Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA7015

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-08-2000
Datum publicatie
21-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/679 BESLU V03
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 7
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 6
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 5
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 131
Wegenverkeerswet 1994 131
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

Reg.nr.: AWB 00/679 BESLU V03

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

A, wonende te B, verzoeker,

gemachtigde: mr P. van Wijngaarden,

ten aanzien van het besluit van 14 juni 2000, nr. 2000004686, van

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr F.L. Schild.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 14 juni 2000, nr. 2000004686, besloten dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en dat zijn rijbewijs is geschorst tot de dag waarop het besluit omtrent de geldigheid van het rijbewijs wordt genomen.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij schrijven gedateerd 29 juni 2000 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij schrijven van gelijke datum heeft verzoeker de president gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat hij zijn rijbewijs terug ontvangt, en dat de schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs wordt geschorst, dan wel een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de president in goede justitie zal vermenen te behoren.

Verweerder heeft op 5 juli 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede op 7 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 25 juli 2000.

Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vorengenoemd.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De feiten.

Bij beschikking van 16 april 2000 heeft de burgemeester van Alkmaar, gezien de geneeskundige verklaring van P. Meijer, psychiater te Alkmaar, op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, besloten verzoeker in bewaring te stellen, nu naar zijn oordeel verzoeker gevaar veroorzaakt en het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens verzoeker het gevaar doet veroorzaken, het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat toepassing van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen niet kan worden afgewacht en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

Verzoeker is op 16 april 2000 om 17.25 uur opgenomen in de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis Medisch Centrum Alkmaar.

Op 17 april 2000 is namens de korpschef van de Regiopolitie Groningen verweerder op basis van artikel 130, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) mededeling gedaan van het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs van verzoeker is afgegeven.

Naar aanleiding van het voorgaande heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen waarbij is bepaald dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid, en de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst tot de dag waarop het besluit omtrent de geldigheid van het rijbewijs wordt genomen.

Verzoekers bezwaarschrift en verzoek om voorlopige voorziening richten zich tegen beide besluiten.

Beoordeling van het verzoek.

Op grond van artikel 130, eerste lid, WVW doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen het vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van één of meer categorieën motorvoertuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan verweerder onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Artikel 131, eerste lid, WVW, bepaalt dat verweerder besluit, indien de in artikel 130, eerste lid, WVW, bedoelde schriftelijke mededeling daartoe aanleiding geeft, dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling genomen.

Verzoeker is van mening dat verweerder op 14 juni 2000 niet meer bevoegd was een vorderingsbesluit te nemen, omdat de schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, WVW reeds op 20 april 2000 door verweerder was ontvangen. Het vorderingsbesluit is derhalve genomen na afloop van de in artikel 130, eerste lid, WVW gestelde termijn van vier weken.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 3 april 2000, gepubliceerd in AB onder nummer 208/2000 overweegt de president dat de in voormeld artikel genoemde termijn van vier weken geen zogeheten fatale termijn is en dat overschrijding van die termijn niet met zich meebrengt dat de minister niet meer bevoegd is om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 131, eerste lid, WVW 1994.

Tussen partijen is voorts in geschil of verweerder aan de feiten en omstandigheden die in de mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, WVW 1994 zijn vermeld, het vermoeden heeft kunnen ontlenen dat verzoeker niet geschikt is tot het besturen van motorrijtuigen.

Verweerder heeft bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 17 april 1996, nr. RV216650, Stcrt. 1996, nr. 183 (hierna te noemen: de Regeling) nadere regels vastgesteld terzake van de onderhavige materie.

Artikel 6, tweede lid, van de Regeling bepaalt, voor zover van belang, dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid en/of geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in bijlage 1 bij deze regeling.

Bijlage 1, onder B, sub a, van de Regeling vermeldt onder "Geestelijke geschiktheid", "verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen".

Indien sprake is van een situatie als vorenbedoeld dient de betrokkene zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid nu die situatie het vermoeden rechtvaardigt dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen. Van deelname aan het verkeer behoeft gelet op vorenstaande bepalingen geen sprake te zijn.

Verzoeker heeft verklaard dat hij op 16 april 2000 terecht gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, doch die opname is op 20 april 2000 beëindigd, doordat de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar bij beschikking van gelijke datum de vordering tot machtiging van de voortzetting tot inbewaringstelling heeft afgewezen. Voorts kan uit de terzake door een psychiater afgelegde verklaring niet worden afgeleid dat hij niet langer geschikt is om motorrijtuigen te besturen, noch valt daaruit een vermoeden in die richting af te leiden. Kennelijk was verweerder bij het nemen van het bestreden besluit hiervan niet op de hoogte, aangezien het bestreden besluit de indruk wekt dat verzoeker nog steeds is opgenomen, hetgeen niet juist is.

Nu op grond van de terzake overgelegde stukken omtrent verzoekers toestand op 16 april 2000, welke toestand op die dag leidde tot gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis,naar het oordeel van de president, ondubbelzinnig sprake is van een situatie als bedoeld in bijlage 1, onder B, sub a, van de Regeling, heeft verweerder zich in deze concrete situatie terecht op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

De omstandigheid dat de gedwongen opname van verzoeker op 20 april 2000 is beëindigd, acht de president daarbij niet van belang, aangezien de beëindiging van de opname het reeds eerder bestaande vermoeden niet wegneemt.

