Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA8928

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-11-2000
Datum publicatie
13-05-2003
Zaaknummer
AWB 99/767 AW V01
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het wel of niet moeten ondergaan van een test en selectiegesprek door eiseres als ambtenaar in het kader van een reorganisatie betreft een feitelijk handelen van eiseres waarbij zij als ambtenaar belang heeft.

Een ambtenaar heeft meer belangen dan rechtspositionele belangen, zoals deze kennelijk door verweerder worden verstaan. De door eiseres genoemde feiten, dat zij een test moest ondergaan en een selectiegesprek moest voeren als gevolg van de niet toekenning van de status "een-op-een-functie" aan haar functie, raakt eiseres als ambtenaar.

Het wel of niet moeten ondergaan van een test en een selectiegesprek, vloeit voort uit het beleid van verweerder ten opzichte van eiseres als ambtenaar, en betreft een feitelijk (moeten) handelen van eiseres, zodat zij daarbij belang heeft; nog daargelaten of dit niet zodanig verweven is met haar rechtspositie dat gesproken moet worden van een besluit met invloed op de rechtspositie van eiseres.

De Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerder.

mr. A.H.J. Lennaerts

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr: AWB 99/767 AW V01

U I T S P R A A K

In het geding tussen

A, wonende te B, eiseres,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 juni 1999.

Verweerder heeft de gedingstukken, voorzien van een verweerschrift, ingezonden.

Partijen hebben de beschikking gekregen over een afschrift van de gedingstukken.

De mondelinge behandeling van het beroep is verwezen naar een zitting van een enkelvoudige kamer.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 21 november 2000.

Eiseres is in persoon verschenen en bijgestaan door mr. K.F. Hofstee.

Voor verweerder is verschenen drs. M.E. Everink, verbonden aan de Informatie Beheer Groep.

Partijen hebben hun standpunt toegelicht en desgevraagd nadere inlichtingen verschaft.

De voorzitter heeft na de mondelinge behandeling medegedeeld dat de uitspraak op het beroep zal worden gedaan binnen zes weken na de dag van de mondelinge behandeling.

II. MOTIVERING

Feiten

De rechtbank legt de volgende feiten aan haar beslissing ten grondslag en waardeert deze daarbij voorzover dat dienstig is voor die beslissing.

Verweerder heeft de feitelijke aanleiding tot het geschil als volgt weergegeven:

" De IB-Groep heeft besloten tot een grote reorganisatie: Herontwerp. In het kader van deze reorganisatie is een nieuw functiegebouw ontworpen. De zogeheten oud/nieuwlijst waarmee de ondernemingsraad van de IB-Groep heeft ingestemd, relateert de functies uit de oude organisatie aan de functies in de nieuwe organisatie, dat wil zeggen de organisatie na Herontwerp. Zo geeft de lijst de status aan van de functies in de oude organisatie: opgeheven ('vervalt') of 1:1 ('vervalt niet'). De status 'vervalt' betekent dat een functie wordt opgeheven, de status 1:1 betekent dat de functie overgaat van de oude organisatie naar de nieuwe organisatie. Indien een medewerker een functie met een 1:1-status heeft, dan kan hij in principe zijn functie volgen bij de overgang naar de nieuwe organisatie. Zijn er meer functievolgers dan beschikbare formatieplaatsen in de nieuwe organisatie, dan geschiedt de plaatsing van de functievolgers op basis van anciënniteit.

Eiser tekent met haar schrijven van 24 februari resp. 30 maart 1999 bezwaar aan tegen de door verweerder vastgestelde oud/nieuwlijst. Kern van eisers bezwaar is de status 'vervalt' van de functie Y in de oud/nieuwlijst. Eiser is van mening dat deze functie in de oud/nieuwlijst in plaats van 'vervallen' moet worden aangemerkt als een 1:1-functie ten opzichte van de functie Z (hierna:Z)

Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit om de functie van eiseres niet aan te merken als een "een-op-een-functie" niet ontvankelijk verklaard. Verweerder is van mening dat eiseres geen belang heeft bij dit besluit, omdat zij daardoor niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen.

Verweerder heeft dit als volgt gemotiveerd in het verweerschrift (dat op dit punt een wijziging van de grondslag van het besluit inhoudt):

" 3. Verweerder blijft van mening dat eiser door de vaststelling van de oud/nieuwlijst niet in haar belang is getroffen en derhalve geen belanghebbende is. Door de vaststelling van de lijst verandert op zichzelf niets voor eiser: zo wijzigt de rechtspositie van eiser niet door vaststelling van de lijst. Wel doet de vaststelling van de lijst het rechtsgevolg ontstaan van het intreden van een volgende fase van de reorganisatie binnen de IB-Groep: de selectie- en plaatsingsprocedure, in welke fase besluiten gericht aan individuen worden genomen. Pas een dergelijk besluit, zoals een aan eiser gericht (voorlopig plaatsingsbesluit, raakt de belangen van de verzoeker rechtstreeks. Eiser heeft inmiddels een voorgenomen besluit tot plaatsing ontvangen; hiertegen heeft zij haar bedenkingen kenbaar kunnen maken en tegen het besluit kan zij bezwaar en beroep aantekenen".

