Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7894

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-05-2000
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/389 BELEI V03
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 00/389 BELEI V03

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker 1 en 2], wonende te [woonplaats], verzoekers, gemachtigde: mr R.C. van den Berg,

ten aanzien van het besluit van 20 april 2000, nr. 100115536, van

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder, gemachtigde: mr M.F. Abbekerk,

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 20 april 2000, nr. 100115536, aan verzoekers medegedeeld dat zij met ingang van 20 april 2000 geen aanspraak meer kunnen maken op opvang in een opvangcentrum. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat verzoekers het vertrekcentrum per ommegaande, doch uiterlijk binnen drie dagen dienen te verlaten en dat in geval verzoekers daartoe niet overgaan een ontruimingsprocedure zal worden gestart.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) hebben verzoekers op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, bij schrijven gedateerd 21 april 2000, een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van gelijke datum hebben verzoekers de president gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de hen geboden opvang wordt gecontinueerd totdat op het bezwaarschrift is beslist. Bij brief van 2 mei 2000 hebben verzoekers de gronden van hun verzoek ingediend. Zij hebben daarbij verzocht de Raad voor de Kinderbescherming ex artikel 8:26 Awb op te roepen als belanghebbende en als partij aan het geding deel te laten nemen.

Verweerder heeft op 3 mei 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Op 18 mei 2000 hebben verzoekers een aantal nadere stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen zelf ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 23 mei 2000.

Verzoekers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, eerdergenoemd, en mr G. Turksema.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Feiten.

Verzoekers, van gestelde Armeense nationaliteit, zijn op 21 januari 1995 Nederland ingereisd. Zij hebben een aanvraag om toelating als vluchteling alsmede om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Zij hebben daarbij geen reisdocumenten overgelegd.

Bij besluit van 15 februari 1995 heeft de Staatssecretaris van Justitie afwijzend beslist op de aanvragen. Deze beslissingen zijn onherroepelijk geworden.

Op 21 februari 1997 hebben verzoekers, onder andere personalia en gestelde Iraakse nationaliteit, voor de tweede maal een aanvraag om toelating als vluchteling alsmede om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Zij hebben daarbij geen reisdocumenten overgelegd. Bij besluit van 22 februari 1997 heeft de Staatssecretaris van Justitie afwijzend beslist op de aanvragen. Deze beslissingen zijn onherroepelijk geworden. De Staatssecretaris van Justitie heeft, laatstelijk op 22 februari 1997, aan de vreemdelingendienst een last tot uitzetting verstrekt.

Bij het thans bestreden besluit van 20 april 2000 heeft verweerder besloten de verstrekkingen aan verzoekers in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna: Rva) te beëindigen. Daarbij heeft verweerder vermeld dat verzoekers vanaf die datum geen aanspraak meer kunnen maken op opvang in een opvangcentrum, dat hen op die grond de toegang tot het vertrekcentrum te [woonplaats] wordt ontzegd en dat de ontruiming zal worden gevorderd indien verzoekers het vertrekcentrum niet binnen drie dagen hebben verlaten.

Verzoekers hebben tegen het besluit van 20 april 2000 bezwaar gemaakt en het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Ten aanzien van het verzoek de Raad voor de Kinderbescherming op te roepen.

Verzoekers hebben bij brief van 2 mei 2000 de president verzocht de Raad voor de Kinderbescherming op te roepen om als belanghebbende partij aan het geding deel te kunnen nemen.

De president stelt vast dat de Raad voor de Kinderbescherming door verweerder op 11 april 2000 is ingelicht over het beëindigen van de vertrekprocedure en daaruit voortvloeiend het beëindigen van de verstrekkingen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in de mededeling dat de verstrekkingen zullen worden beëindigd echter geen aanleiding gezien tot het ondernemen van actie. De president is in verband hiermede van oordeel dat de raad voor de Kinderbescherming terzake van bestreden besluit niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, Awb, dient te worden aangemerkt. Voor het oproepen van de Raad voor de Kinderbescherming acht de president onder vorengeschetste omstandigheden geen aanleiding.

Beoordeling van het verzoek.

