Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7034

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/387 WRO19 V03 AWB 00/388 WRO19 V03
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nrs.:

AWB 00/387 WRO19 V03

AWB 00/388 WRO19 V03

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb in het geschil tussen

[7 verzoekers], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr H.W. Knottenbelt,

ten aanzien van het besluit van 17 april 2000, nr. 1639, van

burgemeester en wethouders van Bellingwedde, verweerders,

gemachtigde: R. Kampyon.

1. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 17 april 2000, nr. 1639, hebben verweerders het door verzoekers tegen hun besluit van 22 december 1999, waarbij zij [vergunninghouder] (hierna te noemen: vergunninghouder) te [plaats], vergunning hebben verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte en receptie/berging op het perceel [adres] te [plaats], ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) hebben verzoekers bij brief van 20 april 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB00/387 WRO19 G.

Bij verzoekschrift van gelijke datum hebben verzoekers de president gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb, zijn vergunninghouder en gedeputeerde staten van Groningen in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Verweerders hebben op 28 april 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 4 mei 2000.

Voor verzoekers zijn aldaar mr H.W. Knottenbelt en L.A. van Wijk, voornoemd, verschenen.

Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door R. Kampyon.

Tevens zijn ter zitting verschenen vergunninghouder en zijn echtgenote, bijgestaan door hun gemachtigde mr T. ter Brugge.

Gedeputeerde staten van Groningen hebben zich, zonder bericht van verhindering, niet doen vertegenwoordigen.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, kan de president, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Partijen zijn op de voet van artikel 8:86, tweede lid, Awb, bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Feiten.

Verweerders hebben bij besluit van 22 december 1999 vergunninghouder vergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte en receptie/berging op het perceel [adres] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Bij verzoekschrift van 27 januari 2000 hebben verzoekers de president gevraagd met betrekking tot het besluit van verweerders van 22 december 1999 een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de verleende bouwvergunning wordt geschorst.

Na een daartoe op 28 februari 2000 gehouden zitting heeft de president bij uitspraak van gelijke datum, nr. AWB 00/132 WRO19 V03, het besluit van verweerders van 22 december 1999 geschorst totdat door verweerders op het bezwaarschrift is beslist. De president heeft daartoe overwogen dat het voorbereidingsbesluit waarop geanticipeerd wordt thans is verlopen, terwijl het niet vaststaat dat de gemeenteraad een nieuw voorbereidingsbesluit zal nemen.

Bij het thans bestreden besluit hebben verweerders, onder overweging dat de gemeenteraad op 9 maart 2000 een nieuw voorbereidingsbesluit heeft genomen, het bezwaarschrift van verzoekers ongegrond verklaard.

Beoordeling van het verzoek.

Op 3 april 2000 is onder meer de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302; hierna Wijzigingswet) in werking getreden. Voorts is als gevolg hiervan met ingang van eerstgenoemde datum een aantal artikelen in de Woningwet gewijzigd.

Op grond van artikel VI, eerste lid, van de Wijzigingswet blijft ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO en om bouwvergunning ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden.

Vergunninghouder heeft op 6 april 1999 vergunning gevraagd voor de bouw van een winkel en receptie/berging op het perceel [adres] te [plaats], kadastraal bekend, gemeente [gemeente], sectie […], nr.[..].

Verweerders hebben bij besluit van 22 december 1999, na daartoe verkregen verklaringen van geen bezwaar van gedeputeerde staten van Groningen, de gevraagde vergunning verleend met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet (Ww), de zogenaamde anticipatieprocedure. Bij het thans bestreden besluit van 17 april 2000 hebben verweerders de tegen dit besluit ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Het staat vast dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan Uitbreidingsplan in Onderdelen Veelerveen.Wel was voor het gebied waarin het onderhavige perceel is gelegen een voorbereidingsbesluit van kracht. Het voorbereidingsbesluit is door de gemeenteraad van Bellingwedde vastgesteld in zijn vergadering van 28 januari 1999 en is in werking getreden op 29 januari 1999.

