Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA8342

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
03-10-2000
Datum publicatie
09-01-2006
Zaaknummer
AWB 00/889 WW44 V04
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlenen vrijstelling ex art. 19.3 WRO (nieuw) voor bouw garage niet onredelijk. Toetsing aan art. 20 Bro. Grootte en situering garage.

Bouwplan is in strijd met geldende bestemmingsplan. Bij het verlenen van vrijstelling ex artikel 19.3 WRO (nieuw) is het niet vereist te anticiperen op een toekomstig planologisch kader. Voldaan moet worden aan het gestelde in artikel 20 Bro en alle bij het bouwplan betrokken belangen dienen te worden afgewogen. Artikel 20.1.a Bro bevat geen bepalingen ter zake van de grootte van bijgebouwen. Niet onredelijk is dat verweerders in het kader van de te verrichten belangenafweging, omdat zij ter zake van het verlenen van vrijstellingen ex artikel 19.3 WRO (nieuw) nog geen beleid hebben vastgesteld, aansluiting hebben gezocht bij artikel 20.1.a.3 Bro. Het bouwplan voldoet aan het bepaalde in dit artikel. Ten aanzien van de situering bepaalt het Bro niets. De gekozen plek om de garage te bouwen komt niet onlogisch voor en mede gelet op de ruime mogelijkheden die het Bro biedt, hebben verweerders in redelijkheid kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen.

Wijst het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2000/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 00/889 WW44 V04

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

A, wonende te B, gemeente C, verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 3 augustus 2000, nr. ADJ/2000-1193, van

burgemeester en wethouders van Reiderland, verweerders,

gemachtigden: B.J.H. Zuur en C. Boer.

1. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 3 augustus 2000, nr. ADJ/2000-1193, verzonden op 24 augustus 2000, hebben verweerders, onder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), D en E te B (hierna te noemen: vergunninghouders), vergunning verleend voor het oprichten van een garage op het perceel, kadastraal bekend gemeente B, sectie […], no. […], plaatselijk bekend […] […] te B, gemeente C.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) heeft verzoeker op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, bij schrijven gedateerd 10 september 2000, een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Bij verzoekschrift van 11 september 2000, aangevuld bij brief van 12 september 2000, met bijlagen, heeft verzoeker de president gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de verleende bouwvergunning wordt geschorst.

Verweerders hebben op 19 september 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede een verweerschrift ingediend.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb, zijn vergunninghouders in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Van deze gelegenheid hebben vergunninghouders gebruik gemaakt door hun standpunt ter zitting naar voren te brengen.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Op 24 september 2000 heeft verzoeker nog nadere stukken ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 26 september 2000.

Verzoeker is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote.

Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden, vorengenoemd.

Vergunninghouders zijn tevens ter zitting verschenen, bijgestaan door mr C. Lubben.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

De feiten.

Verweerders hebben bij besluit van 3 augustus 1999, nr. ADJ/99-1064, vergunninghouders vergunning verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel, kadastraal bekend gemeente B, sectie […], nos. […], plaatselijk bekend […] […] te B, gemeente C.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, bij schrijven gedateerd 26 september 1999, een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Bij verzoekschrift van 22 oktober 1999 heeft verzoeker de president gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de verleende bouwvergunning voor zover die betrekking heeft op het bouwen van een schuur wordt geschorst.

Na een daartoe op 23 november 1999 gehouden zitting heeft de president bij uitspraak van 29 november 1999, nr. AWB99/1037 WW44 V03, de bij besluit van 3 augustus 1999 verleende bouwvergunning geschorst, voor zover dat besluit betrekking heeft op het oprichten van een garage.

Bij besluit van 1 februari 2000, kenmerk: BJHZ, hebben verweerders, onder gegrondverklaring van het door verzoeker ingediende bezwaarschrift, hun besluit van 3 augustus 1999, voor zover dat betrekking heeft op het oprichten van een garage, vernietigd.

Op 2 mei 2000 hebben vergunninghouders bij verweerders opnieuw een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het oprichten van de garage op het betreffend perceel ([…] […] te B).

Bij het thans bestreden besluit hebben verweerders, met toepassing van artikel 19, derde lid, WRO, de gevraagde vergunning verleend.

Beoordeling van het verzoek.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op 3 april 2000 is onder meer de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302; hierna Wijzigingswet) in werking getreden. Voorts is als gevolg hiervan met ingang van eerstgenoemde datum een aantal artikelen in de Woningwet gewijzigd.

Op grond van artikel VI, eerste lid, van de Wijzigingswet blijft ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO en om bouwvergunning ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden.

In casu is de aanvraag om bouwvergunning ingediend na vorenbedoelde wijzigingen. Dat betekent derhalve dat voor de beoordeling van het thans bestreden besluit uitgegaan dient te worden van het nieuwe recht.