De Rva voorziet in de opvang van asielzoekers die niet beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De opvang omvat de in artikel 5, tweede lid, Rva, genoemde verstrekkingen, waaronder zijn begrepen onderdak, voeding en kleed- en zakgeld. Op grond van artikel 8, eerste lid, onder b, Rva, eindigt de opvang van een asielzoeker in een centrum indien een last tot uitzetting is gegeven en hij ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de plaatselijke politie Nederland dient te verlaten. De opvang eindigt in dat geval op de dag waarop hij Nederland dient te verlaten.

Het staat vast dat aan verzoekers, laatstelijk op 22 februari 1997, een dergelijke last tot uitzetting is gegeven. Vanaf dat moment hebben zij derhalve geen recht meer op verstrekkingen op grond van de Rva.

Verzoekers hebben geen gevolg gegeven aan de lastgeving om Nederland te verlaten. Zij zijn op 1 februari 1999 overgeplaatst naar het vertrekcentrum in [woonplaats], ter voorbereiding op hun vertrek uit Nederland. De aan verzoekers toegekende verstrekkingen die thans in geschil zijn, waaronder de hen geboden huisvesting in het vertrekcentrum, vinden hun grondslag derhalve niet in de Rva, doch vloeien voort uit het beleid van verweerder om de verstrekkingen aan uitgeprocedeerde documentloze asielzoekers niet te beëindigen in afwachting van het verkrijgen van reisdocumenten. Genoemd beleid wordt gevoerd in afwijking van artikel 8, eerste lid, onder b, van de Rva en heeft als zodanig een uitzonderingkarakter: verzoekers krijgen meer dan waarop zij ingevolge de Rva recht hebben. Het toekennen van dergelijke buitenwettelijke verstrekkingen is begunstigend van aard en beslissingen daaromtrent dienen derhalve terughoudend te worden getoetst. Het beleid komt de president in zijn algemeenheid niet onrechtmatig voor.

Het besluit van verweerder om de verstrekkingen te beëindigen is gebaseerd op de rapportage van de Immigratie-en naturalisatiedienst (IND) van 21 mei 1999, waarbij de vertrekprocedure is beëindigd. In dit rapport wordt onder meer geconcludeerd dat verzoekers onvoldoende medewerking met betrekking tot hun vertrek uit Nederland hebben verleend.

Als vaststaand wordt aangenomen dat verzoekers zonder te beschikken over geldige reispapieren Nederland zijn binnen gekomen. Ter zitting is namens verzoekers betoogd dat verzoekers door hun reisagent gedwongen werden hun papieren te vernietigen. Wat daarvan ook zij, het is aan verzoekers om hun identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken.

Verzoekers zijn door de IND daartoe in de gelegenheid gesteld. Van belang in dit kader is dat daartoe een stappenplan is ontwikkeld, waarin een aantal stappen is beschreven waarmee beoogd wordt reisdocumenten te verkrijgen voor documentloze uitgeprocedeerde asielzoekers. Het stappenplan is gebaseerd op artikel 3.3 van de Regeling beëindiging ROA verstrekkingen documentloze asielzoekers van 24 oktober 1994, welke regeling naar analogie wordt toegepast. In het stappenplan is een aantal

stappen opgenomen waarbij uitdrukkelijk de medewerking van betrokkenen wordt verlangd. De president is van oordeel dat verzoekers ruimschoots in de gelegenheid zijn gesteld hun identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken en reisdocumenten te verkrijgen.

Verzoekers hebben gesteld dat zij wel degelijk in voldoende mate, gelet op hetgeen in redelijkheid van hun gevergd kan worden, hebben meegewerkt aan hun eigen verwijdering naar Armenië, doch dat het voor hun feitelijk onmogelijk is een laissez-passer bij de Armeense ambassade te verkrijgen daar zij beiden niet over een hiervoor vereiste geboorteakte beschikken.

Het staat vast dat verzoekers op basis van de door hen verstrekte gegevens geen vervangende reisdocumenten hebben verkregen. Uit de verslagen van de op 5 en 17 februari 1999, 3, 4, 19, 23 en 31 maart 1999, 7, 8 en 26 april 1999 afgenomen interviews blijkt dat verzoekers hebben geweigerd mee te werken aan de vaststelling van hun identiteit en nationaliteit, dat verzoekers herhaaldelijk hebben verklaard niet terug te willen keren naar Armenië danwel Irak en dat zij in Nederland willen blijven. Tevens hebben verzoekers te kennen gegeven dat zij geen gebruik willen maken van het gefaciliteerde terugkeerprogramma van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Voorts hebben zij geen gegevens verstrekt die tot vaststelling van hun identiteit en nationaliteit zouden kunnen leiden en hebben ze zelf geen initiatieven ontplooid ter verkrijging van relevante documenten.