In verband daarmee hebben verweerders de aanvraag van vergunninghouder van 6 april 1999 om een bouwvergunning op de voet van artikel 46, derde lid, laatste volzin, Ww, tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, WRO.

Verweerders hebben op 26 januari 1999 besloten voor dit bouwplan toepassing te geven aan artikel 19a, derde tot en met elfde lid, WRO.

Het bouwplan heeft van 24 juni 1999 tot en met 8 juli 1999 ter inzage gelegen.

De terinzagelegging is bekend gemaakt op 24 juni 1999.

Bij brief van 7 september 1999 hebben verweerders gedeputeerde staten van Groningen gevraagd verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, WRO en 50, vijfde lid, Ww, af te geven.

Gedeputeerde staten hebben de gevraagde verklaringen afgegeven bij besluit van 30 november 1999.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, WRO, kunnen burgemeester en wethouders voor het gebied, waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt, of een ontwerp voor de herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits vooraf door gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar is afgegeven.

De gemeenteraad van Bellingwedde heeft in zijn vergadering van 28 januari 1999 voor het betrokken gebied een voorbereidingsbesluit vastgesteld. Het voorbereidingsbesluit heeft op grond van het bepaalde in artikel 21, vierde lid, WRO, een werkingsduur van één jaar en de inwerkingtreding is bepaald op 29 januari 1999. In zijn openbare vergadering van 9 maart 2000 heeft de gemeenteraad andermaal een op het betrokken gebied betrekking hebbend voorbereidingsbesluit genomen. Dit voorbereidingsbesluit is op 21 maart 2000 in werking getreden.

Het thans bestreden besluit is genomen op 17 april 2000. Op dat moment was het op 9 maart 2000 genomen voorbereidingsbesluit van kracht en werd voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het volgen van de anticipatieprocedure.

Voor zover verzoekers van mening zijn dat door het volgen van de anticipatieprocedure de waarborgen waarmee de bestemmingsplanprocedure is omkleed hun thans worden onthouden, is de president van oordeel, welk oordeel mede is gebaseerd op de jurisprudentie ter zake, niet op zichzelf reeds leidt tot inwilliging van het verzoek om voorlopige voorziening, nu de wetgever uitdrukkelijk de mogelijkheid van anticipatie op de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan heeft geopend.

De bevoegdheid om vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het van kracht zijnde bestemmingsplan is gegeven voor situaties waarin de totstandkoming van het bestemmingsplan waarop wordt vooruit gelopen redelijkerwijs niet kan of behoeft te worden afgewacht en daartegen geen overwegende bezwaren bestaan.

De mate van de te verlangen spoedeisendheid van het project is afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime alsmede van de planologische uitstraling die het project op de omgeving heeft. Naarmate de ingreep zwaarder is, doet het belang van de bijzondere waarborgen waarmee de wetgever de gewone planprocedure heeft omgeven zich sterker gelden. Met dat kader zijn immers de voorwaarden geschapen voor een zo goed en evenwichtig mogelijke beoordeling van de door het gemeentebestuur beoogde planologische ontwikkeling en van de daarbij betrokken belangen.

Ook aan het planologische kader waarop vooruit wordt gelopen in de anticipatieprocedure, dienen zwaardere eisen te worden gesteld naarmate de ingreep op de bestaande situatie ernstiger is. Bij die eisen gaat het zowel om de inhoud en de reikwijdte van de desbetreffende stukken als om het karakter en het gewicht van de besluitvorming die daaromtrent heeft plaatsgevonden. Er dient voldoende draagvlak te zijn voor een adequate planologische toets van het ter beoordeling staande project.

