Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA9066

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/410 WSW V01
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 99/410 WSW V01

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Fivelingo, verweerder.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 17 maart 1999 het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 2 december 1998, waarbij eiseres niet meer tot de personenkring sociale werkvoorziening als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) behoort, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Er is gerepliceerd en gedupliceerd.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 19 september 2000.

Eiseres is aldaar verschenen en bijgestaan door mr E.H. Jansen, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Groningen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.T. Zwama, hoofd personeelszaken.

Hij is bijgestaan door mr R.G.A. Luinstra, advocaat te Winschoten.

Partijen hebben hun standpunt toegelicht en desgevraagd inlichtingen verschaft.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

2.1 Ontstaan van het geschil.

Eiseres is door verweerder in 1992 toegelaten tot de personenkring van de sociale werkvoorziening en is op de wachtlijst geplaatst.

Daarbij is een belastbaarheidsprofiel opgesteld en is een psychologisch onderzoek verricht.

Als gevolg van de inwerkingtreding van de vernieuwde Wsw is verweerder gehouden te beslissen of evengenoemde beslissing nog gelding heeft (herindicatie). In dit kader is een advies uitgebracht door de zogeheten indicatiecommissie. Deze commissie volgt daarbij een werkwijze die in een protocol is vastgelegd.

Verweerder heeft bij het besluit in primo het advies van de indicatiecommissie gevolgd. Besloten is dat eiseres met ingang van 20 november 1998 niet meer gerekend kan worden te behoren tot de doelgroep van de Wsw.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Daarbij is onder meer aangevoerd dat zij lijdt aan psoriasis, een spierziekte en aan psychische klachten. Eiseres heeft verweerder in dit verband verzocht informatie in te winnen bij haar huisarts en bij het RIAGG.

2.2 Het geschil.

Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen: "De procedure werd conform het indicatieprotocol gevolgd".

Eiseres heeft in beroep onder meer het volgende aangevoerd: " Cliënte kan zich met deze beslissing niet verenigen. Naar ik van cliënte heb begrepen stond zij geruime tijd op de wachtlijst van Fivelingo. Kennelijk was men eerder wel van mening dat cliënte tot de doelgroep van de WSW behoorde. Cliënte begrijpt niet waarom dat thans niet meer het geval is. Het begrip "doelgroep" onder de oude WSW is nagenoeg gelijk aan het begrip "doelgroep" van de nieuwe WSW, zodat cliënte niet vermag in te zien waarom zij nu opeens niet tot de doelgroep van de WSW zou behoren. Bovendien stelt cliënte dat zowel haar fysieke als haar psychische situatie nu aanmerkelijk slechter is dan voorheen het geval was, zodat onder die omstandig- heden cliënte de beslissing van Fivelingo niet begrijpt."

"Cliënte is van mening dat het advies van de commissie niet juist is en dat de motivering van het advies van de commissie (beoordeling van de bezwaren) zodanig summier is geformuleerd dat deze de toets van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kan doorstaan. Immers de commissie geeft slechts aan dat op basis van de nieuwe Wet opnieuw een onhankelijke indicatiestelling moet plaatsvinden en dat de procedure op juiste wijze is gevoerd. Verder geeft de commissie aan dat uit recent onderzoek blijkt dat cliënte in staat moet worden geacht passende arbeid te verrichten, zelfs zonder noodzaak van voor- zieningen. Tenslotte wordt aangegeven dat de commissie van mening is dat over voldoende informatie wordt beschikt om te komen tot een juiste besluitvorming.

Uit de motivering van het advies blijkt niet dat door de commissie wordt ingegaan op de bezwaren van cliënte. Cliënte heeft onder andere aangegeven dat zij, toen cliënte op de wachtlijst van Fivelingo werd geplaatst omstreeks 1992 een psychologische test daarvoor moest ondergaan en dat het in het kader van de herindicatie voor de hand ligt dat opnieuw een psychologische test wordt gedaan. Ook wordt niet ingegaan op de bezwaren van cliënte met betrekking tot de uitslag van het intakeprofiel (zomeropname versus winteropname). Tenslotte wordt voorbij gegaan aan cliënte haar verzoek om contact op te nemen met de behandelend sector (huisarts; specialist; Riagg). Om tot een zorgvuldige afweging te komen is blijkens vaste rechtspraak onder de figuur van de oude WSW, minimale voorwaarde dat contact wordt opgenomen met de huisarts of specialist ter verkrijging van nadere medische indicaties, met name wanneer de kandidaat daar uitdrukkelijk om verzoekt. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur brengen met zich mee dat een dergelijk verzoek gehonoreerd moet worden. Dat laatste is niet gebeurd."

2.3 Bevoegdheid verweerder.

De rechtbank is thans van oordeel dat verweerder bevoegd is om het besluit in primo en het besluit op bezwaar te nemen, nu de bevoegdheid daartoe aan verweerder is gedelegeerd in het tweede lid van artikel 1 van de Wsw. Hetgeen in artikel 5 van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening is bepaald heeft hier geen invloed op, nu dit de mandatering binnen het gemeentebestuur betreft.

