Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7923

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-10-2000
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
AWB 99/78 WAO V13 AWB 00/284 WAO V13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 97 staat eraan in de weg dat verweerder alsnog terzake van hetzelfde feit het OM heeft verzocht een strafvervolging in te stellen.

Sedert de inwerkingtreding van de Wet boeten is het zogenaamde una via-beginsel vastgelegd. Dit beginsel heeft zijn weerslag gevonden in - onder meer - artikel 97 WAO.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank een keuze gemaakt voor de administratiefrechtelijke weg die, nu de daarbij behorende handelingen zijn verricht, gelet op de geschiedenis van onder meer de totstandkoming van onder meer artikel 97 WAO, als definitief moet worden aangemerkt. Dat het primaire boetebesluit nog niet in rechte onaantastbaar was, doet hieraan niet af. Blijkens de tekst van artikel 97 WAO en de wetsgeschiedenis is het moment van oplegging van de boete immers bepalend.

De omstandigheid dat verweerder achteraf tot de conclusie is gekomen dat de keuze in strijd was met de Richtlijn fraude sociale verzekeringen en de aanbeveling in het opsporingsrapport, leidt evenmin tot een ander oordeel.

Beroep gegrond.

Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

mw.mr. G.Laman

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29d
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2001/21 met annotatie van Karianne Albers, Universiteit Maastricht, Universitair Docent bestuursrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nrs.: AWB 99/78 WAO V13

AWB 00/284 WAO V13

U I T S P R A A K

inzake de geschillen tussen

A te B, eiser,

gemachtigde, mr. J.R. Jonkman, regiojurist in de regio Noord bij de ABVA-KABO te Groningen,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

BESTREDEN BESLUITEN.

A. het besluit op bezwaar van 9 december 1998, nr. 390.001.27

B. het besluit op bezwaar van 11 februari 2000, nr. 390.003.16/ERU

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit A het door eiser ingediende bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 27 augustus 1998, waarbij aan eiser een boete is opgelegd van ¦ 1200,-, gegrond verklaard; tevens heeft verweerder daarbij, onder vermelding dat er sprake is geweest van een evident onjuiste beslissing, het primaire besluit herroepen.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 19 januari 1999 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 18 februari 1999 de op deze zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 maart 1999 heeft eiser van repliek gediend.

Bij brief van 6 mei 1999 heeft eiser de rechtbank een schrijven doen toekomen van de Officier van Justitie van 13 maart 1999, waarin deze mededeelt dat de strafzaak tegen eiser wordt geseponeerd.

Bij primair besluit van 2 november 1999 heeft verweerder eiser opnieuw een boete opgelegd van ¦ 1.200,-; het daartegen door eiser ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit B ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser bij beroepschrift van 23 maart 2000 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 20 april 2000 de op dit geding betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden alsmede een verweerschrift.

Afschriften van de gedingstukken in beide gedingen zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

De geschillen zijn behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 22 september 2000.

Eiser is aldaar in persoon en bij gemachtigde verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.H.J. Gelling.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Feiten.

Eiser, geboren op […] 1949, ontvangt sedert 1 september 1987 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Sedert 12 september 1988 is eiser als chauffeur werkzaam in WSW-verband; in verband met zijn inkomsten uit die arbeid werden zijn uitkeringen laatstelijk onder toepassing van de artikelen 33 AAW en 44 WAO met ingang van 1 augustus 1993 uitbetaald overeenkomstig de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

Nadat verweerder was gebleken dat eiser, naast zijn reguliere inkomsten uit vorenbedoelde arbeid, eveneens inkomsten uit overwerk had genoten, is er naar de omvang van die extra inkomsten een onderzoek ingesteld door de arbeidsdeskundige De Wit, die daarover op 18 maart 1998 heeft gerapporteerd.

Verweerder heeft bij primair besluit van 2 april 1998 de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen herzien en over de periode van 1 oktober 1996 tot 1 oktober 1997 vastgesteld op basis van een ongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij nader primair besluit van 17 april 1998 heeft verweerder de uitbetaling van de uitkering met ingang van 1 januari 1998 beëindigd, omdat eiser per die datum op grond van zijn verdiensten voor minder dan 15% arbeidsongeschikt zou moeten worden geacht.

Verweerder heeft bij primaire besluiten van 12 juni 1998 de aan eiser onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 oktober 1996 tot 1 oktober 1997 ten bedrage van ¦ 8278,63 en over de periode van 1 januari 1998 tot 1 mei 1998 tot een bedrag van ¦ 5569,85, van eiser teruggevorderd.

