Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3666

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/1726 AAWAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft met ingang van 1 november 1996 de aan eiser met ingang van 29 mei 1985 toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ingetrokken en zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van dezelfde datum herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

ENKELVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 96/1726 AAWAO V12

U I T S P R A A K

inzake het geschil tussen

A te B, eiser,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, verweerder,

gemachtigde: mw. mr G. Koopman, juridisch medewerkster bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. te Zeist.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 16 oktober 1996, nr. 01R.917.20.11.49, met ingang van 1 november 1996 de aan eiser met ingang van 29 mei 1985 toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ingetrokken en zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van dezelfde datum herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 23 november 1996, met diverse bijlagen, op nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 30 januari 1997 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift, met als bijlage een reactie van 31 december 1997 van de verzekeringsgeneeskundige J. Spanjer, ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 13 oktober 1998.

Eiser is aldaar in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich, zoals aangekondigd bij brief van 6 oktober 1998, niet doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst teneinde nader medisch onderzoek te doen plaatsvinden.

De rechtbank heeft bij brief van 15 oktober 1998 de revalidatie-arts P.C.Th. van Aanholt te Emmen benoemd als deskundige, ten einde haar van verslag en advies te dienen omtrent de in een bijlage bij die brief opgenomen vragen.

Deze deskundige heeft eiser op 27 oktober 1998 onderzocht en op 8 december 1998 verslag en advies uitgebracht, waarbij de deskundige heeft aangegeven dat eiser ook nog door een psychiater dient te worden onderzocht.

De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 15 december 1998 de psychiater prof dr R.J. van den Bosch te Groningen benoemd als deskundige, ten einde haar van verslag en advies te dienen omtrent de in een bijlage bij die brief opgenomen vragen.

Deze deskundige heeft eiser op 14 januari 1999 onderzocht en op 18 januari 1999 verslag en advies uitgebracht. Afschriften van de laatstgenoemde gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

De behandeling ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank is voortgezet op 23 maart 1999.

Eiser is aldaar in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich, zoals aangekondigd bij brief van 19 maart 1999, ter zitting niet doen vertegenwoordigen.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Het van toepassing zijnde recht.

Met betrekking tot het van toepassing zijnde recht bij de beoordeling van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel XVI, derde lid, van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) blij- ven, voor zover hier van belang, de artikelen 5 AAW en 18 WAO, zoals die artikelen luidden op 31 juli 1993 (de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet TBA), van toepassing op een persoon die op 31 juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die op 1 augustus 1993 de leeftijd van 45 jaar nog niet had bereikt, tot de datum die bij het op het vierde lid van artikel XVI gebaseerde Cohortenbesluit is vastgesteld voor de leeftijdsgroep waartoe die persoon behoort.

Vast staat dat eiser, geboren op 26 november 1949, op 31 juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op 1 augustus 1993 de leeftijd van 45 jaar nog niet had bereikt.

Krachtens artikel 1 van het Cohortenbesluit, in samenhang met de bijlage bij dat besluit, zijn de artikelen 5 AAW en 18 WAO zoals die luidden tot 1 augustus 1993, tot 1 september 1996 op eiser van toepassing.

Nu het recht van eiser op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen per 1 november 1996 in geding is, dient dit geschil dan ook te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 5 AAW en 18 WAO, zoals die vanaf 1 augustus 1993 luiden.

De feiten.

Eiser, werkte laatstelijk sedert 1974 als verpleegkundige bij het Psychiatrisch ziekenhuis "Groot Bronswijk" te Wagenborgen. Op 4 juni 1984 is eiser als gevolg van depressieve klachten arbeidsongeschikt geworden. Hij heeft ter zake hiervan over de maximale periode van 52 weken uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet ontvangen. Verweerder heeft eiser in aansluiting hierop met ingang van 29 mei 1985 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij zijn thans bestreden besluit heeft verweerder met ingang van 1 november 1996 de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW ingetrokken en de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW per diezelfde datum herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft daartegen onder meer aangevoerd dat de herkeuring naar zijn beleving medisch en arbeidskundig onvolledig is geweest, omdat er op geen enkele wijze aandacht is besteed aan de psychische en fysieke factoren. Hij heeft ter zitting op 13 oktober 1998 aangedrongen op volledig medisch onderzoek. Ter zitting op 23 maart 1999 heeft eiser gesteld dat het doorzenden van volledige medische rapporten aan verweerder naar zijn mening een onaanvaardbare inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer betekent.

In zijn verweerschrift heeft verweerder onder meer aangevoerd dat:

- de psychische en fysieke factoren bij de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige bekend waren;

- de verzekeringsgeneeskundige, na medisch onderzoek, een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld waarin rekening is gehouden met voornoemde beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid; - de duur van zo'n onderzoek van diverse factoren afhangt;

- in de onderhavige situatie, gelet op de aanwezige informatie en gelet op de rapportages van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige, het onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het geschil.

Het doorzenden van medische rapportages. Eiser heeft -kort samengevat- zich op het standpunt gesteld dat het doorzenden van volledige medische rapporten aan verweerder een onaanvaardbare inbreuk vormt op zijn privacy.