De rechtbank neemt dus afstand van hetgeen op dit punt laatstelijk is beslist.

2.4 De rechtmatigheid van het bestreden besluit.

De rechtbank kan zich in grote lijnen vinden in het hiervoor weergegeven betoog van eiseres.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3:2 Awb dient verweerder de nodige kennis omtrent de feiten te verzamelen bij de voorbereiding van de beslissing op bezwaar.

Ingevolge artikel 3:46 Awb dient de beslissing van verweerder op een deugdelijke motivering te berusten.

Uit het bepaalde in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Wsw volgt dat verweerder feiten moet verzamelen betreffende de vraag of eiseres door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat is. Vervolgens moet het door verweerder op die vraag gegeven antwoord berusten op een deugdelijke motivering.

Ingevolge het derde lid van artikel 1 van de Wsw worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld voor de bepaling van de doelgroep. Dit is geschied bij het Besluit indicatie sociale werkvoorziening (hierna te noemen Indicatiebesluit).

Ingevolge onderdeel a van artikel 3 van het Indicatiebesluit verricht de, uit onafhankelijke personen samengestelde, indicatiecommissie ten behoeve van de advisering van verweerder onderzoek naar de beperkingen van betrokkene van lichamelijke, verstandelijke en psychische aard.

Ingevolge het tweede lid van artikel 3 van het Indicatiebesluit moet de indicatiecommissie haar onderzoek verrichten met inachtneming van het in artikel 10 genoemde besluit. Dit is het Protocol indicatiestelling Wsw.

Het derde lid van artikel 3 van het Indicatiebesluit schrijft voor dat de indicatiecommissie bij de vastlegging van het onderzoek gebruik maakt van het bij ministeriële regeling vastgestelde intakeprofiel.

Het vierde lid van artikel 3 van het Indicatiebesluit bepaalt dat de indicatiecommissie ten behoeve van verweerder een schriftelijk rapport opmaakt van het onderzoek. In het rapport moet verslag worden gedaan van de wijze waarop het onderzoek is verricht en van de bevindingen.

De onderdelen f, g en h van artikel 1 van het Indicatiebesluit luiden:

"f. beperkingen van lichamelijke aard: alle beperkingen ten gevolge van stoornissen die niet van verstandelijke of psychische aard zijn, zoals gekwalificeerd in de internationale statistische classificatie van ziekten en aanverwante gezondheidsproblemen (ICD-10) en de internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps (ICIDH) van de Wereld Gezondheidsorganisatie;

g. beperkingen van verstandelijke aard: beperkingen ten gevolge van stoornissen die in de ICIDH zijn gekwalificeerd onder 12 en 13;

h. beperkingen van psychische aard: beperkingen ten gevolge van stoornissen die in de ICIDH zijn gekwalificeerd onder 15 tot en met 19 en 23 tot en met 29.

Bijlage I van het Indicatiebesluit bevat de Beslistabel "behoren tot de doelgroep".

Daarbij is onder meer de volgende toelichting gegeven:

"Stoornissen en functionele beperkingen worden met name genoemd en welomschreven, en daarnaast weergegeven in termen en codes uit de internationale statistische classificatie van ziekten en aanverwante gezondheidsproblemen (ICD-10, Wereldgezondheidsorganisatie, Genève, 1992) en de Internationale Classificatie van Stoornissen, Beperkingen en Handicaps (ICIDH, Wereldgezondheidsorganisatie, Geneve, 1980, herdruk 1993), een en ander onder verwijzing naar de betreffende rapporten en de gebruikte onderzoeksmethoden. De terminologie van de ICIDH wordt in deze bijlage ten dele vervangen door in Nederland gangbare eigentijdse benamingen.

Onder beperkingen van lichamelijke aard worden alle beperkingen verstaan ten gevolge van stoornissen, die niet van verstandelijke (ICIDH, 12-13) of psychische aard (ICIDH, 15-19, 23-29) zijn. Deze beperkingen kunnen rechtstreeks van functionele betekenis zijn bij arbeidstaken, zoals een bewegingsbeperking, of van sociale aard, indien er bijvoorbeeld een extreme lichaamsgeur of een zeer misvormd uiterlijk (ICIDH, 8) een onoverkomelijke barrière vormt voor werken onder normale omstandigheden.

Ook psychische beperkingen kunnen soms geheel of in belangrijke mate sociaal van aard zijn. Te denken is daarbij aan ernstige persoonlijkheidsstoornissen en zware motorische- en/of vocale tic-stoornissen. Verder kan grote traagheid ten gevolge van een laag psychomotorisch tempo een bepalende beperking zijn.

Bij beperkingen van verstandelijke aard gaat het om beperkingen in het functioneren in de arbeidssituatie, die samenhangen met een duidelijk onder het gemiddelde intelligentieniveau functioneren, zoals geformuleerd in de ICIDHcriteria.