Het te bebouwen perceel heeft op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Veelerveen" de bestemming 'landbouw/veeteelt en bijbehorende bedrijfsgebouwen'. Het bouwen van het onderhavige bedrijfsgebouw en receptie/berging heeft naar het oordeel van de president gelet op de aard van het te bouwene, in relatie tot de aard van hetgeen op grond van het geldend bestemmingsplan is toegestaan, alsmede gelet op de van het geldend bestemmingsplan afwijkende activiteiten die men voor ogen heeft, een grote ingreep op het geldend planologisch kader tot gevolg. Dit betekent dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de urgentie.

Verweerders hebben terzake van de urgentie aangevoerd dat het bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van omwonenden, noch aan de landschappelijke waarden, zeker niet wanneer dit wordt vergeleken met het ter plaatse geldende regime, dat een vrijwel ongelimiteerde bouw van gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven mogelijk maakt. Voorts past het bouwplan binnen de reeds uitgezette beleidslijnen, en zal het passen in het toekomstig planologisch kader. Vanwege het voorgaande, maar ook gelet op de betekenis van de plannen voor het dorp Veelerveen en recreatie en toerisme in de gemeente Bellingwedde, alsmede de financiële belangen van vergunninghouder zijn verweerders van mening dat de urgentie voldoende is aangetoond.

Namens vergunninghouder is betoogd dat hij reeds veel kosten heeft gemaakt terzake van de planontwikkeling zelf, de aanplant van nieuwe bomen, het aanleggen van een bezoekerstuin en het aangeschaft hebben van bouwmaterialen. Indien thans niet tot bouw zou kunnen worden overgegaan terwijl de camping -op het achtergelegen terrein- wel open kan, zou dat betekenen dat vergunninghouder en zijn echtgenote inkomsten missen uit een toeristisch zomerseizoen. Dit is des te nijpender nu zij geen inkomsten meer uit andere banen hebben.

Hoewel uit het 'aanvraagformulier voor een verklaring van geen bezwaar' van 7 september 1999 niet blijkt van enige urgentie, aangezien vraag 7.2 "wat zijn de dringende redenen om vooruit te lopen op een herziening van het bestemmingsplan" niet is ingevuld, is de president van oordeel dat in het namens vergunninghouder en verweerders aangevoerde voldoende grond is gelegen om de voor het volgen van de anticipatieprocedure benodigde urgentie aan te nemen.

Namens verweerders is ter zitting gesteld dat het bouwplan past in het toekomstig planologisch kader. Zij hebben echter slechts geanticipeerd op een voorbereidingsbesluit, terwijl een nieuw (ontwerp)bestemmingsplan thans nog niet in procedure is gebracht, noch in concept gereed is. Dat, naar ter zitting namens verweerders is gesteld onlangs een lijst met projecten is bekrachtigd, op welke lijst het starten van een herziening van het geldend bestemmingsplan hoog genoteerd staat, en dat het thans aan de orde zijnde bouwplan voorts binnen het door de gemeente reeds uitgezette beleid ten aanzien van leefbaarheid, recreatie en toerisme past, maakt het vorenstaande niet anders.

Om in dit geval te kunnen anticiperen dient naar het oordeel van de president sprake te zijn van een voldoende uitgewerkte planologische visie voor het te bebouwen perceel, waarvan thans, zoals hiervoor overwogen, echter nog geen sprake is. Hoewel de gemeenteraad door het nemen van een voorbereidingsbesluit het thans aan de orde zijnde bouwplan mogelijk wil maken, en gedeputeerde staten van Groningen een op dit specifieke bouwplan toegespitste verklaring van geen bezwaar hebben verleend, is de president van oordeel dat niet voldoende inzichtelijk is of het bouwplan in kwestie daadwerkelijk zal passen in het toekomstig planologisch kader.

Uit de bij besluit van 30 november 1999 verleende verklaring van geen bezwaar blijkt dat gedeputeerde staten instemmen met de winkelfunctie vanwege de ondergeschikte functie van de winkel ten opzichte van de bedrijfsactiviteiten en de specifieke produkten die er verkocht worden. De voorgenomen bedrijfsactiviteiten vinden gedeputeerde staten voorts aanvaardbaar, mits deze plaatsvinden op kleine schaal.

