Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2000:AA6453

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/796 BESLU V01
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen ontvankelijk bezwaar door ontbreken van besluit omtrent openbaarmaking weg.

Eisers hebben verwijdering bordje “eigen weg” opgevat als het kenbaar maken dat de weg in het vervolg een openbare bestemming zou hebben. Tegen het vooronderstelde besluit tot openbaarmaking is bezwaar gemaakt; verweerders hebben niet de bezwaarschriftenprocedure van de Awb gevolgd, doch hebben bij brief meegedeeld geen aanleiding te zien om aan de bezwaren van eisers tegemoet te komen.

Rb. oordeelt dat sprake is van een besluit op bezwaar, waartegen beroep openstaat. Ambtshalve oordeel of het bezwaar terecht ontvankelijk is geacht. De Rb. vat het geschil tussen partijen samen als een geschil over de status van de weg en de legitimiteit van maatregelen die m.b.t. de weg zijn getroffen.

Toen de gemeente Bedum de weg in eigendom verwierf, werd deze rechthebbende in de zin van art. 4 eerste lid onder III Wegenwet. Als gevolg van het bepaalde in art. 5 Wegenwet is het slechts mogelijk de weg een openbare bestemming te geven met medewerking van de gemeenteraad. In de raad heeft besluitvorming plaatsgevonden om de weg in eigendom van de gemeente Bedum te doen geraken. Niet blijkt van een afzonderlijk besluit op grondslag van art. 5 Wegenwet. Mocht aangenomen worden dat wel van een zodanig besluit sprake zou zijn, dan staat in ieder geval vast dat een dergelijk besluit nimmer is bekendgemaakt op de wijze als bedoeld in art. 3:42 Awb. Dit heeft tot gevolg dat er geen sprake is van een in werking getreden besluit van de raad van de gemeente Bedum tot openbaarmaking van de weg. Er is dus ook geen sprake geweest van een besluit van de raad, dat voor bezwaar vatbaar was. Wel is beslist, al dan niet op grondslag van delegatie daartoe, om de feitelijke handeling te verrichten van het verwijderen van het bord "eigen weg", op basis van de bevoegdheid daartoe als vertegenwoordigers van de eigenaar van de weg. Tegen een dergelijk handelen is geen bezwaar mogelijk op grond van de Awb. Het ontbreken van een in werking getreden besluit van de raad om medewerking te verlenen heeft tot gevolg dat de weg niet openbaar is in de zin van het eerste lid van art. 4 Wegenwet. Verweerders mening dat dit wel het geval is en dat het bord eigen weg dus verwijderd moest worden namens de eigenaar van de weg, komt hiermee niet overeen.

Bezwaarschrift had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

Burgemeester en wethouders van Bedum, verweerders.

mr. A.H.J. Lennaerts

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2000-06-23
Wegenwet 4, geldigheid: 2000-06-23
Wegenwet 5, geldigheid: 2000-06-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 99/796 BESLU V01

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

1. A, wonende te B,

2. C, wonende te D,

eisers,

en

Burgemeester en wethouders van de gemeente Bedum,

verweerders.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerders hebben bij besluit van 24 juni 1999 het door eisers gemaakte bezwaar tegen het door hen als besluit aangemerkte schrijven van 26 februari 1999, ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing hebben eisers beroep doen instellen.

Eisers vorderen vernietiging van deze beslissing en veroordeling van verweerders in de proceskosten.

Verweerders hebben stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Eisers' gemachtigde heeft van repliek gediend, waarna verweerders van dupliek hebben gediend.

Partijen hebben de beschikking gekregen over de gedingstukken.

De voorzitter heeft het vooronderzoek gesloten en heeft de verdere behandeling van het beroep verwezen naar een zitting van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken.

De griffier heeft partijen uitgenodigd ter zitting te verschijnen onder mededeling van plaats en tijdstip van de zitting. Daarbij is er op gewezen dat tot tien dagen voor de zitting nog nader stukken door partijen mogen worden ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 juni 2000.

Eisers zijn in persoon verschenen en bijgestaan door hun gemachtigde mr R.E. Beverwijk, advocaat te Groningen.

Voor verweerders is verschenen mw H.S. Kruim, ambtenaar van de gemeente Bedum.

Partijen hebben hun standpunt uiteengezet.

De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan binnen zes weken.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

2a. Feiten.

De rechtbank legt de volgende feiten aan haar beslissing ten grondslag. Voorzover nodig waardeert de rechtbank die feiten.