Eiser heeft tegen de gewijzigde respectievelijk beëindigde uitbetaling van zijn uitkering, noch tegen de terugvorderingsbesluiten een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft de aangelegenheid op 10 juli 1998 bij de Opsporingsdienst Werknemersfraude arbeidsongeschiktheidsuitkering gemeld.

De opsporingsambtenaar van die dienst heeft een onderzoek ingesteld en eiser gehoord. Van dat verhoor is een procesverbaal opgemaakt. Tevens heeft de opsporingsambtenaar op 4 augustus 1998 een rapport uitgebracht, waarin hij heeft geconcludeerd dat door toedoen van eiser teveel uitkering is betaald en dat eiser daarmee een benadelingshandeling heeft gepleegd. Hij heeft verweerder in verband daarmee - onder meer - geadviseerd aangifte te doen bij de Officier van Justitie en geen actie te ondernemen in het kader van de Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid.

Bij brief van 20 augustus 1998 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen eiser in verband met schending van zijn mededelingsverplichting een boete op te leggen van ¦ 1.500,-. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 29b WAO heeft verweerder eiser voorafgaand aan de boeteoplegging in de gelegenheid gesteld daarover zijn zienswijze naar voren te brengen.

Eiser heeft van die gelegenheid op 24 augustus 1998 - telefonisch - gebruik gemaakt.

Bij primair besluit van 27 augustus 1998 heeft verweerder eiser op grond van onder meer de overweging dat er sprake was van een verminderde verwijtbaarheid, een boete opgelegd van ¦ 1.200,-.

Eiser heeft tegen dat besluit op 2 oktober 1998, aangevuld op 20 oktober 1998, een bezwaarschrift ingediend.

Daarbij bestrijdt eiser niet alleen dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan schending van zijn mededelingsverplichting, maar stelt hij zich tevens op het standpunt dat verweerder met het opleggen van een administratieve boete heeft gekozen voor een administratiefrechtelijke afdoening van de eiser verweten gedragingen, zodat het recht van strafvordering voor dezelfde gedragingen ingevolge artikel 97 van de WAO is komen te vervallen.

Bij het bestreden besluit A heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de primaire beslissing herroepen.

Verweerder heeft daarbij overwogen:

- dat ingevolge de Richtlijn fraude sociale uitkeringen van 20 november 1996 bij een benadelingsbedrag als thans aan de orde aangifte moet resp. alsnog zal worden gedaan bij het Openbaar Ministerie (OM);

- dat ingevolge artikel 29d WAO geen boete wordt opgelegd, zolang de gedragingen van betrokkene door het OM worden onderzocht;

- dat er sprake is van een evident onjuiste primaire beslissing en

- dat, nu die primaire beslissing nog niet onherroepelijk is geworden, het bepaalde in artikel 97 WAO nog niet van toepassing is geweest.

Bij beroepschrift van 19 januari 1999 heeft eiser tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij aangegeven dat verweerder, gelet op zijn besluitvorming terzake, een definitieve keuze heeft gemaakt voor een administratiefrechtelijke afdoening en bestreden dat daarop eenzijdig kan worden teruggekomen respectievelijk het recht tot strafvordering zou herleven. Eiser heeft daarbij verwezen naar artikel 97 WAO, dat bepaalt dat het recht tot strafvordering vervalt indien terzake van hetzelfde feit reeds een boete is opgelegd.

Verweerder heeft op 26 januari 1999 met de toezending van het procesverbaal van verhoor van 4 augustus 1998 aangifte gedaan bij het OM.

Bij brief van 13 maart 1999 heeft de Officier van Justitie kennisgegeven van zijn beslissing de strafzaak tegen eiser te seponeren.

Bij brief van 12 november 1999 heeft eiser de rechtbank verzocht het beroep vereenvoudigd af te doen en verweerder overeenkomstig artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten; eiser heeft daarbij aangegeven dat de door verweerder opgelegde administratiefrechtelijke boete ten gevolge van de intrekking van het primaire besluit niet meer bestaat, terwijl bovendien de strafzaak is geseponeerd, zodat met betrekking tot dit geschil het beroep feitelijk tegen niets meer zou zijn gericht.

Bij primair besluit van 2 november 1999 heeft verweerder eiser terzake van dezelfde schending van de mededelingsverplichting opnieuw een boete opgelegd van ¦ 1.200,-.

Het daartegen door eiser ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden besluit B ongegrond verklaard.

