Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA6464

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/734 BELEI V01
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van uit Afdelingsuitspraak af te leiden verbod om onderzoek naar de feiten in te stellen c.q. de feiten aan te vullen.

Verzoek om subsidie o.g.v. de Regeling bedrijfsgerichte stimulering Noord-Nederland t.b.v. in dienst nemen van twee werknemers afgewezen, omdat de verplichtingen zijn aangegaan langer dan vier weken vóór de inzending van de aanvraag. Geschil spitst zich toe op de vraag op welke datum de beide arbeidsovereenkomsten zijn getekend. rechbank heeft beide werknemers ter zitting als getuigen gehoord. Verweerster is van oordeel dat verklaringen van de getuigen ter zitting over die datum geen gewicht in de schaal kunnen leggen, omdat verweerster geen acht hoeft te slaan op feiten die afwijken van wat bij de aanvraag is gemeld, nu de verklaringen zijn afgelegd nadat het standpunt van verweerster bekend was geworden. Verweerster meent dit te kunnen opmaken uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 04-11-1999, nr H01.99.0102. Daaruit blijkt dat de Afdeling het uitgangspunt, dat met stukken of informatie die na de inzending van de aanvraag worden verstrekt, slechts rekening wordt gehouden indien daarmee wordt aangetoond, althans zeer aannemelijk wordt gemaakt dat de gegevens in de aanvraag kennelijk onjuist zijn of weliswaar voor verschillende uitleg vatbaar zijn, doch in een bepaalde zin moeten worden verstaan, niet onredelijk acht.

De rechbank leest de overwegingen van de Afdeling niet als een verbod om te voldoen aan de plicht om een onderzoek naar de feiten in te stellen, die iedere rechter heeft indien over de feiten wordt gestreden. Daar zou het echter wel op neerkomen, als het betoog van verweerster wordt gevolgd.

Ook leest de rechbank deze overwegingen niet als een op voorhand uitsluiten van bewijskracht van een getuigenverklaring ter zitting van de rechter, hetgeen een ander gevolg van de redenering van verweerster is. De rechbank kan die overwegingen niet in deze zin lezen, omdat daarmee strijd zou ontstaan met het bepaalde in de artikelen 8:69, derde lid, Awb (de vrijheid van de rechter om naar eigen inzicht de feiten aan te vullen) en de in verband hiermee aan de rechter toegekende middelen van bewijsgaring (schriftelijk bewijs, getuigenverklaring, deskundigenadvies, verhandelde ter zitting etc.). Voorts zou de rechbank het recht schenden van eisers op “the right to a court.. and the right to a judicial determination of the dispute...(that covers; rb.) questions of fact just as much as questions of law” (Le Compte, Van Leuven en De Meyere; EHRM 23-06-1981, NJ 1982/602). Tenslotte kan niet uit het oog worden verloren dat de feiten die vastgesteld moeten worden een regel betreffen, die voortvloeit uit de eisen, die de Europese Commissie stelt in het kader van de toetsing en goedkeuring van steunmaatregelen in de zin van artikel 87, derde lid onderdeel c (voorheen 92, derde lid onderdeel c) van het EG-Verdrag. De regel vloeit voort uit het zogenaamde counterpartcriterium, dat voortvloeit uit de doelstelling van de reglementering van steunmaatregelen. De rechbank is bij de toepassing van deze regel gehouden te waarborgen dat geen strijd ontstaat met deze doelstelling. Die strijd kan ontstaan bij onjuiste vaststelling van feiten. Ook o.g.v. deze verplichting, is de rechbank gehouden zelf de materiële waarheid vast te stellen met alle haar ten dienste staande middelen. De door verweerster bepleite beperking past hier niet bij.

De Bestuurscommissie Economische Zaken van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verweerster.

mr. A.H.J. Lennaerts

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69, geldigheid: 2000-06-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 99/734 BELEI V01

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

A en B h.o.d.n. C , gevestigd te D, eisers,

en

de Bestuurscommissie Economische Zaken van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verweerster.

1. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 14 juni 1999 heeft verweerster het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 20 oktober 1998, nrs. R988453 en R988454, ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het besluit van 14 juni 1999 beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben gerepliceerd.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 31 mei 2000.

Voor eisers heeft aldaar het woord gevoerd A. Hij is bijgestaan door mw mr P.F. Hoekstra, advocate te Leeuwarden.

Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr P. van der Burgh, ambtenaar van de provincie Drenthe.

Als ambtshalve opgeroepen getuigen zijn gehoord Z en Y, medewerkers van C.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

2.1 Voorgeschiedenis.

Eisers hebben verweerster bij schrijven van 30 juli 1998 verzocht hen een subsidie toe te kennen met betrekking tot kennis-oriëntatie voor het indienstnemen van twee werknemers met een diploma hoger beroepsonderwijs. Het betreft de zoon van eisers, Y , en Z. De rechtbank neemt aan dat dit schrijven op z'n vroegst 30 juli 1998 is ingezonden. Dit is ook niet in geschil.

Bij dit schrijven waren de voorgeschreven aanvragen en afschriften van de -namens de Vof- door A en beide heren getekende schriftelijke vastleggingen van de aangegane arbeidsovereenkomsten gevoegd.

Deze schriftelijke vastleggingen bevatten de volgende afsluitende passage: "Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt, per bladzijde geparafeerd en ondertekend te Lemmer op 30 juni 1998".

Verweerder heeft bij het bestreden besluit geweigerd de aanvragen in te willigen. De gevraagde subsidies zijn geregeld in de Regeling bedrijfsgerichte stimulering Noord-Nederland 1998 (hierna te noemen: de Regeling).

Verweerder heeft de weigering doen rusten op het bepaalde in de aanhef en onderdeel c van artikel 9 van de Regeling, luidend:

" Onverminderd artikel 8 wordt subsidie geweigerd, indien en voorzover ter zake van de betaling van subsidiabele kosten verplichtingen zijn aangegaan langer dan vier weken vóór de inzending van de aanvraag".

Ingevolge artikel 33 van de Regeling worden onder de subsidiabele kosten verstaan, de loonkosten van voormelde heren, die ten laste van eisers komen.

Eisers en verweerster verschillen van mening over het al dan niet van toepassing zijn van onderdeel c van de Regeling.

Verweerster is van mening dat de verplichting tot betaling van de loonkosten is aangegaan op de datum, die staat vermeld in de bij de aanvraag ingezonden schriftelijke vastleggingen. Verweerster heeft als beleid verwoord dat met nadere verklaringen van belanghebbenden geen rekening wordt gehouden bij het nemen van een besluit, indien ten tijde van de nadere verklaringen aan de belanghebbenden inmiddels kenbaar is geworden, dat de eerder verklaringen moeten leiden tot weigering van de gevraagde subsidie. Dit leidt uitzondering, indien eerder naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een bevestiging inhouden van de nadere verklaring(en).

Eisers zijn van mening dat zij niet de dupe mogen worden van een gemaakte fout. Zij stellen dat de arbeidsovereenkomsten pas na 30 juni 1998 tot stand zijn gekomen. De datering op 30 juni was onjuist en een gevolg van het feit dat op die dag de voor te stellen arbeidsovereenkomsten, als verwoord in de voorgenomen schriftelijke vastleggingen, hun vorm hadden gekregen.

Bij de schriftelijke vastlegging zelf (resp. op 20 en 28 juli 1998) is verzuimd de werkelijke datum van totstandkoming van de arbeidsovereenkomsten op te nemen in de vastleggingen. De datum 30 juni 1998 is per abuis blijven staan.

Eisers hebben als verklaring voor de tussen 30 juni en 20 respectievelijk 28 juli 1998 verstreken tijd aangevoerd, dat beide heren op 30 juni 1998 niet bereikbaar waren, omdat zij van een welverdiende vakantie genoten na het zware examen in mei en juni 1998. Op 20 juli 1998 was deze vakantie geëindigd.