Eisers vormen samen de maatschap Z, die een agrarisch bedrijf exploiteert aan het […]. 3 te D. Het perceel van de maatschap wordt gedeeltelijk begrensd door het […]diep. Langs de oostzijde van het […]diep loopt vanaf het perceel van de maatschap een weg in de richting van D. In het verleden was de grond waarop de weg is aangelegd verpacht aan eisers c.q. de maatschap. De weg was niet openbaar. Voor eisers is de betreffende weg de enige mogelijkheid om op de openbare weg te komen en om alle kavels behorende bij het bedrijf van eisers te bereiken.

In het begin van de jaren '70 heeft het waterschap de eigendom verkregen van de betreffende grond.

Aan het eind van de weg, direct naast het perceel van de maatschap, heeft het waterschap een gemaal gebouwd. Het waterschap kon dit gemaal alleen bereiken via de weg van eisers en wenste om die reden de eigendom te verkrijgen van die weg.

Als gevolg van een ruilverkaveling is de pacht van de weg beëindigd. Bij de beëindiging hebben eisers bedongen dat zij de weg mochten blijven gebruiken als ware het hun eigen weg. Overeengekomen is dat eisers de weg onbeperkt konden blijven gebruiken voor de uitoefening van hun bedrijf. Eisers zouden door het waterschap op geen enkele wijze in de bedrijfsuitvoering kunnen worden belemmerd. Notarieel is een en ander vastgelegd in de vorm van een erfdienstbaarheid ten laste van het waterschap.

Eisers hebben ook na de voltooiing van het gemaal zonder problemen gebruik kunnen maken van de weg.

Aan het begin van de weg heeft steeds een bord gestaan waarop staat vermeld dat het gaat om een eigen weg van het waterschap.

Op 4 juni 1998 is de weg langs het Boterdiep O.Z. door het waterschap verkocht aan de gemeente Bedum ten behoeve van de realisatie van een fietsverbinding tussen Ellerhuizen en Zuidwolde. Vanuit Ellerhuizen is een nieuw fietspad aangelegd.

Tegen de aanleg van het fietspad en de aansluiting op de hierboven genoemde weg hebben eisers bezwaar gemaakt en beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank te Groningen. Bij uitspraak van 19 maart 1999 is het beroep van eisers ongegrond verklaard.

Nog tijdens de procedure van bezwaar en beroep is de aanleg van het fietspad en de aansluiting op de weg langs het Boterdiep O.Z. (hierna te noemen: de weg) voltooid.

Enige tijd daarna, op 12 november 1998, zagen eisers dat het bordje "eigen weg", dat door het waterschap bij de ingang van de weg was aangebracht, was verdwenen. Eisers hebben daarop aangenomen dat dit is geschied in opdracht van verweerders en dat de bedoeling daarvan was kenbaar te maken dat de weg in het vervolg een openbare bestemming zou hebben. Zij hebben zich hiermee tot hun gemachtigde gewend.

Deze heeft een schrijven tot verweerders gericht, gedateerd 4 december 1998.

Middels dit schrijven maken eisers bezwaar tegen het door hen vooronderstelde besluit tot openbaar- making van de weg. Daarbij is door hen gesteld dat hen geen besluit van de Raad bekend is, waarbij deze de weg bestemt tot openbare weg, en dat dit kennelijk is geschied door verweerders.

Dit besluit van verweerders is volgens eisers onbevoegd genomen. Vervolgens hebben zij hun bezwaren tegen het door hen vooronderstelde besluit weergegeven (neerkomend op het niet althans onvoldoende meewegen van een aantal belangen van eisers). Verweerders is verzocht het besluit tot openbaarmaking te heroverwegen en in te trekken.

Bij schrijven van 26 februari 1999 is een afschrift van het bezwaarschrift aan verweerders toegezonden, omdat deze stelden dat het bezwaarschrift niet bekend was.

Bij schrijven van 24 juni 1999 hebben verweerders gereageerd op het bezwaarschrift.

Dit schrijven is verzonden zonder de bezwaarschriftprocedure van de Awb te volgen, omdat verweerders meenden dat er geen sprake is van een bezwaarschrift in de zin van de Awb, nu er geen sprake is van een ongeldig besluit van verweerders.

In het schrijven is tevens medegedeeld dat verweerders beslist hebben geen aanleiding te zien om aan de bezwaren van eisers tegemoet te komen.

Het beroep richt zich tegen de door eisers gemachtigde uit het schrijven afgeleide beslissingen.

2b. Standpunt partijen.