Verweerder heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat het bepaalde in artikel 29d WAO impliceert, dat het opleggen van een administratiefrechtelijke boete alsnog mogelijk is, indien het OM - zoals in casu - voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting van strafvervolging heeft afgezien.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de onderwerpelijke boeteoplegging heeft plaats gevonden binnen een jaar nadat het OM op 19 maart 1999 had meegedeeld dat niet tot strafvervolging werd overgegaan, zodat in dit opzicht is voldaan aan het vereiste van artikel 29e WAO.

Eiser kan zich blijkens het beroepschrift niet met dat standpunt van verweerder verenigen en heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, waaronder de kosten van bezwaar; tevens heeft eiser verzocht verweerder overeenkomstig artikel 8:73 Awb te veroordelen in de door eiser geleden schade in de vorm van wettelijke rente.

Beoordeling van de geschillen.

Besluit A.

Verweerder heeft bij besluit A het door eiser ingediende bezwaarschrift gegrond verklaard en het primaire boetebesluit van 27 augustus 1998 herroepen met het kennelijke oogmerk alsnog overeenkomstig de Richtlijn fraude sociale uitkeringen aangifte te doen bij de Officier van Justitie.

De rechtbank stelt voorop dat eiser ter zitting desgevraagd heeft verklaard inmiddels van mening te zijn dat hij nog wel een belang heeft bij vernietiging van het bestreden onderdeel van besluit A.

Vernietiging kan consequenties hebben voor de houdbaarheid van besluit B. Verder heeft eiser gesteld schade te hebben geleden doordat verweerder besluit A heeft genomen.

Gezien het voorgaande is ook de rechtbank van oordeel dat er voor eiser nog een belang resteert bij vernietiging van het bestreden onderdeel van besluit A, ook al heeft het OM de strafzaak tegen eiser geseponeerd. De rechtbank zal dit beroep dan ook inhoudelijk behandelen.

Het beroep van eiser is gericht tegen dat onderdeel van het besluit, waarbij verweerder heeft beslist alsnog tot strafvordering over te gaan.

De rechtbank zal zich in dit geding dan ook beperken tot een beslissing over dat punt van geschil.

Sedert de inwerkingtreding van de Wet boeten is in de WAO het zogenoemde una via-beginsel vastgelegd. Dit beginsel heeft zijn weerslag gevonden in - onder meer - artikel 97 WAO. Op grond van dat artikel vervalt het recht tot strafvordering indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de belanghebbende terzake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.

De rechtbank ontleent met betrekking tot voornoemd beginsel aan de geschiedenis van de totstandkoming van de desbetreffende bepalingen uit de WAO - waaronder artikel 97 - de volgende passage.

"Voor wat betreft de wijze van regeling van de anti-cumulatie van strafsanctie en boete is gekozen voor volledige aansluiting bij de fiscale voorstellen. Daarin is het zgn. una via-beginsel uitgewerkt, hetgeen erop neer komt dat wanneer terzake van gedragingen die zowel strafrechtelijk als administratiefrechtelijk kunnen worden afgedaan eenmaal een keuze voor de ene of de andere weg is gemaakt en de daarbij behorende handelingen zijn verricht, deze als definitief worden aangemerkt; anders gezegd: strafvervolging sluit oplegging van een administratieve boete uit en omgekeerd."

Vaststaat dat verweerder, nadat hij eiser zijn voornemen tot het opleggen van een administatiefrechtelijke boete had kenbaar gemaakt en hem in de gelegenheid had gesteld daarover zijn zienswijze kenbaar te maken, bij zijn besluit van 27 augustus 1998 een zodanige boete heeft opgelegd.

Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank een keuze gemaakt voor de administratiefrechtelijke weg die, nu de daarbij behorende handelingen zijn verricht, gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis, als definitief moet worden aangemerkt. Dat het primaire boetebesluit nog niet in rechte onaantastbaar was, doet hieraan niet af. Blijkens de tekst van artikel 97 WAO en de wetsgeschiedenis is het moment van oplegging van de boete immers bepalend.

De omstandigheid dat verweerder achteraf tot de conclusie is gekomen dat de keuze in strijd was met voornoemde Richtlijn en de aanbeveling in het opsporingsrapport, leidt evenmin tot een ander oordeel. Deze constatering van verweerder maakt de eenmaal gemaakte keuze immers niet minder definitief.

Het hiervoor overwogene betekent dat artikel 97 WAO eraan in de weg stond dat verweerder alsnog terzake van hetzelfde feit het OM verzocht een strafvervolging in te stellen.

Het beroep tegen dat besluit A dient dan ook in zoverre gegrond te worden verklaard, met vernietiging van dat besluit voorzover althans bestreden.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb, tevens te worden bepaald, dat het door eiser betaalde griffierecht ad. ¦ 55,- door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiser wordt vergoed.