Het te bebouwen perceel heeft op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hoofdweg Oost Finsterwolde" de bestemming 'Bijzondere doeleinden Klasse A'. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor sociale en culturele doeleinden, zoals een school, een verenigingsgebouw, een kerk, een overheidsgebouw, een atelier en expositieruimte, een bank, een bibliotheek, een groene-kruisgebouw, met de daarbij behorende terreinen, gebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

Vaststaat, hetgeen partijen niet betwisten, dat het bouwen van de onderhavige garage daarmee in strijd is.

Verweerders hebben, gelet op deze strijdigheid, de aanvraag om bouwvergunning op de voet van artikel 46, derde lid, laatste volzin, Ww, tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, Wro.

Op grond van vorengenoemd artikel 19, derde lid, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aan te geven gevallen.

Bedoelde AMvB -het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro)- bepaalt in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, -voor zover hier thans van belang-, dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, WRO in aanmerking komt een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Anders dan verzoeker kennelijk meent, volgt uit het vorenbepaalde, dat het, bij het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, WRO, niet vereist is te anticiperen op een toekomstig planologisch kader. Indien wordt voldaan aan het gestelde in artikel 20 Bro, eerdergenoemd, kunnen verweerders in beginsel een vrijstelling als vorenbedoeld verlenen. In het kader van de beoordeling van een verzoek om vrijstelling dienen door verweerders echter wel alle bij het betreffend bouwplan betrokken belangen worden afgewogen.

In het kader van die belangenafweging hebben verweerders geoordeeld dat het oprichten van een garage door vergunninghouders een gerechtvaardigd verlangen betreft. Vergunninghouders hebben de ruimte nodig voor het parkeren van hun auto's en een motor, en voor het beoefenen van een hobby, het sleutelen aan motoren. Voor wat de grootte van de garage betreft valt deze binnen het gestelde in artikel 20 BRO. Hoewel de geplande garage groot is, maakt reeds het geldend bestemmingsplan het mogelijk om bij de bestemming woondoeleiden grote bijgebouwen te plaatsen.

De situering van de garage zoals vergunninghouders die wensen is het meest praktisch, aangezien de garage vlakbij de woning zal komen te staan. Het bouwen op een andere plek, zoals in het noordelijk puntje van het perceel, zou een groot gedeelte van het perceel ongeschikt maken voor andere doeleinden. Ook zou in dat geval een erg lange inrit moeten worden aangelegd.

Verzoeker heeft bezwaar tegen de grootte van de te bouwen garage en de situering daarvan op het betreffend perceel. Ook vreest hij dat de garage commercieel zal worden geëxploiteerd.

Terzake van de grootte van de op te richten garage stelt de president vast dat artikel 20, eerste lid, onder a, ten eerste, Bro, geen bepalingen bevat terzake van de grootte van bijgebouwen. In het kader van de belangenafweging die verweerders verricht hebben bij het verlenen van de benodigde vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, Wro, hebben verweerders -omdat zij terzake van het verlenen van vrijstellingen als de onderhavige nog geen beleid hebben vastgesteld- aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onder a, ten derde Bro. De president acht dit niet onredelijk.

Op grond van evengenoemd artikel 20, eerste lid, sub 3, onder a en b, mag de uitbreiding niet tot gevolg hebben dat het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden. Het bouwplan in kwestie voldoet ruimschoots hieraan.

Voor wat de situering van de garage betreft is evenmin gebleken van strijdigheid met wettelijke bepalingen, waarbij zij opgemerkt dat ten aanzien van de situering het BRO niets bepaalt. De president komt de door vergunninghouders gekozen plek om de betreffende garage te bouwen niet onlogisch voor, en is van oordeel dat verweerders, mede gelet op de ruime mogelijkheden die het BRO biedt, in het kader van de belangenafweging in redelijkheid hebben kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen.

Voor wat de vrees van verzoekers terzake van het gebruik van de garage betreft overweegt de president dat thans niet is kunnen blijken dat de garage zal worden opgericht voor een ander doel dan waarop de aanvraag om vergunning ziet. Ingeval de garage niettemin echter in gebruik zal worden genomen voor doeleinden die strijdig zijn met wettelijke bepalingen, dan kan verzoeker zich tot verweerders wenden met het verzoek daartegen op te treden.

Verzoeker heeft voorts kanttekeningen geplaatst bij de uiterlijke verschijningsvorm van de garage.

Uit de terzake overgelegde stukken is gebleken dat de welstandscommissie op 19 mei 2000 een positief advies heeft afgegeven. De president acht geen termen aanwezig voor het oordeel dat verweerders bedoeld advies niet hadden mogen volgen. Gelet hierop dient te worden geconcludeerd dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, Ww.

Nu ook overigens niet is kunnen blijken dat het bestreden besluit de rechtmatigheidstoets niet kan doorstaan dient bij afweging van de onderscheiden belangen doorslaggevende betekenis toegekend te worden aan het belang van vergunninghouders.

Het verzoek om voorlopige voorziening dient derhalve te worden afgewezen.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr P.H.M. Smeets als president en in het openbaar door hem uitgesproken

op 3 oktober 2000, in tegenwoordigheid van M.J. 't Hart als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

Afschrift verzonden op: 3 oktober 2000

typ: jb