Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AF0391

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-11-2000
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
99/199 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuizing naar het buitenland vormt grond voor tussentijdse beëindiging indien nakoming van verplichtingen niet voldoende is gewaarborgd;

Rechtbank ziet geen aanleiding voor faillissement van rechtswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Groningen,

eerste enkelvoudige kamer

Bij vonnis van deze kamer van 9 november 1999 is de definitieve schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

X.

Geboren op .. te P,

Voorheen wonende te Q. en thans wonende te R.

Voorheen handelend onder de naam Y.

Destijds gevestigd te Q., destijds ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Groningen onder nummer ...

De rechter-commissaris heeft gelet op hetgeen de bewindvoerder heeft gesteld in zijn brief, ter griffie van de rechtbank ontvangen op 4 oktober 2000, een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsanering te beëindigen. De schuldenaar is opgeroepen ten einde te worden gehoord ter terechtzitting van 7 november 2000.

De bewindvoerder heeft in zijn voornoemde brief verzocht een zitting vast te stellen in verband met nalatigheid van de schuldenaar en dat zich in het voorjaar reeds eerder een dergelijke situatie heeft voorgedaan.

De wnd. bewindvoerder heeft ter zitting van 7 november 2000 verklaard, dat de schuldenaar de verplichtingen, welke aan hem zijn opgelegd in het vonnis van deze rechtbank d.d. 9 november 1999 waarbij de definitieve toepassing is verklaard, niet nakomt en dat de schuldenaar ook de afspraken die de bewindvoerder met hem persoonlijk heeft gemaakt herhaaldelijk niet nakomt. Zo heeft de schuldenaar zijn inkomensgegevens over de maanden mei, juni, juli, augustus en september niet aan de bewindvoerder verstrekt en hebben er bovendien in diezelfde periode geen betalingen op de boedelrekening plaatsgevonden. Deze situatie heeft zich in het voorjaar (maart/april) reeds eerder voorgedaan.

De wnd. Bewindvoerder heeft voorts verklaard, dat de bewindvoerder in juni 2000 nog telefonisch contact met de schuldenaar heeft gehad. De bewindvoerder heeft hem toen gewezen op de achterstand in de betalingen en de toezending van de inkomensgegevens. De schuldenaar heeft toen toegezegd de achterstand in de betalingen te voldoen en de inkomensgegevens toe te sturen. Daarna heeft de bewindvoerder echter niets meer van de schuldenaar vernomen. Ook is de bewindvoerder niet op de hoogte hetgeen de schuldenaar heeft verklaard met betrekking tot zijn scheiding en de nieuwe huurovereenkomst.

De schuldenaar heeft zich tegen de beëindiging van de schuldsaneringsregeling verweerd en verklaart dat hij op de hoogte is van bovengenoemde verplichtingen en afspraken, maar Aangezien de kosten voor het overboeken van het maandelijkse niet vrijgegeven deel van het inkomen DM 50.-bedragen, heeft hij op 4 mei 2000 een fax naar de bewindvoerder gezonden en verzocht de maandelijkse bijdrage eens per vier maanden te mogen voldoen onder bijvoeging van de inkomensgegevens. Vervolgens heeft hij telefonisch contact gezocht met de bewindvoerder om een toelichting op zijn fax te geven. Aangezien de bewindvoerder niet aanwezig was, heeft de schuldenaar met een kantoorgenoot (van wie hij zich de naam niet meer kan herinneren) van de bewindvoerder gesproken. Die persoon zou volgens de schuldenaar hebben gezegd dat hetgeen bij eerder genoemde fax had verzocht akkoord was.

Voorts heeft de schuldenaar tijdens eerder genoemde behandeling verklaard, dat hij sinds 1 oktober 2000 niet meer bij zijn vrouw woont en dat hij officieel per 1 november 2000 een nieuwe huurovereenkomst voor een andere woning heeft.

Bovendien heeft de schuldenaar nog toegezegd, dat hij de achterstallige maandelijkse bedragen van inmiddels zes maanden terstond aan de bewindvoerder wil betalen onder overlegging van de inkomensgegevens.

De rechtbank is van oordeel, dat- aangezien de schuldenaar in het buitenland (Duitsland) woonachtig is en derhalve de postblokkade niet uitvoerbaar is - er meer van de schuldenaar verwacht mag worden. De rechtbank heeft daartoe in haar vonnis van 9 november 1999 waarbij de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar is uitgesproken - naast de geldende WSNP verplichtingen - de volgende verplichtingen vastgesteld die de schuldenaar gedurende de duur van de schuldsaneringsregeling dient na te komen:

de schuldenaar dient maandelijks een opgave van zijn inkomen middels een loonspecificatie aan de bewindvoerder te verstrekken;

de schuldenaar dient zich beschikbaar te houden voor het verstrekken van informatie aan de bewindvoerder en

de schuldenaar dient mee te werken aan de overboeking van het maandelijks niet vrijgegeven deel van het inkomen naar de schuldsaneringsrekening.

Nu de schuldenaar (wederom) niet maandelijks een opgave van zijn inkomen middels een loonspecificatie aan de bewindvoerder heeft verstrekt en evenmin het niet vrijgegeven deel van het inkomen naar de schulsaneringsrekening heeft overgeboekt is de rechtbank van oordeel dat de schuldenaar zich niet heeft gehouden aan de verplichtingen die de rechtbank hem in haar vonnis van 9 november 1999 heeft opgelegd. Als het al waar zou zijn dat een kantoorgenoot van de bewindvoerder zou hebben gezegd dat hij niet iedere maand het niet vrijgegeven deel van het inkomen naar de schulsaneringsrekening behoeft over te maken had de schuldenaar naar het oordeel van de rechtbank moeten begrijpen dat op deze wijze niet zondermeer hetgeen bepaald is in het vonnis van de rechtbank terzijde kan worden geschoven. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de schuldenaar ten onrechte zijn recente verhuizing niet aan de bewindvoerder heeft doorgegeven.

Nu de schuldenaar zich herhaaldelijk niet aan de verplichtingen van de WSNP heeft gehouden, is er aanleiding de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindiging op grond van artikel 350, lid 3, sub c van de Faillissementswet. Op grond van voornoemde bepaling in samenhang bezien met lid 5 van voornoemde bepaling zou de schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement verkeren, zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. De rechtbank is echter van oordeel dat in casu geen toepassing gegeven dient te worden aan deze bepaling. De rechtbank overweegt daartoe dat de schuldenaar op zijn verzoek is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling met betrekking tot uitsluitend de schulden die zijn ontstaan in Nederland. Het gevolg van een faillissement is dat dit zijn hele vermogen bevat, ook het vermogen in Duitsland. Dit gevolg is niet alleen verstrekkend voor de schuldenaar maar ook voor de schuldeisers dan wel de curator. Liquidatie van het (eventuele) vermogen in Duitsland zal praktisch gezien onuitvoerbaar zijn, mede gelet op het feit dat de postblokkade niet functioneert.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. De kosten van de in de schuldsaneringsregeling bevolen publicaties kunnen uit de boedel worden voldaan en komen dus ten laste van de schuldenaar.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

bepaalt dat zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan de schuldenaar niet in staat van faillissement verkeert;

stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op f 650,00 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting);

bepaalt dat de kosten van de faillissementswet bevolen publicaties ten laste van de schuldenaar komen.

Gewezen door mr M. Griffioen, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 november 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.