Aan eiser kan worden toegegeven dat het doorzenden van volledige medische rapportages kan worden gezien als een inbreuk op zijn privacy, doch de rechtbank is van oordeel dat het een aanvaardbare inbreuk is te achten als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat artikel luidt als volgt:

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn priv‚leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

In artikel 8:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de griffier de op de zaak betrekking hebbende stukken doorzendt aan partijen, voorzover de rechtbank niet op grond van artikel 8:29 of 8:32 Awb anders heeft beslist. Aangezien de in de artikelen 8:29 en 8:32 Awb bedoelde uitzonderingsgevallen, waarin de kennisneming kan worden beperkt, niet aan de orde zijn heeft de griffier in overeenstemming met artikel 8:39 Awb de medische rapporten aan verweerder doorgezonden. Het niet doorzenden van die stukken zou niet alleen in strijd met de wet geweest zijn, doch ook een onaanvaardbare inbreuk op het beginsel van "equality of arms", dat onder meer inhoudt dat beide partijen in een rechtsgeding behoren te beschikken over dezelfde stukken, teneinde elkaar "met gelijke wapens" in de procedure tegemoet te treden.

Anders dan eiser heeft gesteld acht de rechtbank het doorzenden van de rapporten van de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen een aanvaardbare inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Zij wijst er voorts nog op dat in de Awb geen bepalingen zijn opgenomen die het mogelijk maken om, zoals door eiser bepleit, beperkte kennisneming door verweerder mogelijk te maken.

Beoordeling van het geschil.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, AAW, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken, wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 25% is gedaald. Krachtens artikel 36, eerste lid, WAO, wordt -voor zover van belang- de arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een lagere uitkering in aanmerking komt.

Het begrip arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en WAO heeft een beperkte betekenis. Een verzekerde wordt ingevolge artikel 5, eerste lid, AAW, onderscheidenlijk artikel 18, eerste lid, WAO, slechts dan geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt geacht, indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid het inkomen te verdienen, dat gezonde personen als bedoeld in evengenoemde artikelen met arbeid gewoonlijk verdienen (het maatmaninkomen). Krachtens het vijfde lid van evenvermelde artikelen wordt onder eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccep- teerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Ingevolge het zesde lid van bedoelde artikelen dient buiten beschouwing te worden gelaten of verzekerde die arbeid feitelijk ook kan verkrijgen. Het gaat dus om het resterende, theoretische verdienvermogen. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid dienen verder de bepalingen van het Schattingsbesluit in acht te worden genomen.

Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit van 16 oktober 1996 gebaseerd op rapporten van de verzekeringsgenees- kundige J. Spanjer van 16 augustus 1996, met bijbehorend belastbaarheidspatroon, en van de arbeidsdeskundige R. Veenstra van 28 augustus 1996.

De verzekeringsgeneeskundige is in zijn rapport tot de conclusie gekomen, dat er sprake is van een status na psychische decompensatie en een status na ziekte van Besnier Boeck; dat het psychisch niet verstandig is dat eiser op dit moment stresserende werkzaamheden doet. De daarmee samenhangende beperkingen zijn door de verzekeringsgeneeskundige tot uitdrukking gebracht in het hiervoor vermelde belastbaarheidspatroon, het formulier Functie Informatie Systeem vg/ad.

De door de rechtbank geraadpleegde deskundige P.C.Th. van Aanholt komt in zijn rapport van 8 december 1998 tot het oordeel dat hij zich in grote lijnen kan verenigen met de door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde beperkingen en dat eiser op 28 augustus 1996 in staat moet zijn te achten de hem geduide functies te verrichten. De door de rechtbank geraadpleegde deskundige prof dr R.J. van den Bosch komt in zijn rapport van 18 januari 1999 tot het oordeel dat hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde belastbaarheid en dat hij eiser in staat acht tot arbeid gedurende 8 uur per dag op 5 dagen per week. De rechtbank acht voldoende termen aanwezig het oordeel van voornoemde deskundigen over te nemen en tot de hare te maken.

Gelet op het vorenstaande moet er van worden uitgegaan dat de beperkingen van eiser door de verzekeringsgeneeskundige juist zijn vastgesteld. Het rapport van de verzekeringsgeneeskundige, met inbegrip van het belastbaarheidspatroon, heeft dan ook als grondslag kunnen dienen voor de verdere beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser.

Op basis van het rapport van de verzekeringsgeneeskundige en het belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige een onderzoek ingesteld ter beantwoording van de vraag in hoeverre eiser met inachtneming van zijn beperkingen functies zijn aan te wijzen, waarin hij zou kunnen werken. Na raadpleging van het Functie Informatie Systeem (FIS) heeft de arbeidsdeskundige de functies van service medewerker, portier, bottelaar, enveloppenmachinebediende/monteur en assemblage monteur voor eiser geschikt geacht.

De door de rechtbank geraadpleegde deskundigen kunnen zich daarmee blijkens hun rapporten verenigen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door de arbeidsdeskundige geduide functies worden beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid, die is afgestemd op de krachten en bekwaamheden van eiser.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens het loon van de middelste van de drie functies met het hoogste bruto uurloon als mediaanloon gekozen. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 1997, RSV 142/97, had hij echter behoren uit te gaan van een maandloonvergelijking. Het vergelijken van het maandloon van eiser (f 5.381,16) met het uit de arbeidsmogelijkhedenlijst van 28 augustus 1996 blijkende mediane loon, behorend bij de functie van portier (te weten: f 4.055,--) leidt echter niet tot een andere uitkomst van de schatting. Naar het oordeel van de rechtbank is de arbeidsdeskundige uitgegaan van een juiste vaststelling van het voor eiser geldende maatmanloon.

Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat verweerder, zij het op niet geheel juiste gronden, terecht per 1 november 1996 eisers arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW heeft ingetrokken en zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het beroep is derhalve ongegrond.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mw. mr M.W. de Jonge, rechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 26 maart 1999, in tegenwoordigheid van A. Wiardi als griffier.

De griffier, wnd. De rechter

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op: typ: sv