In dit kader acht de president niet van belang ontbloot het door de psychiater H.P. Wisman tijdens het verhoor op 20 april 2000 bij de enkelvoudige kamer van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar verklaarde. Zo heeft hij onder meer verklaard dat er bij opname van verzoeker sprake was van een psychotische opwindingstoestand, en dat gedwongen opname terecht was omdat er gevaar was voor beschadiging van verzoeker zelf of anderen. Ook heeft hij verklaard van de huisarts van verzoeker begrepen te hebben dat er eerder dergelijke dingen zijn gebeurd, en dat hij -de psychiater- betwijfeld of het verstandig is dat verzoeker is gestopt met de neuroleptica.

Verweerder is naar het oordeel van de president dan ook terecht tot zijn besluit gekomen dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.

Het standpunt van verzoeker dat het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 131, tweede lid, WVW is genomen, aangezien het besluit niet aangeeft wat de aard van het onderzoek zal zijn, en wie het onderzoek zal verrichten, deelt de president niet. Anders dan verzoeker is de president van oordeel dat het bepaalde in voornoemd artikel 131, tweede lid, niet inhoudt dat verweerder reeds in het thans aan de orde zijnde besluit dient aan te geven wat de aard van het onderzoek zal zijn, en welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal/zullen verrichten. Een en ander zal blijken uit correspondentie, volgend op het thans bestreden besluit. Indien verzoeker het niet eens mocht zijn met de aard van het te verrichten onderzoek en/of degene die het onderzoek verricht, dan kan hij -indien hij daartoe termen aanwezig acht- een bezwaarschrift indienen tegen het naar aanleiding van het te verrichten onderzoek door verweerder alsdan te nemen besluit.

Ten aanzien van de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker overweegt de president als volgt.

Op grond van artikel 130, tweede lid WVW is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden bestaat dat hij niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

Artikel 130, derde lid, WVW bepaalt dat evenbedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen.

De regeling bepaalt wanneer van zodanige situatie sprake is.

Op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de Regeling, geschiedt een vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in artikel 130, tweede lid, WVW, ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig ingeval betrokkene naar het oordeel van een medisch deskundige zodanige psychiatrische problemen ondervindt dat gedwongen opname aangewezen is.

Uit het bepaalde in artikel 131, derde lid, aanhef en onder a, WVW, juncto artikel 7 van de Regeling, volgt dat in zodanig geval de geldigheid van het rijbewijs wordt geschorst tot de dag waarop verweerder een besluit heeft genomen omtrent de geldigheid van het rijbewijs.

Verzoeker is van mening dat verweerder ten onrechte tot schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs is overgegaan. Hij stelt daartoe dat er ten tijde van het bestreden besluit (en ook thans) geen sprake (meer) is van een situatie als bedoeld in voormeld artikel 5, aanhef en onder d, van de Regeling. Verzoeker was ten tijde van het besluit en is ook thans niet naar het oordeel van een medisch deskundige tot gedwongen opname aangewezen.

De president stelt vast dat door verzoeker niet wordt betwist dat hij op 16 april 2000 naar het oordeel van een medisch deskundige -in casu de psychiater P.Meijer- zodanige psychiatrische problemen ondervond dat gedwongen opname op dat moment aangewezen was.

Naar het oordeel van de president is in het onderhavige geval derhalve voldaan aan de voorwaarde dat een oordeel als genoemd in voormeld artikellid moet zijn gegeven voordat tot een vordering tot overgifte van het rijbewijs en -gelet op het bepaalde in artikel 131, derde lid, aanhef en onder a, WVW, juncto artikel 7 van de Regeling- tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs kan worden overgegaan.

Het feit dat in het onderhavige geval het tot een gedwongen opname is gekomen en die opname op 20 april 2000 is beëindigd is voor de vraag of genoemde artikelen op verzoeker van toepassing zijn niet van belang.

De omstandigheid dat verzoeker, naar hij stelt, als bewoner van het platteland voor het onderhouden van zijn sociale contacten, het doen van boodschappen en dergelijke, geheel aangewezen op zijn auto is, kan er gelet op het dwingendrechtelijk bepaalde in artikel 131, eerste en derde lid, WVW niet toe leiden dat strikte toepassing van de bepalingen geen rechtsplicht zou zijn. Verweerder was derhalve gehouden het betreffende onderzoek te vorderen en de geldigheid van verzoekers rijbewijs te schorsen. Beleidsruimte komt hem dienaangaand niet toe.

Op grond van het voorgaande komt de president tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot het besluit dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en het besluit tot schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs dient te worden afgewezen.

3. BESLISSING

De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr P.J.W.M. Vermeulen als president en door hem in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2000, in tegenwoordigheid van M.J. 't Hart als griffier.

De griffier, wnd. De president, fgd.

Afschrift verzonden op: 9 augustus 2000

typ: jb