Besluit B.

Ingevolge de eerste volzin van artikel 29e, eerste lid, WAO dient een boete te worden opgelegd binnen 1 jaar, nadat de belanghebbende overeenkomstig voornoemd artikel 29b, vierde lid, in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Indien terzake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden vangt krachtens de tweede volzin van eerstgenoemd artikellid de termijn van een jaar aan op de dag na die waarop het OM aan het Landelijk instutuut sociale verzekeringen of aan de betrokken uitvoeringsinstelling heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.

Op grond van het hiervoor overwogene is komen vast te staan dat verweerder niet alsnog had mogen kiezen voor de strafrechtelijke weg door aangifte te doen bij het OM.

De rechtbank stelt verder vast dat besluit A blijkens het hiervoor terzake overwogene in stand is gebleven voor zover daarbij het primaire boetebesluit van 27 augustus 1998 is herroepen.

Dit betekent dat, anders dan waarvan verweerder is uitgegaan, de boete ingevolge voornoemd artikel 29e, eerste lid, WAO diende te worden opgelegd binnen 1 jaar nadat eiser in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

Nu verweerder die gelegenheid aan eiser bij brief van 20 augustus 1998 heeft geboden, en het bij besluit B van 11 februari 2000 gehandhaafde boetebesluit in primo dateert van 2 november 1999, kan de rechtbank tot geen ander oordeel komen dan dat de door verweerder opgelegde boete niet binnen de hiervoren vermelde termijn van 1 jaar tot stand is gekomen.

Dat betekent dat besluit B, alsmede het daarbij gehandhaafde besluit in primo van 2 november 1999, is genomen in strijd met artikel 29e, eerste lid, WAO.

Het beroep tegen dat besluit dient dan ook gegrond te worden verklaard met vernietiging van dat besluit.

Nu op grond van het hiervoor overwogene vaststaat dat ook het primaire besluit van 2 november 1999 niet gehandhaafd kan blijven, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb te bepalen dat dit besluit - onder gegrond verklaring van het door eiser ingediende bezwaarschrift - wordt herroepen.

Nu ook dit beroep gegrond wordt verklaard, dient ook terzake daarvan op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht ad. ¦ 60,-

door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiser wordt vergoed.

Proceskosten.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepszaken bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op ¦ 3.209,40 zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

Het verzoek om schadevergoeding.

Terzake het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand heeft eiser ter zitting desgevraagd verklaard dit verzoek niet langer te handhaven ten einde alsnog overeenkomstig de door verweerder vastgestelde richtlijn een civiele vordering tot vergoeding van deze kosten bij verweerder in te dienen.

Er is dan ook geen grond meer voor beoordeling van dit verzoek.

Ten aanzien van eisers op artikel 8:73, eerste lid, Awb gebaseerde verzoek om veroordeling van verweerder tot vergoeding van de schade - in de vorm van wettelijke rente - die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt.

Met dit verzoek beoogt eiser veroordeling van verweerder tot vergoeding van schade die mogelijk is geleden ten gevolge van het primaire boetebesluit van 27 augustus 1998.

Genoemd artikel 8:73, eerste lid, Awb opent evenwel uitsluitend in geval van gegrondverklaring van het beroep de mogelijkheid voor de rechtbank om een veroordeling als hier aan de orde uit te spreken.

Het primaire boetebesluit van 27 augustus 1998 is door verweerder bij besluit A herroepen. Dit onderdeel heeft eiser in beroep niet bestreden. Van gegrondverklaring van enig beroep op dit punt kan dan ook geen sprake zijn.

Dit betekent dat artikel 8:73, eerste lid, Awb geen grondslag biedt voor een veroordeling tot schadevergoeding als door eiser verzocht.

Het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de gestelde schade moet daarom worden afgewezen.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep tegen het bestreden onderdeel van besluit A gegrond;

- vernietigt besluit A in zoverre;

- verklaart het beroep tegen besluit B gegrond;

- vernietigt besluit B;

- bepaalt dat het primaire besluit van 2 november 1999 wordt herroepen;

- bepaalt dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen eiser het betaalde griffierecht in beide beroepszaken ten bedrage van achtereenvolgens ¦ 55,- en ¦ 60,- dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, welke zijn vastgesteld op ¦ 3.209,40, en bepaalt dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen eiser deze kosten dient te betalen;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mw. mr. G. Laman, rechter en in het openbaar door haar uitgesproken

op 11 oktober 2000, in tegenwoordigheid van H.H. Janssens als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op: 11 oktober 2000

typ: jb Bijlage: staat van kosten