Eisers hebben nog voor het besluit in primo een schriftelijke verklaring aan verweerder gezonden, ondertekend door onder meer de heren Y en Z, waarin het relaas van eisers is onderschreven. De beide heren hebben daarbij getekend onder de volgende clausule: "Ondergetekenden verklaren dat dit inhoud van deze brief overeenkomstig de werkelijke waarheid is".

Verweerder heeft geen verder onderzoek ingesteld en het besluit in primo genomen.

Tijdens de bezwaarprocedure hebben eisers hun standpunt herhaald en heeft voor het bewijs van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten onder meer verwezen naar evenvermelde schriftelijke verklaring van de heren Y en Z.

Om dit bewijs kracht bij te zetten heeft de gemachtigde van eisers zich door deze heren doen vergezellen bij de mondelinge behandeling van het bezwaar. De heer Z is door de bezwaarschriftadviescommissie gehoord over de door hem verlangde wijziging van het voorstel van eisers. Hij heeft bevestigd wat dienaangaande door eisers is verklaard.

2.2 Onderzoek rechtbank.

De rechtbank is het vooronderzoek aangevangen met bestudering van de door partijen ingezonden stukken. Daarbij is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de schriftelijke verklaring van de heren Y en Z verder onderzoek vergde, door beide heren ter zitting als getuige te horen. Daarop is het vooronderzoek gesloten en is de zaak verwezen naar behandeling ter zitting van de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen met het verhoor van de onder ede gestelde getuigen

Y en Z

De door hen afgelegde verklaringen steunen in grote lijnen het door eisers gegeven relaas van de feiten, zij het dat niet juist is dat de heren niet voor 20 juli 1998 bereikbaar waren. Dat waren zij wel en ze hebben de voorstellen ook ruim voor die datum gekregen, maar hebben de tijd genomen om, ieder voor zich, een oordeel te vormen over het voorstel. Daartoe hebben zij, ieder voor zich, inlichtingen ingewonnen bij derden. Voor de heer Z leverde dit op dat hij accoord ging met het voorstel en op 20 juli is overgegaan tot tekening van de arbeidsovereenkomst. Voor de heer Y leverde het op dat een wijziging werd aangebracht en dat hij op 28 juli is overgegaan tot tekening van de voor hem geldende arbeidsovereenkomst.

2.3 Overwegingen.

Verweerster heeft ter zitting gepersisteerd bij het door haar ingenomen standpunt. Daaraan heeft zij het volgende toegevoegd.

Verweerster is van oordeel dat verklaringen van de getuigen ter zitting geen gewicht in de schaal kunnen leggen, omdat verweerster geen acht hoeft te slaan op feiten die afwijken van wat bij de aanvraag is gemeld, nu de verklaringen zijn afgelegd nadat het standpunt van verweerster bekend was geworden. Verweerster meent dit op te maken uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 november 1999, nr H01.99.0102.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

In de uitspraak overweegt de Afdeling als volgt:

"Appellante heeft betoogd dat bij de beoordeling of verplichtingen zijn aangegaan vóór de inzending van de aanvraag in beginsel wordt uitgegaan van de gegevens die bij de aanvraag zijn verstrekt. Met stukken of informatie die nadien wordt verstrekt, wordt slechts rekening gehouden indien daarmee wordt aangetoond, althans zeer aannemelijk wordt gemaakt dat de gegevens in de aanvraag kennelijk onjuist zijn of weliswaar voor verschillende uitleg vatbaar zijn, doch in een bepaalde zin moeten worden verstaan. De enkele verklaring van een belanghebbende, dat de gegevens in de aanvraag onjuist zijn, is daartoe in de regel onvoldoende.

De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk."

en

"Dat die gegevens kennelijk onjuist zijn, heeft appellante naar het oordeel van de Afdeling op grond van het betoog van M. en de brief van de adviseur van M. waarin dit betoog wordt bevestigd, niet aangetoond, althans zeer aannemelijk hoeven achten. Appellante kon derhalve in redelijkheid besluiten tot afwijzing van de subsidieaanvraag".

