Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7033

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/357 VRWET V03
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 00/357 VRWET V03

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, gemachtigde: J.W.R. van Tilborg,

ten aanzien van het besluit van 6 april 2000, nr. 100084479, van het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder, gemachtigde: mr M.G.J. Parkins-de Vin

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 6 april 2000 aan verzoeker medegedeeld dat hij met ingang van 6 april 2000 geen aanspraak meer kan maken op opvang in een opvangcentrum. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat verzoeker het vertrekcentrum per ommegaande, doch uiterlijk binnen drie dagen dient te verlaten en dat in geval verzoeker daartoe niet overgaat een ontruimingsprocedure zal worden gestart.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 11 april 2000 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van gelijke datum 11 april 2000, aangevuld met de gronden op 18 april 2000, heeft verzoeker de president gevraagd met betrekking tot het besluit van verweerder van 6 april 2000 een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de hem geboden opvang wordt gecontinueerd totdat op het bezwaarschrift is beslist.

Verweerder heeft op 20 april 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen zelf ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 9 mei 2000.

Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr M.B. Swart, gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr M.J.G. Parkins-de Vin en G. Turksema. Voorts is verschenen Y.M. Zwart, medewerker voorbereiding vertrek bij het VC Ter Apel.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Feiten.

Verzoeker, van gestelde Chinese nationaliteit, is op 29 december 1993 Nederland ingereisd. Hij heeft een aanvraag om toelating als vluchteling alsmede om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Hij heeft daarbij geen reisdocumenten overgelegd.

Bij besluit van 29 april 1994 heeft de Staatssecretaris van Justitie afwijzend beslist op de aanvragen. Deze beslissingen zijn onherroepelijk geworden. De Staatssecretaris van Justitie heeft -laatstelijk op 6 juni 1995- aan de vreemdelingendienst een last tot uitzetting verstrekt.

Bij het thans bestreden besluit van 6 april 2000 heeft verweerder besloten de verstrekkingen aan verzoeker in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna:Rva) te beëindigen. Daarbij heeft verweerder vermeld dat verzoeker vanaf die datum geen aanspraak meer kan maken op opvang in een opvangcentrum, dat hem op die grond de toegang tot het vertrekcentrum te Ter Apel wordt ontzegd en dat de ontruiming zal worden gevorderd indien verzoeker het vertrekcentrum niet binnen drie dagen heeft verlaten.

Verzoeker heeft tegen het besluit van 6 april 2000 bezwaar gemaakt en het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Beoordeling van het verzoek.

De Rva voorziet in de opvang van asielzoekers die niet beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De opvang omvat de in artikel 5, tweede lid, Rva, genoemde verstrekkingen, waaronder zijn begrepen onderdak, voeding en kleed- en zakgeld. Op grond van artikel 8, eerste lid, onder b, Rva, eindigt de opvang van een asielzoeker in een centrum indien een last tot uitzetting is gegeven en hij ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de plaatselijke politie Nederland dient te verlaten. De opvang eindigt in dat geval op de dag waarop hij Nederland dient te verlaten.

Het staat vast dat aan verzoeker -laatstelijk op 6 juni 1995- een dergelijk last tot uitzetting is gegeven. Vanaf dat moment heeft hij derhalve geen recht meer op verstrekkingen op grond van de Rva.

Verzoeker heeft geen gevolg gegeven aan de lastgeving om Nederland te verlaten. Hij is op 30 oktober 1998 overgeplaatst naar het vertrekcentrum in Ter Apel, ter voorbereiding op zijn vertrek uit Nederland. De aan verzoeker toegekende verstrekkingen die thans in geschil zijn, waaronder de hem geboden huisvesting in het vertrekcentrum, vinden hun grondslag derhalve niet in de Rva, doch vloeien voort uit het beleid van verweerder om de verstrekkingen aan uitgeprocedeerde documentloze asielzoekers niet te beëindigen in afwachting van het verkrijgen van reisdocumenten.

Genoemd beleid wordt gevoerd in afwijking van artikel 8, eerste lid, onder b, van de Rva en heeft als zodanig een uitzonderingkarakter: verzoeker krijgt meer dan waarop hij ingevolge de Rva recht heeft. Het toekennen van dergelijke buitenwettelijke verstrekkingen is begunstigend van aard en beslissingen daaromtrent dienen derhalve terughoudend te worden getoetst.

