Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7021

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
30-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/831 WRO19 V03
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 00/831 WRO19 V03

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V., te Rotterdam,

TEM Noord Nederland B.V., te Sneek, en

[verzoeker], te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde, mr M.J.E. Boudesteijn

ten aanzien van het besluit van 4 juli 2000, nr. 20000023, van

burgemeester en wethouders van Winsum, verweerders,

1. PROCESVERLOOP

Verweerders hebben bij besluit van 10 augustus 1999, nr. 99-187, Olie Distributie Noord B.V. (hierna te noemen: vergunninghoudster) te Bedum, vergunning verleend voor het oprichten van een onbemand tankstation op het perceel, plaatselijk bekend als Het Aanleg 17 te Winsum.

Bij uitspraak van 8 november 1999 (registratie nummer AWB 99/1023 WW44 V03) heeft de fungerend president het terzake genoemd besluit ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en wel in die zin dat genoemd besluit wordt geschorst.

Verweerders hebben vervolgens bij besluit van 4 juli 2000, vergunninghoudster te Bedum naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van 1 februari 2000 -wederom- vergunning verleend voor het oprichten van het hiervoor omschreven bouwwerk.

Tegen dit besluit hebben verzoekers op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van 16 augustus 2000 hebben verzoekers de president gevraagd met betrekking tot het besluit van verweerder van 4 juli 2000 een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de verleende vergunning wordt geschorst.

Verweerders hebben op 23 augustus 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben verzoekers hun standpunt bij brief van 25 augustus 2000 nader toegelicht.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb, zijn vergunninghoudster en gedeputeerde staten van Groningen bij afzonderlijke brief van 18 augustus 2000 in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Van deze gelegenheid hebben zij geen gebruik gemaakt.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het onderhavige verzoek strekt tot schorsing van het bestreden besluit waarbij aan vergunninghoudster onder het verlenen van vrijstelling van de bepalingen van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Het Aanleg" vergunning is verleend voor het oprichten van het hiervoor omschreven bouwwerk.

De president overweegt daaromtrent het volgende.

Bij de hiervoor onder punt 1 genoemde uitspraak heeft de fungerend president -onder meer- de eerder door verweerders aan vergunninghoudster verleende bouwvergunning van 10 augustus 1999 op het daartoe strekkende verzoek van verzoekers geschorst. Aan de schorsing heeft de fungerend president geen tijdslimiet verbonden.

In het verweerschrift stellen verweerders dat zij de vergunning van 10 augustus 1999 hebben ingetrokken.

Aangezien zulks niet is gebleken uit de door verweerders ingezonden gedingstukken en aangezien door verzoekers geen gewag is gemaakt van intrekking van die vergunning is zijdens de rechtbank telefonisch contact opgenomen met verweerders. Daarbij bleek bij monde van N.C. Spaansen dat het in het verweerschrift gestelde omtrent de intrekking van de vergunning op een misverstand berust en dat de vergunning niet is ingetrokken.

De president stelt op grond van het voorgaande vast dat genoemde vergunning van 10 augustus 1999 niet is ingetrokken.

Niet gesteld noch gebleken is dat op het eerder door verzoekers terzake van de vergunning van 10 augustus 1999 ingediende bezwaarschrift door verweerders een besluit is genomen.

De president gaat er dan ook vanuit dat de bezwaarschriftprocedure nog aanhangig is.

Voorts stelt de president -gezien zowel de vergunning van 10 augustus 1999 als de thans bestreden vergunning van 4 juli 2000 en gelet op het feit dat zulks door partijen niet wordt gesteld en evenmin is bestreden- dat laatstgenoemde vergunning is verleend terzake van hetzelfde bouwwerk als waartoe eerstgenoemde vergunning is verleend.

Nu in casu vaststaat dat aan voormelde vergunningen een identiek bouwplan ten grondslag ligt en de vergunning van 4 juli 2000 is verleend voordat de lopende procedure terzake van de vergunning van 10 augustus 1999 is geƫindigd is de president van oordeel dat -mede gelet op bestendige jurisprudentie van de (voorzitter van de) Afdeling (Bestuurs)rechtspraak van de Raad van State- de eerder bij voornoemde uitspraak van de fungerend president van 8 november 1999 uitgesproken schorsing van de bouwvergunning van 10 augustus 1999 zich ook uitstrekt over de bouwvergunning van 4 juli 2000.

Hetgeen in de zijdens verzoekers genoemde uitspraak van voornoemde voorzitter (AB 1994/102) is geoordeeld doet aan het voorgaande niet af nu, enerzijds, in de betreffende uitspraak sprake is van een ander feitenmateriaal dan thans voorligt en, anderzijds, aangenomen wordt dat die uitspraak een incident is.

Er bestaat derhalve geen aanleiding om het thans voorliggende verzoek toe te wijzen.

Naar het oordeel van de president is het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond. Derhalve kan op de voet van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, worden afgezien van het houden van een zitting en wordt direct uitspraak gedaan.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gegeven door mr P.J.W.M. Vermeulen als president en in het openbaar uitgesproken

op 30 augustus 2000 door voornoemde fungerend president, in tegenwoordigheid van

A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

Afschrift verzonden op:

typ: jb