De rechtbank leest deze overwegingen van de Afdeling niet als een verbod voor de rechtbank om te voldoen aan de plicht om een onderzoek naar de feiten in te stellen, die iedere rechter heeft indien over de feiten wordt gestreden. Daar zou het echter wel op neerkomen, als het betoog van verweerster wordt gevolgd.

Ook leest de rechtbank deze overwegingen niet als een op voorhand uitsluiten van bewijskracht van een getuigenverklaring ter zitting van de rechter, hetgeen een ander gevolg van de redenering van verweerster is.

De rechtbank kan die overwegingen niet in deze zin lezen, omdat daarmee strijd zou ontstaan met het bepaalde in de artikelen 8:69, derde lid, Awb (de vrijheid van de rechter om naar eigen inzicht de feiten aan te vullen) en de in verband hiermee aan de rechter toegekende middelen van bewijsgaring (schriftelijk bewijs, getuigenverklaring, deskundigenadvies, verhandelde ter zitting etc.).

Voorts zou de rechtbank het recht schenden van eisers op ' the right to a court.. and the right to a judicial determination of the dispute...(that covers; rb.) questions of fact just as much as questions of law"

(Le Compte, Van Leuven en De Meyere; EHRM 23 juni 1981, NJ 1982/602).

Tenslotte kan niet uit het oog worden verloren dat de feiten die vastgesteld moeten worden een regel betreffen, die voortvloeit uit de eisen, die de Europese Commissie stelt in het kader van de toetsing en goedkeuring van steunmaatregelen in de zin van artikel 87, derde lid onderdeel c (voorheen 92, derde lid onderdeel c) van het EG-Verdrag. De regel vloeit voort uit het zogenaamde counterpartcriterium, dat voortvloeit uit de doelstelling van de reglementering van steunmaatregelen. De rechtbank is bij de toepassing van deze regel gehouden te waarborgen dat geen strijd ontstaat met deze doelstelling. Die strijd kan ontstaan bij onjuiste vaststelling van feiten. Ook op grond van deze verplichting, is de rechtbank gehouden zelf de materiële waarheid vast te stellen met alle haar ten dienste staande middelen. De door verweerster bepleite beperking past hier niet bij.

De rechtbank gaat over tot vaststelling van de feiten met betrekking tot de dag waarop de arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen.

De rechtbank stelt vast dat de door eisers ingenomen stelling, dat de overeenkomsten op 20 respectievelijk 28 juli 1998 tot stand zijn gekomen, volledig in overeenstemming is met hetgeen door de getuigen ter zitting is verklaard. De rechtbank acht die verklaringen betrouwbaar, gezien het ontbreken van tegenstrijdigheden in en tussen die verklaringen, de wijze waarop en omstandigheden waaronder deze zijn afgelegd, en de plausibiliteit van hetgeen aan relevante feiten is vermeld, mede gelet op feiten van algemene bekendheid, zoals het niet ongebruikelijk zijn om advies in te winnen alvorens als leek een contract te tekenen.

Naast hetgeen reeds voorafgaand aan het nemen van het besluit in primo en naast hetgeen in de bezwaarfase door eisers is bijgebracht, acht de rechtbank hiermee bewezen dat voldaan is aan de voorwaarde van artikel 9 van de Regeling.

Het bestreden besluit is dus strijdig met de wet en dient om deze reden vernietigd te worden, onder gegrondverklaring van het beroep.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald, dat het door eisers betaalde griffierecht ad f 450,- door het Samenwerkingsverband Noord Nederland aan eisers wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerster op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken en wijst het Samenwerkingsverband Noord Nederland aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op f 1.775,-, zoals nader aangegeven in de bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De rechtbank,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat het Samenwerkingsverband Noord Nederland eisers het betaalde griffierecht ad f 450,- dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eisers, welke zijn vastgesteld op f 1.775,- en bepaalt dat het Samenwerkingsverband Noord Nederland eisers dit bedrag moet betalen.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op , door mr A.H.J. Lennaerts, rechter, in tegenwoordigheid van K. Faber, griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op: 23 juni 2000 Bijlage: Staat van kosten

typ:gjb