Voor een hoofdindeling op basis van de ICIDH wordt aangesloten bij de WCC-standaard Termen voor Gehandicapten):

nr handicap (WCC) ICIDH Stoornissen

-------------------------------------------------------------------------------------

verstandelijk

gehandicapten

1 verstandelijk 13

gehandicapten (licht)

2 verstandelijk 12

gehandicapten (matig)

3 demente personen 14

4 bewustzijnsgehandicapten 20-22

psychisch gehandicapten

5 psychisch gehandicapten 15-19 en 23-29

(niet ernstig)

6 psychisch gehandicapten 15-19 en 23-29

(ernstig(*))

zintuiglijk

gehandicapten

7 doven 40-41

8 auditief gehandicapten, 42-47, 49

overig

9 blinden 50-51

10 visueel gehandicapten, 52-58

overig

11 evenwicht gehandicapten 48

12 zintuiglijk 69, 95-98

gehandicapten, overig

orgaangehandicapten

13 uithoudingsgehandicapten 61

14 orgaangehandicapten, 60, 62-68

overig

15 motorisch gehandicapten 70-79

16 overige gehandicapten 30-39, 80-87, 89-90, 92-94, 99

Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de beslissing om eiseres al dan niet toe te laten tot de personenkring van de Wsw, niet uitsluitend gegrond kan worden op de constatering dat de indicatiecommissie de juiste procedure heeft gevolgd, zoals verweerder doet bij het bestreden besluit. Dit besluit is dan ook strijdig met de wet en kan niet in stand worden gelaten.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Ook de overweging dat aan de weigering om eiseres tot de personenkring van de Wsw toe te laten, het advies van de indicatiecommissie ten grondslag kan worden gelegd, omdat daaruit volgt dat eiseres niet tot de doelgroep behoort, kan het bestreden besluit niet dragen.

Het advies van de indicatiecommissie is op zichzelf namelijk niet deugdelijk gemotiveerd.

Dit is in de eerste plaats het geval omdat het advies niet is neergelegd in een rapport voor verweerder, inhoudende een verslag van de wijze waarop onderzoek is gedaan.

De rechtbank kan de mededeling van de commissie, bestaande uit een enkele verwijzing naar niet bijgevoegde stukken en naar het soort onderzoek in algemene zin ("medisch onderzoek", "arbeidskundig onderzoek") althans niet zien als een verslag van de wijze van onderzoek. Dit klemt te meer waar eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen het -kennelijk- niet inwinnen van informatie bij huisarts en RIAGG. Nergens blijkt om welke reden(en) dit niet is geschied.

In de tweede plaats is het advies niet deugdelijk gemotiveerd, omdat het niet is vervat in een rapport, waarin de bevindingen van de onderzoeker(s) zijn vastgelegd, welke als motivering van het besluit kunnen gelden.

De rechtbank kan het oordeel van de indicatiecommissie dat eiseres "beperkingen van lichamelijke aard; hoofdgroepindeling 16 ICIDH Code 90.0" heeft, niet zien als een voor de betrokkene - en gezien het verhandelde ter zitting: ook verweerder- begrijpelijke motivering, zoals vereist door artikel 3:46 Awb. Dat eiseres er over klaagt niet te begrijpen waarom de beslissing is genomen, is een gevolg van de schending van dit artikel en van de schending van artikel 3, vierde lid, van het Indicatiebesluit, zoals dit, al dan niet in samenhang met artikel 3:46 Awb, behoort te worden gelezen.

Ook dit gebrek vormt voldoende reden om het bestreden besluit niet in stand te laten.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de bijvoeging van de stukken, die door de afzonderlijke deskundigen zijn vervaardigd, als gedingstukken, voormelde gebreken niet kunnen helen, nu ook die stukken geen motivering bevatten op grond waarvan verweerder zich een inhoudelijk oordeel kan vormen over de te beantwoorden vraag, mede gezien de door eiseres naar voren gebrachte bezwaren. De rechtbank wijst er in dit verband op dat er geen verslag van een psychologisch onderzoek is vervaardigd, doch dat slechts een rapportageformulier van uiterst summiere gegevens is voorzien. Dit geldt ook voor het verslag van het medisch onderzoek.

Het voorgaande wordt geïllustreerd met het feitelijk gegeven dat verweerder desgevraagd ter zitting slechts kon aangeven dat de beperkingen, die eiseres wel heeft maar haar niet ongeschikt maken voor Wsw-arbeid, bestaan uit het feit dat zij een "overige gehandicapte" is.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de beslissing dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb, tevens te worden bepaald, dat het door eiseres betaalde griffierecht te worden vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst het Werkvoorzieningschap Fivelingo aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen. De begroting van deze kosten is nader aangegeven in de bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

RECHTDOENDE,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het Werkvoorzieningschap Fivelingo eiseres het betaalde griffierecht van ¦ 60,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, welke zijn vastgesteld op ¦ 1.775,-;

wijst het Werkvoorzieningschap Fivelingo aan als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr A.H.J. Lennaerts, rechter en in het openbaar door hem uitgesproken

op 28 september 2000, in tegenwoordigheid van K. Faber als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op: 28 september 2000

typ:gjb