterecht) gestelde voorwaarden had overtreden. De gemeente heeft dit klaarblijkelijk op het enkele aangeven van [collega] voetstoots aangenomen en ook hier het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.

5.8 Het vorenstaande brengt mee dat de procedure die ten grondslag ligt aan het besluit van 27 oktober 1997 reeds op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden zodanig onzorgvuldig is geweest, dat het besluit zoals dat er thans ligt, door de gemeente niet genomen had mogen worden. De inhoud van dit besluit moet ten opzichte van [eiser] dan ook als onrechtmatig worden gekwalificeerd.

5.9 De rechtbank zal [eiser] voor wat betreft de door hem gevraagde verklaring voor recht dat de hem verweten gedragingen - kort gezegd - niet als ongewenste intimiteiten, danwel sexuele intimidatie of stalking kunnen worden gekwalificeerd, niet-ontvankelijk verklaren. Hetgeen hiervoor is overwogen impliceert namelijk reeds dat de gemeente het besluit niet had mogen nemen op de wijze zoals zij dat heeft gedaan. Voorzover [eiser] echter heeft beoogd thans een uitspraak te verkrijgen met betrekking tot de vraag of hij de verweten gedragingen ten opzichte van [collega] heeft begaan, acht de rechtbank daarvoor geen plaats, nu [collega] in de onderhavige procedure niet als procespartij is betrokken. Om dezelfde reden kan de rechtbank evenmin beoordelen of de verweten gedragingen kunnen worden aangemerkt als te vallen onder de definities van ongewenste intimiteit zoals gehanteerd in de Regeling ongewenste intimiteiten, danwel onder het begrip stalking, nu volgens de regeling voor wat betreft de vraag of daarvan sprake mede beoordeeld dient te worden of de verweten gedragingen door de klager redelijkerwijze als zodanig is, kunnen worden ervaren.

5.10 De onzorgvuldig gevoerde procedure en het daarop gebaseerde besluit, hebben tot gevolg gehad dat aan het vrijwilligerswerk van [eiser] per 1 april 1998 een einde is gekomen. Dat [eiser] zich - los van de vraag of hij de verweten gedragingen heeft begaan - gegriefd voelt door de wijze waarop de gemeente in deze met zijn belangen heeft rekening gehouden komt de rechtbank - mede gezien de ernst van de beschuldigingen - alleszins aannemelijk voor. Dat [eiser] hierdoor, naast de derving van de vergoeding van f. 100,- per maand, ook immateriële schade heeft geleden, acht de rechtbank voldoende aangetoond. De rechtbank ziet termen om de door [eiser] geleden schade (ex aequo et bono) in totaal te bepalen op een bedrag van f. 5.000,-.

5.11 Het handelen van directie, medezeggenschapsraad en hoofd sociale dienst ziet de rechtbank als een uitvloeisel van het handelen van de gemeente. Gelet op het bovenoverwogene ziet de rechtbank geen aanleiding hieraan nog aandacht te besteden, In voornoemd ex aequo et bono bepaald bedrag is dit handelen verdisconteerd.

5.12 De rechtbank zal de vordering van [eiser] al met al tot een bedrag van f. 5.000,-- toewijzen. Zij ziet geen termen om dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In verband met de te nemen beslissing zal de rechtbank de gemeente als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordelen.

BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vordering voorzover die betreft de verklaringen voor recht;

2. veroordeelt de gemeente om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen van een bedrag van f. 5.000,-- (vijfduizend gulden) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 1998;

3. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] gevallen en mitsdien te betalen aan de griffie van dit gerecht, f. 277,50 aan in debetgestelde griffierechten, f. 48,49 aan explootkosten en f. 1.460,-- aan salaris van de procureur;

aan [eiser] f. 92,50 aan niet in debetgestelde griffierechten en f. 16,16 aan resterende explootkosten;

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hidma, vice-president, De Vries en Schuiling, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 19 januaru 2001 door mr. Oostdijk, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

ajf/jm.