De gemachtigde van eisers heeft aangenomen dat sprake is van een besluit op bezwaar, inhoudend ongegrondverklaring van het bezwaar. Daartegen richt zich het beroepschrift, dat op 5 augustus 1999 is ingekomen ter griffie. Mocht dit standpunt niet juist bevonden worden, dan blijkt volgens de gemachtigde van eisers uit het schrijven van 24 juni 1999 dat verweerders geen besluit op bezwaar wensen te nemen.

In beide gevallen is volgens de gemachtigde van eisers niet gehandeld en beslist met inachtneming van de bepalingen van de Wegenwet (met name: artikel 5) en van de Awb.

Verweerders hebben in het verweerschrift aangegeven thans op het standpunt te staan dat wellicht te voorbarig is geconcludeerd dat geen sprake was van een besluit van verweerders, waartegen ingevolge de Awb bezwaar kan worden gemaakt.

Overigens persisteren zij bij de juistheid van handelen en besluiten. Met name voeren zij aan dat er geen besluit van de Raad noodzakelijk is om de weg een openbare bestemming te geven, nu de Raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld waarin de weg een openbare bestemming heeft gekregen en ook overigens altijd heeft meegewerkt aan realisering van de openbaarheid.

Naar aanleiding van de verwijzing van eisers' gemachtigde naar jurisprudentie van de Afdeling Rechtspraak, hebben verweerders aanvullend betoogd (in dupliek) dat de Wegenwet geen regels bevat over de wijze waarop het gemeentebestuur aan een weg de bestemming van openbaarheid kan verlenen. Het achterwege blijven van een afzonderlijk, naar buiten gericht besluit tot openbaarmaking van een weg, sluit het bestaan van een zodanige bestemming niet uit, aangezien ook op grond van handelingen en besluiten van het gemeentebestuur kan worden geconcludeerd dat het toekennen van een zodanige bestemming geacht moet worden te hebben plaatsgevonden (ARRvS 28 februari 1980, Gst. 1980, 8, uitwegvergunning Laren).

Daaraan is toegevoegd dat er uitsluitend voor fietsers iets is veranderd, omdat de weg een doodlopende weg is gebleven en slechts voor fietsers een doorgaande route kent.

2.c Overwegingen.

De rechtbank overweegt ambtshalve dat het bezwaarschrift van 4 december 1998 geacht moet worden bij verweerders te zijn ingekomen op de dag na verzending, gezien de wijze van verzending en de daarvan aanwezige gegevens.

Mocht dit niet zo zijn, dan is het schrijven van 26 februari 1999 aan te merken als bezwaarschrift.

In beide gevallen speelt de tijdigheid van het bezwaar geen rol, zoals hierna moge blijken.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een bezwaarschrift in de zin van de Awb, omdat dit blijkens de bewoordingen en het daarin vervatte verzoek, als zodanig is bedoeld.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de beslissing van verweerders om de bezwaren van eisers te verwerpen, voor de toepassing van hoofdstuk 6 en 7 van de Awb moet worden gezien als ongegrondverklaring van de bezwaren, cq. handhaving van de beslissing(en) van verweerders.

Nu aldus is beslist op een bezwaarschrift, is sprake van een besluit op bezwaar, medegedeeld bij het schrijven van 24 juni 1999. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de RvS heeft tot gevolg, dat tegen dit besluit beroep openstaat op de rechtbank.

De rechtbank moet vervolgens ambtshalve beoordelen of het bezwaar terecht ontvankelijk is geacht. Daarvoor is doorslaggevend of sprake is van een door verweerders genomen besluit, waartegen bezwaar gemaakt kan worden ingevolge de Awb.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Gezien de wisselende en moeilijk navolgbare standpunten van verweerders, vat de rechtbank het geschil tussen partijen samen als een geschil over de status van de weg en de legitimiteit van maatregelen die met betrekking tot de weg zijn getroffen.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat geen sprake was van een openbare weg in de zin van de Wegenwet, zolang de vorige eigenaar (waterschap) met het bord "eigen weg" kenbaar maakte dat de weg slechts met toestemming van de eigenaar toegankelijk was (art. 4, tweede en derde lid Wegenwet). Dat in de praktijk personen zonder toestemming de weg gebruikten met hun auto (met name vissers), doet aan deze juridische status van de weg niet af.

Artikel 4 eerste lid onder III Wegenwet luidt: "Een weg is openbaar wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming openbare weg heeft gegeven".

