Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7899

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
070268-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

parketnummer: 070268-99

datum uitspraak: 26 oktober 2000

op tegenspraak

raadsman: mr. P.H. Doedens

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [adres] op [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in HvB te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 juli 1999, 26 oktober 1999, 18 januari 2000, 4 april 2000, 8 juni 2000, 31 augustus 2000 en 12 oktober 2000.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij op of omstreeks 23 april 1999 in de gemeente Groningen opzettelijk en al

dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heef verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met een vuurwapen een kogel afgevuurd op die [slachtoffer], althans met een

vuurwapen een kogel afgevuurd op het hoofd van die [slachtoffer], waarbij het

hoofd van die [slachtoffer 1] door een kogel werd getroffen, ten gevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 april 1999 in de gemeente Groningen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en al

dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel

afgevuurd op die [slachtoffer 2], althans met een vuurwapen een kogel afgevuurd op

het lichaam van die [slachtoffer 2], waarbij een schouder/schouderstreek van die

[slachtoffer 2] door een kogel werd getroffen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 23 april 1999 te Groningen een of meer wapens van categorie

III, te weten een pistool, en/of munitie van categorie III, te weten een of

meer kogels, heeft gedragen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 23 april 1999 in de gemeente Groningen opzettelijk en al

dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met een vuurwapen een kogel afgevuurd op die [slachtoffer], althans met een

vuurwapen een kogel afgevuurd op het hoofd van die [slachtoffer], waarbij het

hoofd van die [slachtoffer 1] door een kogel werd getroffen, ten gevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 23 april 1999 in de gemeente Groningen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en al

dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel heeft

afgevuurd op die [slachtoffer 2], althans met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op

het lichaam van die [slachtoffer 2], waarbij een schouder/schouderstreek van die

[slachtoffer 2] door een kogel werd getroffen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 23 april 1999 te Groningen een of meer wapens van categorie

III, te weten een pistool, en/of munitie van categorie III, te weten een of

meer kogels, heeft gedragen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

KWALIFICATIE

Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert de volgende strafbare feiten op:

1. Doodslag.

2. Poging tot doodslag.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan door het dragen van een vuurwapen van categorie III.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Toerekeningsvatbaarheid

Voor de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte beschikt de rechtbank over een drietal rappor-ten van C.J.M. Vredeveld, zenuwarts te Zwolle en een rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht en voorts over de verklaringen van C.J.M. Vredeveld voornoemd, afgelegd op de terechtzittingen van 18 januari 2000 en 12 oktober 2000 en de verklaring van J.H. van Renesse, psychiater verbonden aan het Pieter Baan Centrum afgelegd op de terechtzitting van 12 oktober 2000.

Voormelde rapporten van C.J.M. Vredeveld houden onder meer in:

"Er is bij verdachte geen grove psychopathologie in de zin van psychosen, depressieve stemmings-stoornis-sen, dissociatie, angst- of dwanggebonden pathologie waar te nemen. Wel zijn er anamnestische symptomen van een posttraumatische stress-stoornis en acute stress-stoornissen waar te nemen in de vorm van slaapstoornissen, overmatige waakzaamheid, schrikreacties, prikkelbaarheid en motorische rusteloosheid. Daarnaast terugkerende herinneringsbeelden aan het vroeger doorgemaakte trauma van het doodgeschoten worden van zijn broer. Bij dit alles speelde de herhaalde bedreiging steeds opnieuw een reactiverende rol."

"De biografische anamnese, het dossier, alsook de gespreks- en onderzoeksindrukken geven geen aanleiding tot het veronderstellen van een specifieke of algemene persoonlijkheidsgestoordheid van betrokkene. Hij maakt integendeel de indruk voorheen een intelligente, op aanpassing en integratie in de Nederlandse samenleving gerichte man te zijn geweest, die door de gebeurtenissen toenemend in een positie van bedreiging, machteloosheid en uitzichtloosheid is geraakt."

Het rapport van het Pieter Baan Centrum vermeldt onder meer:

"Betrokkene komt overwegend naar voren als een tenminste gemiddeld intelligente man met afhankelijke trekken. De identiteit is zwak ontwikkeld terwijl het zelfgevoel kwetsbaar is. Dit alles valt echter te duiden binnen het normaal neurotische spectrum. Er is derhalve geen sprake van psychische stoornissen in engere zin of van persoonlijkheidspathologie."

