Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:1999:AA4129

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/470 ABW V06
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2000, 54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 98/470 ABW V06

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

en

burgemeester en wethouders van Groningen, verweerders.

1. PROCESVERLOOP

Verweerders hebben bij besluit van 17 maart 1998, kenmerk RAA68003835K/SZ98.23486/VTIR/KvL/HB, verzonden op 31 maart 1998, het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit van 23 juli 1997, waarbij van eiser de over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 op grond van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen (BZ) verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan wordt teruggevorderd, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 7 mei 1998, op nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 1 juli 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 juli 1998 heeft eiser van repliek gediend.

Op verzoek van de rechtbank hebben verweerders bij brief van 10 juni 1999 nog enkele stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 1 juli 1999.

Eiser is aldaar in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr K.D. van Loo.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Feiten.

Verweerders hebben, voor zover hier van belang, eiser bij besluiten van achtereenvolgens 20 april 1994, 28 juli 1994 en 25 oktober 1994 over de periode van 1 april 1994 tot 27 maart 1995 op grond van het BZ periodieke bijstand in de vorm van een renteloze lening toegekend in de algemene kosten van het bestaan naar de norm voor een alleenstaande.

Op 26 juni 1994 is eiser betrokken geweest bij een verkeersongeval, waaraan hij lichamelijke klachten heeft overgehouden. Eiser heeft verweerders op 31 oktober 1994 bericht dat hij op grond van voornoemde klachten een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd bij het GAK. Vervolgens heeft eiser verweerders bij brief van 29 maart 1995 meegedeeld dat hem bij besluit van 12 januari 1995 door het GAK met terugwerkende kracht tot 26 juni 1994 ziekengeld is toegekend. Bij brief van 13 maart 1996 hebben verweerders eiser bericht dat hen uit onderzoek is gebleken dat eiser naast een uitkering tevens andere inkomsten heeft ontvangen, zodat besloten is om een nader onderzoek in te stellen.

Bij besluit van 23 juli 1997 hebben verweerders eiser onder meer meegedeeld dat de hem over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan tot een bedrag van totaal f 11.491,31 van hem wordt teruggevorderd. Verweerders hebben daarbij overwogen dat eiser gedurende deze periode een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, die hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

Tegen dit besluit heeft eiser op 29 augustus 1997, nader aangevuld op 1 september 1997, een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Bij besluit van 3 december 1997 hebben verweerders, onder intrekking van voornoemde beslissing van 23 juli 1997, en op grond van een enigszins gewijzigde motivering, van eiser de hem over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan teruggevorderd. De totale netto vordering bedraagt f 11.491,31.

In een afzonderlijk schrijven van 3 december 1997 hebben verweerders eiser meegedeeld dat zijn bezwaarschrift van 29 augustus 1997 mede geacht wordt te zijn gericht tegen de beslissing van 3 december 1997.

Op 5 december 1997 heeft eiser nog een nadere reactie ingezonden.

Het bezwaar van eiser is behandeld in de vergadering van de Commissie voor de bezwaarschriften Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering Sociale Zekerheid van 23 februari 1998. De Commissie heeft verweerders geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren, onder aanvulling van de motivering.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders, overeenkomstig voornoemd advies van de Commissie, het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het besluit aangevuld in die zin, dat de over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 verstrekte bijstand bestemd voor de algemene kosten van het bestaan wordt teruggevorderd, aangezien eiser over die periode een uitkering van het GAK heeft ontvangen welke hoger is dan de destijds voor hem geldende bijstandsnorm (artikel 82, sub a, Abw).

Eiser is van mening dat verweerders in dit geval de terugvordering achterwege dienen te laten. Hij heeft er op gewezen dat hij de sociale dienst tijdig in kennis heeft gesteld van de aan hem verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkering. Door hem 2,5 jaar nadien met een terugvordering te confronteren is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid.

Het van toepassing zijnde recht.

Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te duiden als Abw) in werking getreden. Ingevolge artikel 3 van de Invoeringswet Herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200) zijn de Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, verder aan te duiden als ABW) en de daarop gebaseerde regelingen waaronder het BZ, per 1 januari 1996 ingetrokken.

Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, nr. 248), houdende onder meer wijziging van de Abw, in werking getreden (hierna te noemen: de Wet boeten). Op grond van het eerste lid van artikel XVI van de Wet boeten wordt in de bevoegdheid van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen voor die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht.

Nu het thans bestreden besluit betrekking heeft op de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 dient het bestreden besluit te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de ABW.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, ABW, wordt door burgemeester en wethouders aan iedere Neder- lander, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand verleend. Op grond van het tweede lid, van voornoemd artikel 1 wordt de bijstand afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin. Eventuele inkomsten, ongeacht door wie van de in de bijstand begrepen gezinsleden deze worden genoten, dienen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II, paragraaf 3, Bijstandsbesluit landelijke normering (BLN) op de uitkering in mindering te worden gebracht.

In artikel 58, eerste lid, ABW is bepaald dat kosten van bijstand verleend over een bepaalde periode of met een bepaalde bestemming van de betrokkene teruggevorderd worden tot het bedrag van de inkomsten welke hij met betrekking tot die periode later ontvangt, onderscheidenlijk tot het bedrag van de middelen welke met het oog op die bestemming later door hem worden ontvangen. Ingevolge artikel 61d, eerste lid, ABW worden, behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen 58 en 59, kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van de beschikking tot terugvordering zijn gemaakt, niet teruggevorderd.

Beoordeling van het geschil.

Verweerders hebben hun bestreden besluit gebaseerd op de bepalingen van de (nieuwe) Abw, terwijl, zoals hiervoor is overwogen onder de rubriek "Het van toepassing zijnde recht," in dit geval de (oude) ABW nog van toepassing is. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank zal hier evenwel geen consequenties aan verbinden, aangezien het in dit geval voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil geen verschil maakt of het nieuwe dan wel het oude recht wordt toegepast. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of verweerders terecht de aan eiser over bovengenoemde periode verstrekte bijstand in de algemene kosten van het bestaan van hem hebben teruggevorderd.

Eiser heeft over de periode van 26 juni 1994 tot 1 april 1995 op grond van het BZ een uitkering voor de algemene kosten van het bestaan naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. De Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen heeft eiser bij besluit van 12 januari 1995 met terugwerkende kracht tot 26 juni 1994 ziekengeld toegekend. Eiser heeft in elk geval tot 1 april 1995 ziekengeld ontvangen. Het aan eiser toegekende ziekengeld bedroeg meer dan de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Ziekengeld is een uitkering die strekt tot vervanging van door ziekte gederfde inkomsten uit arbeid en is daarmee voor de toepassing van de ABW op één lijn te stellen met die inkomsten. Gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, ABW hebben verweerders de uitkering dan ook terecht van eiser teruggevorderd.

Verder moet worden vastgesteld dat de in artikel 61d, eerste lid, ABW genoemde termijn waarbinnen tot terugvordering moet worden overgegaan niet geldt ten aanzien van terugvorderingen op grond van artikel 58, eerste lid, ABW. Verweerders hebben weliswaar niet adequaat gereageerd op de brief van eiser van 29 maart 1995, doch dit staat er niet aan in de weg dat zij alsnog tot terugvordering overgaan. Zij zijn daartoe op grond van artikel 58, eerste lid, ABW ook gehouden.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 19 juli 1999, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op: 19 juli 1999

typ:sv