De omstandigheid dat -naar verzoekers stellen- het wél meewerken niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid is speculatief, en doet daarenboven niet af aan het feit dát verzoekers niet hebben voldaan aan hun inspanningsverplichting. Voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre, verzoekers hebben voldaan aan hun inspanningsverplichting, is niet het resultaat doorslaggevend, maar de mate waarin verzoekers zich hebben ingespannen.

Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat het COA niet op inhoudelijke gronden tot het bestreden besluit is gekomen, maar dat het besluit om politiek/beleidsmatige redenen is genomen nu het VC [woonplaats] ophoudt te bestaan. Verweerders hebben dit bestreden. Anders dan verzoekers is de president van oordeel dat verweerders wel degelijk op inhoudelijke gronden tot het thans bestreden besluit is gekomen. Concluderend dat verzoekers geen, althans onvoldoende, medewerking hebben verleend aan het verkrijgen van de benodigde reis- en identiteitsdocumenten ten behoeve van hun terugkeer, heeft verweerder immers besloten het verstrekken van voorzieningen te staken.

Voorts zijn verzoekers van mening dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden aangezien de tweelingbroer van verzoeker, met zijn gezin, wel is teruggeplaatst naar een regulier opvangcentrum. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat de broer van verzoeker, genaamd [broer], met zijn echtgenote is teruggeplaatst naar het AZC […] omdat de echtgenote van [broer] een vergunning tot verblijf heeft aangevraagd voor medische behandeling in Nederland. [broer] heeft om die reden een vergunning tot verblijf bij zijn echtgenote gedurende die behandeling aangevraagd. Om die reden heeft de IND het Bureau Medische Advisering om advies gevraagd over de gezondheidstoestand van de echtgenote van [broer], en is hun vertrek opgeschort en zijn zij naar de reguliere opvang overgeplaatst.

Met verweerder is de president van oordeel dat de situatie van verzoekers niet gelijk is aan die van hun familieleden, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel dient te falen.

Verzoekers hebben voorts gesteld dat zij, gelet op de tijdspanne die ligt tussen het tijdstip van de beëindiging van de vertrekprocedure (21 mei 1999) en het thans bestreden besluit (van 20 april 2000) erop mochten vertrouwen dat het COA geen gevolg zou geven aan de beëindiging van de vertrekprocedure door de IND. Zij zijn van mening dat zij gelet op de duur van deze periode teruggeplaatst hadden dienen te worden naar de reguliere opvang.

De president deelt deze mening niet. Uit de terzake overgelegde stukken blijkt geenszins dat verweerder heeft willen afzien van het beëindigen van de voorzieningen, terwijl, naar namens verweerder ter zitting is gesteld het zolang heeft geduurd teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen over de medische toestand van verzoekers dochter, en verzoekers in de gelegenheid te stellen alsnog mee te werken. De president is van oordeel dat verweerder niet tegengeworpen kan worden dat hij om deze redenen heeft gewacht met het nemen van het thans bestreden besluit.

Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat verweerder gelet op hun medische toestand niet tot het thans bestreden besluit heeft kunnen komen.

Verweerder heeft dit bestreden, en heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de president van 6 juli 1999, nr. AWB99/203 BELEI e.v., dienaangaand gesteld dat in casu geen sprake is van een medische noodsituatie.

De president stelt vast dat verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit (logischerwijs) heeft gebaseerd op de medische gegevens, zoals die op dat moment bij hem bekend waren. Verweerder heeft op grond daarvan geconcludeerd dat de medische situatie van verzoekster, en die van haar dochter [dochter], geen aanleiding gaven tot het trekken van de conclusie dat sprake is van een acute medische noodsituatie indien de voorzieningen worden beëindigd.