Het thans aan de orde zijnde bouwplan is mede ingegeven door uitbreidingsplannen die vergunninghouder wenst te verwezenlijken. Dit, tezamen met het gebrek aan opslagruimte voor artikelen die in de winkel worden verkocht, wordt immers aangevoerd als urgentie om te kunnen anticiperen.

De president acht het aannemelijk dat het oprichten van het onderhavige gebouw tot gevolg heeft dat vergunninghouder zijn activiteiten kan uitbreiden, danwel dat sprake zal zijn van activiteiten op grotere schaal dan gedeputeerde staten blijkens het in de verleende verklaring van geen bezwaar gestelde, voor wenselijk houden.

In dit kader acht de president niet van belang ontbloot dat gedeputeerde staten in de verleende verklaring van geen bezwaar vermelden: "Op dit moment gaat het hier om een éénmansbedrijf. Uit de stukken blijkt dat voorlopig geen sprake zal zijn van uitbreiding van het personeel".

De president gaat er, gelet op de context waarin het woord 'éénmansbedrijf' is geplaatst, vanuit dat gedeputeerde staten bij hun beoordeling ervan uit zijn gegaan dat een 'éénmansbedrijf' in casu inhoudt dat ook maar één persoon in het bedrijf werkzaam is. Blijkens de terzake overgelegde stukken is dat echter zeker niet het geval.

Vervolgens stellen gedeputeerde staten dat "de overlast voor omwonenden zal toenemen indien in plaats van individuele therapieën op grote schaal groepstherapieën op het bedrijf zouden plaatsvinden. Op een forse toename van het aantal bezoekers is met name de verkeerssituatie ter plekke niet berekend. De toegangsweg naar het bedrijf, [weg], is hiervoor te smal (3 meter breed). Ook de parkeerdruk zal in dat geval toenemen."

Uit de terzake overgelegde stukken -met name de stukken betrekking hebbend op de internetsite van vergunninghouder-blijkt naar het oordeel van de president dat de activiteiten die thans plaatsvinden activiteiten zijn die op veel grotere schaal plaatsvinden dan gedeputeerde staten blijkens het door hun in de verleende verklaring van geen bezwaar hiervoor gestelde kennelijk aanvaardbaar achten.

Tenslotte stellen gedeputeerde staten: "Wel vinden wij dat een legalisering en eventuele verdere uitbreiding van het (totale) bedrijf -dus inclusief het kampeerterrein op het aangrenzende perceel- dient plaats te vinden op basis van een samenhangende ruimtelijke visie in de vorm van een bestemmingsplan-herziening waarin het geheel een toegesneden bestemming krijgt en waarin aandacht wordt besteedt aan de omvang van de verkeersafwikkeling en winkelvoorzieningen. Ook andere recreatieve ontwikkelingen aan [weg] zoals de oprichting van een huifkarrenverhuurbedrijf op nummer […] dienen hierbij te worden betrokken".

In hoeverre het thans aan de orde zijnde bouwplan zal passen in een thans nog op geen enkele wijze geconcretiseerd nieuw/herzien bestemmingsplan is naar het oordeel van de president, mede gelet op de motivering die gedeputeerde staten hebben gebruikt bij het verlenen van de thans gebruikte verklaring van geen bezwaar, zeer speculatief. Voorts is speculatief in hoeverre de gemeenteraad zal meewerken aan het totstandkomen van een planologisch kader waarin het thans aan de orde zijnde bouwplan past. Immers, blijkens het door vergunninghouder ter zitting gestelde wilde de vorige gemeenteraad niet meewerken aan zijn plannen. Thans valt niet te voorzien of de gemeenteraad die de -nog te ontwerpen- herziening van het geldend bestemmingsplan mogelijk zal vaststellen dezelfde gemeenteraad zal zijn als de thans fungerende, noch valt in dit geval met grote mate van waarschijnlijkheid te voorzien, blijkens het in de verleende verklaring van geen bezwaar gestelde, of de benodigde bestemmingsplanwijziging door gedeputeerde staten zal worden goedgekeurd.