Het beleid komt de president in zijn algemeenheid niet onrechtmatig voor.

Het besluit van verweerder om de verstrekkingen te beëindigen is gebaseerd op de rapportage van de Immigratie-en naturalisatiedienst (IND) van 25 februari 1999, waarbij de vertrekprocedure is beëindigd. In dit rapport wordt onder meer geconcludeerd dat verzoeker onvoldoende medewerking met betrekking tot zijn vertrek uit Nederland heeft verleend.

Vaststaat dat verzoeker zonder te beschikken over geldige reispapieren Nederland is binnen gekomen. Het is dan ook aan hem om zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder, zich baserend op het rapport van de IND, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat verzoeker in onvoldoende mate heeft voldaan aan de inspanningsverplichting die op hem rust om zijn identiteit vast te stellen.

Verzoeker is, anders dan verweerder, van mening dat hij alles heeft gedaan wat in zijn macht ligt en alle medewerking heeft verleend, doch dat het desondanks niet is gelukt zijn identiteit vast te stellen. Hij is van mening dat hem dat niet kan worden tegengeworpen.

Uit de terzake overgelegde stukken blijkt dat over een aantal feitelijkheden onduidelijkheid bestaat. Zo is onder meer onduidelijk:

- in hoeverre het ambtsbericht van 4 mei 2000 met betrekking tot postcodes ook betrekking heeft op Tibet;

- of verweerder de mogelijkheid heeft het door verzoeker bedoelde 'opsporingsbevel' te traceren, en wat voor rol dat bevel kan spelen;

- of verzoeker tussen 14 mei 1999 en de datum van het bestreden besluit om rechtshulp heeft gevraagd doch die hem zou zijn onthouden;

- waarom het laatste verzoek om een LP is afgewezen, c.q. of dat is te wijten aan door verzoeker verstrekte onjuiste gegevens;

- of bij evenbedoeld onderzoek de door verzoeker opgegeven gegevens op juistheid zijn gecontroleerd of dat slechts het door hem opgegeven adres is gecontroleerd;

- of verzoeker behoort tot de groep mensen waaraan geen LP is verstrekt omdat hij onjuiste informatie heeft verstrekt, of dat hij behoort tot de groep mensen waarbij het onderzoek niet is geslaagd om andere reden(en);

- of verzoeker behoort tot groep 2 of groep 3 als bedoeld in het stappenplan;

- in hoeverre verweerder bij zijn besluitvorming de door verzoeker (na het met hem op

15 februari 1999 gehouden interview) naar China gezonden brieven heeft betrokken;

- of het in casu niet op de weg had gelegen een op deze zaak toegespitst ambtsbericht te vragen.

Het verhandelde ter zitting leidt de president tot het oordeel dat op basis van de thans beschikbare gegevens niet duidelijk is of verzoeker al dan niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. De president is van oordeel dat onder deze omstandigheden de bezwaarschriftprocedure de bij uitstek geëigende procedure is om de voor de beoordeling van deze zaak vereiste duidelijkheid te verkrijgen.

Onder deze omstandigheden kent de president doorslaggevende betekenis toe aan het belang dat verzoeker heeft bij continuering van de hem geboden opvangvoorzieningen hangende de behandeling van het door hem bij verweerder ingediende bezwaarschrift.

Het verzoek om voorlopige voorziening komt dan ook in die zin voor inwilliging in aanmerking.

Nu aan het verzoek tegemoet wordt gekomen bestaat er aanleiding om op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht ad ¦ 225,00 door het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers aan verzoeker wordt vergoed.

De president acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:84, vierde lid, Awb, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de president deze kosten op ¦ 1.442,40, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

- schorst het besluit van het bestuur van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers van 6 april 2000, nr. 100084479, totdat verweerder heeft beslist op het daartegen door verzoeker ingediende bezwaarschrift;

- bepaalt dat het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers verzoeker het betaalde griffierecht ad

¦ 225,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, welke zijn vastgesteld op ¦ 1.420,--, en bepaalt dat het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers verzoeker deze kosten moet betalen.

Aldus gegeven door mr P.J.W.M. Vermeulen als president en in het openbaar door hem uitgesproken op 9 mei 2000, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

w.g. M.J. 't Hart w.g. P.J.W.M. Vermeulen

Tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

verzonden op: 17 mei 2000

typ: gjb