Uit, na het nemen van het bestreden besluit, bekend geworden stukken -brieven van 9 en 15 mei 2000 van de Medische Opvang Asielzoekers Noord-Nederland- is echter gebleken, voor zover hier thans van belang, dat buiten de bij verweerder bekend zijnde medische klachten van verzoekster en haar dochter [dochter], verzoekster voorts lijdt aan psychische klachten in de vorm van hoofdpijn, slaapstoornissen en hyperventilatie, waarvoor zij medicamenteus (Seroxat, een antidepressivum) en met behulp van steunende contacten twee tot drie keer per maand door verpleegkundigen wordt behandeld. Voorts wordt verzoeker vanwege depressieve klachten behandeld met het antidepressivum Remeron.

Verweerder was bij het nemen van het bestreden besluit niet op de hoogte van vorenbedoelde klachten en heeft zich dienaangaand (dan ook) niet laten adviseren door het Bureau Vreemdelingenadvisering van het Ministerie van Justitie.

De president is, gelet op de aard van de klachten van verzoekers, van oordeel dat thans in onvoldoende mate inzichtelijk is of sprake zal zijn van een acute medische noodsituatie indien het verstrekken van de voorzieningen die verzoekers thans ontvangen wordt beëindigd.

Verzoekers hebben gesteld dat het beëindigen van de verstrekkingen, aangezien zij drie minderjarige kinderen hebben, in strijd is met het Verdrag voor de Rechten van het Kind. De president overweegt dienaangaand dat op grond van de verdragsbepalingen van het Verdrag de overheid, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, gehouden kan zijn zorg te dragen voor het levensonderhoud en het welzijn van kinderen. Echter, uit deze zorgplicht volgt niet per definitie dat op verweerder, bij beëindiging van het verstrekken van de voorzieningen aan verzoekers, een rechtsplicht rust om te voorzien in de opvang, voeding en huisvesting van de minderjarige kinderen van verzoekers. Immers, op verzoekers rust de plicht Nederland te verlaten zodat er van uit mag worden gegaan dat de kinderen van verzoekers, gelet op hun leeftijd verzoekers zullen volgen.

Thans is echter, gezien de medische klachten van verzoekers, niet duidelijk wat de gevolgen zullen zijn voor de kinderen van verzoekers indien de verstrekking worden gestaakt, c.q. of verzoekers bereid en in staat zullen zijn op een verantwoorde wijze voor hun kinderen te zorgen, en of al dan niet het beëindigen van de verstrekkingen tot een situatie leidt die bedreigend is voor de kinderen van verzoekers.

Zonder nader medisch advies terzake van de mogelijke gevolgen voor verzoekers en hun kinderen indien tot beëindiging van het verstrekken van voorzieningen wordt overgegaan is naar het oordeel van de president dan ook niet duidelijk of het bestreden besluit in de daartegen door verzoekers aangespannen procedure in stand zal kunnen blijven.

Hoewel de president van oordeel is dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de IND betreffende de (onvoldoende) medewerking van verzoekers bij de vaststelling van hun identiteit en het verkrijgen van de benodigde documenten, is de president op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden de bezwaarschriftprocedure de bij uitstek geëigende procedure is om de voor de beoordeling van deze zaak vereiste duidelijkheid te verkrijgen.

Onder deze omstandigheden kent de president doorslaggevende betekenis toe aan het belang dat verzoekers hebben bij continuering van de hun geboden opvangvoorzieningen hangende de behandeling van het door hun bij verweerder ingediende bezwaarschrift.

Het verzoek om voorlopige voorziening komt dan ook in die zin voor inwilliging in aanmerking.

Nu aan het verzoek tegemoet wordt gekomen bestaat er aanleiding om op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat het door verzoekers betaalde griffierecht ad f 225,00 door het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers aan verzoekers wordt vergoed.

De president acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:84, vierde lid, Awb, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken en wijst het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de president deze kosten op f 1.464,80, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

schorst het besluit van het bestuur van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers van 20 april 2000, nr. 100115536, totdat verweerder heeft beslist op het daartegen door verzoekers ingediende bezwaarschrift;

bepaalt dat het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers verzoekers het betaalde griffierecht ad f 225,00 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers, welke zijn vastgesteld op f 1.464,80 en bepaalt dat het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers verzoeker deze kosten moet betalen.

Aldus gegeven door mr P.J.W.M. Vermeulen als president en in het openbaar door hem uitgesproken op 23 mei 2000, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, wnd.

De president, fgd.

Verzonden op 26 mei 2000 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.