Eiseres bestrijdt deze visie van verweerder. Zij heeft aangevoerd wel belanghebbende te zijn bij het besluit, als volgt:

" Op het subsidiaire standpunt zal ik wat dieper ingaan. Ik ben door het niet kwalificeren van mijn huidige functie als een één-op-één-functie ten opzichte van de functie medewerker Z rechtstreeks in mijn belangen getroffen. Allereerst omdat ik daardoor gedwongen was een test af te leggen en een selectiegesprek te voeren. Als ik een één-op-één-functie zou hebben gehad dan zou ik hier niet toe verplicht zijn.", en,

" Door het niet kwalificeren van mijn functie als één-op-één-functie en de daarbij behorende plaats elf op de anciënniteitslijst ben ik rechtstreeks getroffen in mijn belangen. Onderstaand zal ik dit nader toelichten.

De geplande formatie voor de medewerker Z bedraagt acht FTE's (fulltime-eenheden). Er zijn acht medewerkers met de functie medewerker X, waarvan twee in deeltijd. Deze acht medewerkers bezetten derhalve iets meer dan zeven FTE's. Een één-op-één-plaatsing van alle medewerkers X als medewerker Z laat derhalve nog formatieruimte over. Medewerkers Y hebben belang bij deze resterende formatieruimte. Mijn plaats op elf op de anciënniteitslijst kan -indien de medewerkers Y met plaats negen en tien op de anciënniteitslijst geen belangstelling hebben voor deze (deeltijds)functie- tot een plaatsing leiden."

Overwegingen

Op eiseres is het bepaalde in artikel 9 van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank van toepassing. Uit deze bepaling in samenhang met de aanstelling van eiseres, vloeit voort dat zij de status van ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet heeft.

Het door eiseres ingediende bezwaarschrift houdt een bezwaar in als bedoeld in artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In het tweede lid van artikel 8:1 Awb is bepaald dat met een besluit wordt gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is.

Deze bepalingen leiden er toe dat het bezwaar van eiseres niet reeds niet-ontvankelijk mag worden verklaard om reden dat het door verweerder over haar functie genomen besluit niet als een op rechtsgevolg gericht besluit is aan te merken.

Verweerder heeft dit ook niet gedaan, doch geoordeeld dat eiseres geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb: belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Deze bepaling heeft in het geval van eiseres tot gevolg dat eiseres met haar belangen als ambtenaar bij het besluit betrokken moet zijn.

Een ambtenaar heeft meer belangen dan rechtspositionele belangen, zoals deze kennelijk door verweerder worden verstaan. De door eiseres genoemde feiten, dat zij een test moest ondergaan en een selectiegesprek moest voeren als gevolg van de niet toekenning van de status "een-op-een-functie" aan haar functie, raakt eiseres als ambtenaar.

Het wel of niet moeten ondergaan van een test en een selectiegesprek, vloeit voort uit het beleid van verweerder ten opzichte van haar als ambtenaar, en betreft een feitelijk (moeten) handelen van eiseres, zodat zij daarbij belang heeft; nog daargelaten of dit niet zodanig verweven is met haar rechtspositie dat gesproken moet worden van een besluit met invloed op de rechtspositie van eiseres.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit strijdig is met de wet. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand worden gelaten en het beroep dient bijgevolg gegrond te worden verklaard.

De door eiseres gevorderde veroordeling in de proceskosten kan slechts worden toegewezen voor wat betreft haar reiskosten, verbonden aan het bijwonen van de zitting. Deze zijn begroot op de kortste route met het openbaar vervoer van haar woonplaats naar het gerechtsgebouw tegen het laagste tarief en bedragen f. 9,60.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder in plaats daarvan een nieuw besluit neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van eiseres gevallen ten bedrage van f. 9,60 en bepaalt dat de Informatie Beheer Groep deze kosten, alsmede het griffierecht ad f. 225,- aan eiseres dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.H.J. Lennaerts, rechter en door hem in het openbaar uitgesproken

op 23 november 2000, in tegenwoordigheid van K.A. Faber, griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: 23 november 2000

typ: jb Bijlage: staat van kosten