Het eerste lid van artikel 5 Wegenwet luidt: "Na de inwerkingtreding van deze wet kan de onder III van het eerste lid van het voorgaande artikel bedoelde bestemming slechts worden gegeven met medewerking van de raad der gemeente, waarin de weg is gelegen".

Het tweede lid van artikel 5 luidt: "Deze medewerking wordt niet vereist wanneer die bestemming gegeven wordt door het Rijk, door een provincie of door een waterschap".

Besluiten van een gemeenteraad om medewerking te verlenen, zijn besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, doordat deze een publiekrechtelijke status aan de weg verlenen (ontstaan beheersplicht gemeente).

Toen de gemeente Bedum de weg in eigendom verwierf, werd deze rechthebbende in de zin van artikel 4 eerste lid onder III Wegenwet.

Als gevolg van het bepaalde in artikel 5 van de Wegenwet is het slechts mogelijk de weg een openbare bestemming te geven met medewerking van de Raad.

De rechtbank leidt uit de beschikbare gegevens af dat er in de Raad besluitvorming heeft plaatsgevonden om de weg in eigendom van de gemeente Bedum te doen geraken.

Niet blijkt van een afzonderlijk besluit op grondslag van artikel 5 Wegenwet. De besluitvorming in het kader van het bestemmingsplan, kan, in tegenstelling tot hetgeen verweerders menen, niet als zodanig worden aangemerkt.

Mocht aangenomen worden dat wel van een zodanig besluit sprake zou zijn, dan staat in ieder geval vast dat een dergelijk besluit nimmer is bekendgemaakt door bekendmaking in een van overheidswege uitgegeven blad dan wel in een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere wijze die geschikt is om besluiten bekend te maken, die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht (art. 3:42 Awb).

Dit heeft tot gevolg dat er geen sprake is van een inwerkinggetreden besluit van de Raad van de gemeente Bedum tot openbaarmaking van de weg. Er is dus ook geen sprake geweest van een besluit van de Raad, dat voor bezwaar vatbaar was.

Hierbij merkt de rechtbank op dat de redenering in de door verweerders genoemde uitspraak niet meer kan worden gevolgd onder het regime van de Awb, als gevolg van voormelde eis van artikel 3:42 Awb.

Ten overvloede zij nog vermeld dat artikel 6:10 Awb niet aan de orde is omdat eisers niet ageren tegen een besluit van de Raad doch tegen een door hen voorondersteld besluit van verweerders.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van een besluit van verweerders tot het verlenen van de status van openbare weg aan de weg. Een dergelijke beslissing is nimmer genomen. Wel is beslist, al dan niet op grondslag van delegatie daartoe, om de feitelijke handeling te verrichten van het verwijderen van het bord "eigen weg", op basis van de bevoegdheid daartoe als vertegenwoordigers van de eigenaar van de weg.

Tegen een dergelijk handelen is geen bezwaar mogelijk op grond van de Awb.

Verder is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van een in werking getreden besluit van de Raad om medewerking te verlenen, tot gevolg heeft dat de weg niet openbaar is in de zin van het eerste lid van artikel 4 Wegenwet.

Verweerders mening dat dit wel het geval is en dat het bord eigen weg dus verwijderd moest worden namens de eigenaar van de weg, komt hiermee niet overeen.

2d. Conclusies.

Het voorgaande voert de rechtbank tot het oordeel dat er op 4 december 1998 en op 26 februari 1999 geen sprake was van een besluit, dat ingevolge de Awb vatbaar was voor bezwaar. Verweerders hadden het bezwaar dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Deze strijd met de wet heeft tot gevolg dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden en dat beslist moet worden als hierna geschiedt.

Omdat het bestreden besluit wordt vernietigd op voormelde grond met evenvermeld resultaat, zal de rechtbank tevens een proceskosten veroordeling uitspreken. De hoogte daarvan is gemotiveerd in de bijlage bij deze uitspraak.

3. BESLISSING

De rechtbank,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 juni 1999, waarbij het bezwaar van eisers ongegrond is verklaard;

- verklaart het bezwaar niet ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerders in de proceskosten ten bedrage van f 2.662,50, als gespecificeerd in de bijlage van deze uitspraak;

- wijst de gemeente Bedum aan als rechtspersoon die deze kosten, alsmede het door eisers betaalde griffierecht van f 225,00, dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr A.H.J. Lennaerts, rechter en in het openbaar door hem uitgesproken

op 23 juni 2000 in tegenwoordigheid van K. Faber als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

Partijen en andere belanghebbenden kunnen binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen beroep instellen bij $de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden op: 23 juni 2000 Bijlage: Staat van kosten

typ: fz