"Betrokkene neigt ertoe zijn onlustgevoelens te rationaliseren. Hij kan zijn angsten en spanningen doorgaans bestrijden door ze te verdringen dan wel de gevoelens logisch betekenis te geven, waardoor de onlust van deze gevoelens afneemt. Betrokkene kan vooral ook steunen op deze afweer doordat zijn logisch redenerend vermogen en inherente analytisch synthetische vaardighe-den relatief sterk ontwikkeld zijn."

"Het ten laste gelegde feit valt vooral te beschouwen als uitvloeisel van een lange reeks van bedreigingen, -waardoor betrokkene steeds meer onder druk kwam te staan."

Als conclusie: "In antwoord op de vraag betreffende de toerekeningsvatbaarheid concluderen de ondergete-kenden dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten niet lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijk stoornis van zijn geestvermogens, zodat deze feiten, indien bewezen, hem geheel kunnen worden toegerekend."

De rechtbank neemt de conclusie van het rapport van het Pieter Baan Centrum, zoals hiervoor vermeld, over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte met betrekking tot het bewezenverklaarde volledig toerekeningsvatbaar is.

(Putatieve) noodweer(exces)

De raadsman heeft gesteld dat verdachte handelde in noodweer, dan wel putatieve noodweer of noodweer-exces.

Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte handelde en mocht handelen ter noodzakelijke verdediging tegen een (vermeend) onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding van zijn leven en dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende komen vast te staan, voor zover hier van belang.

Op 23 april 1999 kreeg verdachte in zijn zaak bezoek van de beide latere slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Na een heftige discussie in de keuken van de zaak verlaat verdachte de keuken, voorafgegaan door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Op dat moment was er nog geen sprake van een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Toen ook had verdachte de keuze de mannen te volgen of te besluiten in de keuken te blijven. Verdachte heeft ervoor gekozen de mannen achterna te gaan. In het bargedeelte van het café heeft [slachtoffer 1] vervolgens, volgens de lezing van verdachte, een beweging gemaakt die verdachte naar zijn wapen deed grijpen en schieten. Nu verdachte niet in de keuken is gebleven, waar hij zich had kunnen onttrekken aan een actie van een van de latere slachtoffers, kan hij zich niet meer met vrucht beroepen op noodweer. In de keuken is het immers gebleven bij een (heftige) woordenwisseling. Overigens is uit het dossier niet gebleken dat verdachte in de keuken ervan uitging dat [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] een wapen had.

Bij dit alles neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte gedurende het bezoek van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zelf wel een vuurwapen aanwezig had tussen de broeksband, zodat het in zoverre ook aan hemzelf kan worden verweten dat het tot een schietincident is gekomen.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen. Nu geen sprake is van noodweer zal de rechtbank het beroep op noodweerexces eveneens verwerpen.

Psychische overmacht

Voorts heeft de raadsman gesteld dat verdachte ten tijde van het schietincident handelde in een ogenblik-kelijke gemoedsopwelling die werd veroorzaakt door een reeks van van buiten komende gebeurtenissen, waardoor verdachte in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet anders kon of behoorde te handelen dan hij toen heeft gedaan. Ten tijde van het delict was de vrijheid van wilsbepaling van de zijde van verdachte uitgesloten.

Naast hetgeen de rechtbank hiervoor met betrekking tot noodweer(exces) omtrent de feitelijke gang van zaken heeft gerelateerd, overweegt de rechtbank dat ter zitting voorts het volgende is komen vast te staan.

Verdachte is gedurende de tijd dat hij café [naam café] exploiteerde herhaaldelijk benaderd door personen die connecties hadden met de PKK. Verdachte voelde zich door het optreden van deze personen, waaronder de (latere) slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], dermate bedreigd dat hij zich meer dan eens tot de politie heeft gewend en uiteindelijk ook aangifte heeft gedaan. Op enig moment in die periode heeft verdachte, tijdens een bezoek van die personen, gezien dat één van hen een (vuur)wapen bij zich droeg. Op de dag van het delict, toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich in verdachte's café vertoonden, heeft verdachte uiteindelijk, mede onder invloed van een reeds gedurende lange tijd door hem als bedreigend ervaren situatie, een vuurwapen getrokken en daarmee geschoten in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Al deze omstandigheden in hun geheel bezien zijn zodanig dat die in beginsel tot psychische overmacht kunnen leiden.