Al met al komt de president tot het oordeel dat het planologisch toetsingskader op basis waarvan besloten is medewerking te verlenen aan de voorgenomen bouw tekortschiet voor een adequate weging van de aan de orde zijnde belangen. De president is dan ook van oordeel dat bij deze stand van zaken toepassing van de anticipatieprocedure achterwege had behoren te blijven. Het belang dat met het volgen van die procedure is gediend, weegt niet op tegen de belangen die daardoor in het gedrang komen.

Met betrekking tot de welstandsaspecten overweegt de president als volgt. Uit de terzake overgelegde stukken is gebleken dat de welstandscommissie op 23 april 1999 een positief advies heeft uitgebracht, maar daarbij heeft opgemerkt "Van de steen wordt monsterinformatie verwacht". Van een aanvullend advies na beoordeling van bedoeld monster, is niet gebleken, noch is gebleken dat bedoeld monster aan de welstandscommissie is voorgelegd ter beoordeling. Ter zitting is namens verweerders verklaard dat het gebruikelijk is dat een monster als het hier bedoelde op ambtelijk niveau wordt beoordeeld. Indien een monster niet voldoet aan redelijke eisen van welstand moet een nieuw monster worden ingediend. Hoe het in dit geval precies is gegaan is niet duidelijk, noch of bedoeld monster wel bepalend is voor het gegeven advies.

De president kan zich niet vinden in vorengeschetste handelwijze. Indien, zoals in het onderhavige geval, de welstandscommissie opmerkt dat zij een monster verwacht impliceert dat dat de welstandscommissie een nader c.q. aanvullend advies wenst uit te brengen terzake van het te gebruiken materiaal. Zou de welstandscommissie dat doel niet voor ogen hebben gehad, dan zou het eisen van een monster immers zinledig zijn. Het, naar namens verweerders is gesteld, beoordelen van bedoeld monster op ambtelijk niveau in plaats van door de onafhankelijke welstandscommissie acht de president onaanvaardbaar.

De president concludeert dat, zolang de welstandscommissie geen oordeel heeft gegeven over het monster, de vraag of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, Ww, nog niet is beantwoord.

De president komt op grond van het vorenoverwogene tot het oordeel dat het bestreden besluit de rechtmatigheidstoetsing niet kan doorstaan. Het beroep moet derhalve gegrond worden verklaard.

Omdat nader onderzoek niet verder zal bijdragen aan de beoordeling van de zaak zal de president op de voet van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Aangezien onmiddellijk uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, waardoor het bestreden besluit niet langer onderwerp vormt van een door de rechtbank te beslissen geschil, bestaat er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

Verder dient niet alleen op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb, te worden bepaald dat verzoekers het betaalde griffierecht in de hoofdzaak wordt vergoed, maar ziet de president ook aanleiding op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat de gemeente Bellingwedde verzoekers het betaalde griffierecht ter zake van het verzoek om een voorlopige voorziening vergoedt.

De president acht voorts termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs hebben moeten maken en wijst de gemeente Bellingwedde aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de president deze kosten op ¦ 1.440,80, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Bellingwedde van 17 april 2000, nr. 1639;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de gemeente Bellingwedde verzoekers het betaalde griffierecht tot een bedrag van totaal ¦ 450,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerders in de proceskosten van verzoekers, welke zijn vastgesteld op ¦ 1.440,80, en bepaalt dat de gemeente Bellingwedde verzoeker deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr P.J.W.M. Vermeulen als president en in het openbaar door hem uitgesproken op 17 mei 2000, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

w.g. M.J. 't Hart w.g. P.J.W.M. Vermeulen

De president wijst er op dat belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met uitzondering van de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 17 mei 2000

typ: gjb