De rechtbank is, bezien vanuit hetgeen feitelijk is komen vast te staan, in onderling verband en samenhang met hetgeen uit het rapport van het Pieter Baan Centrum en de rapporten van C.J.M. Vredeveld en verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting is gesteld, van oordeel dat de van buiten komende druk zo groot was geworden, dat, mede gelet op de persoonlijkheid van verdachte, onder de gegeven omstandig-heden kan worden gezegd dat mogelijk verdachte's vrijheid om zijn wil te bepalen was aangetast. Echter, gelet op de conclusie van het Pieter Baan Centrum en de verklaring van de deskundige J.H. van Renesse ter terechtzit-ting, waar hij verklaart dat het (psychische) weerstandsvermogen van verdachte niet ernstig is aangetast of verzwakt en dat verdachte's draagkracht, gelet op diens levensverhaal en ontwikkeling normaal moet worden geacht, oordeelt de rechtbank dat verdachte's wilsvrijheid nog wel zodanig groot was dat de hiervoor geschetste omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is geweest van psychische overmacht. De rechtbank betrekt voorts in haar oordeel het eerder genoemde feit dat verdachte een vuurwapen bij zich droeg.

De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op psychische overmacht.

Wel zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met voormelde omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank sterk strafverminderend werken.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte ook overigens geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

MOTIVERING STRAF

Bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a) - de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de vordering van de officier van justitie;

b) de persoon van de verdachte, zoals naar voren gekomen uit:

- het onderzoek op de terechtzittingen d.d. 29 juli 1999, 26 oktober 1999, 18 januari 2000, 4 april 2000, 8 juni 2000, 31 augustus 2000 en 12 oktober 2000;

- de inhoud van een uittreksel uit het algemeen documentatieregister omtrent verdachte d.d. 26 april 1999. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van soortgelijke feiten;

- het over de verdachte door de Stichting Reclassering Nederland te Groningen uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 20 juli 1999;

- het over de verdachte door C.J.M. Vredeveld, zenuwarts te Zwolle uitgebrachte voorlichtingsrap-port d.d. 12 oktober 1999;

- het over de verdachte door C.J.M. Vredeveld voornoemd, uitgebrachte voorlichtingsrap-port d.d. 22 oktober 1999;

- het over de verdachte door C.J.M. Vredeveld voornoemd, uitgebrachte voorlichtingsrap-port d.d. 13 december 1999;

- het multidisciplinaire onderzoeksrapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht d.d. 17 mei 2000.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat sprake is van zeer ernstige strafbare feiten, als gevolg waarvan een persoon het leven heeft verloren en een ander gewond is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel een langdurige vrijheidsstraf op zijn plaats is. In dit geval acht de rechtbank echter ook de volgende omstandigheden van belang bij het bepalen van de strafmaat: verdachte is sinds hij een cafébedrijf is begonnen meerdere malen geconfronteerd met meer of minder ernstige bedreigingen met geweld, verdachte voelde zich niet onvoorwaardelijk serieus genomen door de politie en verdachte voelde zich door deze bedreigingen en de houding van politie in toenemende mate gestresst en angstig.

De rechtbank zal dan ook een aanmerkelijk lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

ONTTREKKING AAN HET VERKEER

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een pistool, merk Walther nr. AN4899, 4 hulzen en 4 kogels, moet worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van

deze voorwerpen zijn begaan.

VORDERING VAN DE BENADEELDE PARTIJ

Feit 2

Als benadeelde partij heeft zich voor de terechtzitting schriftelijk in het strafproces gevoegd [benadeelde partij], wonende te Groningen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij niet van zodanig eenvoudige aard, dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding, aangezien de hoogte van de totale schade, gelet op de toelichting in de vordering, niet eenvoudig is vast te stellen en de vordering namens verdachte is betwist.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangege-ven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd, die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

een pistool, merk Walther nr. AN4899, 4 hulzen en 4 kogels.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te Groningen, in de vordering niet-ontvanke-lijk. Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. Wieland, voorzitter, Houtman en Sekeris, in tegenwoordigheid van Van der Ploeg als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2000.