Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3658

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
20-04-1999
Datum publicatie
15-09-2005
Zaaknummer
96/1285 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2000:AA6092
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluiten van diverse organen van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel zijn geen besluiten als bedoeld in art. 1:3 Awb.

Eiser heeft terzake van de hem door Zuivelfabriek De

Kievit BV opgelegde kortingen op geleverde melk op 23 augustus 1995 een klacht ingediend bij de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (het COKZ). De Directeur van het COKZ heeft de klacht afgewezen.

Wetsverwijzingen
Landbouwkwaliteitswet
Landbouwkwaliteitswet 2
Landbouwkwaliteitswet 4
Landbouwkwaliteitswet 6
Landbouwkwaliteitswet 7
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/142 met annotatie van F.A.M. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

SECTOR BESTUURSRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Reg.nr.: AWB 96/1285 BESLU

U I T S P R A A K

inzake de geschillen tussen

A te B, eiser gemachtigde mr. A.E. Noordhuis

en

1. de Directeur van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel, verweerder, gemachtigde mr. L.A.D. Keus;

2. de Klachtencommissie boerderijmelk van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel, verweerster;

3. de Raad van Beroep van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel, verweerder.

1. PROCESVERLOOP

Zuivelfabriek De Kievit B.V. te Meppel (verder te noemen: De Kievit) heeft eiser bij brieven van 24 juli 1995, 28 juli 1995, 8 augustus 1995 en 15 augustus 1995 kortingen opgelegd op de aan eiser uit te betalen prijs voor aan de fabriek geleverde melk.

Eiser heeft ter zake van de opgelegde kortingen op 23 augustus 1995 een klacht ingediend bij de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (verder te noemen: het COKZ). De Directeur van het COKZ (verder te noemen: de Directeur) heeft bij beslissing van 21 september 1995 de klacht afgewezen.

Bij brief van 20 oktober 1995 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de Directeur van 21 september 1995 bij de Klachtencommissie boerderijmelk van het COKZ (verder te noemen: de Klachtencommissie). De Klachtencommissie heeft bij beslissing van 4 december 1995 het bezwaar ongegrond verklaard en de beslissing van de Directeur bevestigd.

Tegen de beslissing van de Klachtencommissie heeft eiser bij brief van 5 februari 1996 beroep ingesteld bij de Raad van Beroep van het COKZ (verder te noemen: de Raad van Beroep). De Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 18 april 1996 de beslissing van de Klachtencommissie bekrachtigd.

Eiser heeft bij brief van 19 augustus 1996 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen zowel de beslissing van de Directeur van 21 september 1995 als tegen de beslissing van de Klachtencommissie van 4 december 1995 en de uitspraak van de Raad van Beroep van 18 april 1996.

De Raad van Beroep heeft op 27 november 1996 een verweerschrift ingediend.

De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 28 november 1996 door de Secretaris van de Klachtencommissie aan de rechtbank toegezonden.

Eiser heeft bij brief van 6 december 1996 nader inlichtingen verstrekt.

De Directeur heeft bij brief van 27 januari 1997 verweer gevoerd.

Bij brief van 14 februari 1997 heeft eiser gerepliceerd.

De Directeur heeft daarop gereageerd bij brief van 28 februari 1997.

Eiser heeft bij brieven van 12 augustus 1997 en 24 juli 1998 nadere stukken ingezonden.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Directeur en de Raad van Beroep in de gelegenheid gesteld in elk van de andere gedingen als partij aan het geding deel te nemen. Tevens is De Kievit in de gelegenheid gesteld aan de onderscheiden gedingen deel te nemen. De Directeur heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Het geschil is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 10 december 1998. Eiser is aldaar verschenen bij gemachtigde mr. A.E. Noordhuis.

De Directeur heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.A.D. Keus, M. Bouwman en J.S. Beukers. Aangezien inmiddels was gebleken dat de Klachtencommissie tot dan niet was aangemerkt als verwerende partij en evenmin in de gelegenheid was gesteld als partij deel te nemen aan beide andere gedingen, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, Awb geschorst.

Bij brief van 30 december 1998 is de Klachtencommissie in de gelegenheid gesteld verweer te voeren en als partij deel te nemen in de gedingen ter zake van de beslissing van de Directeur en de uitspraak van de Raad van Beroep.

De Klachtencommissie heeft haar standpunt kenbaar gemaakt bij brief van 15 januari 1999.

De rechtbank heeft bij brief van 5 maart 1999 partijen op grond van artikel 8:64, vijfde lid, Awb om toestemming gevraagd voor het achterwege laten van een nadere zitting. Nu eiser bij brief van 8 maart 1999, de Directeur bij brief van 9 maart 1999, de Klachtencommissie bij brief van 8 maart 1999, de Raad van Beroep bij bericht van 19 april 1999 en Zuivelfabriek De Kievit B.V. bij brief van 29 maart 1999 bedoelde toestemming hebben gegeven bepaalt de rechtbank dat een nadere zitting achterwege blijft en sluit zij het onderzoek.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Feiten.

Eiser is eigenaar van een melkveehouderij te Oldehove. Hij heeft in 1995 rauwe melk geleverd aan De Kievit. De Kievit heeft eiser bij brieven van 24 juli 1995, 28 juli 1995, 8 augustus 1995 en 15 augustus 1995, de zogenaamde kwaliteitsberichten, kortingen van 50 cent per kilogram opgelegd op de aan eiser uit te betalen prijs voor geleverde melk. Dit in verband met het feit dat bij monsternemingen op 19 juli 1995, 24 juli 1995, 2 augustus 1995 en 10 augustus 1995 in de door eiser geleverde melk bacteriegroeiremmende stoffen behorende tot de groep Aminoglycosiden zijn aangetroffen. In totaal heeft De Kievit een bedrag van f. 5.428,95 op de melkprijs in mindering gebracht.

Eiser heeft bij brief van 23 augustus 1995 bij het COKZ bezwaar gemaakt tegen de opgelegde kortingen. De Directeur heeft bij beslissing van 21 september 1995 de klacht afgewezen.

Bij brief van 20 oktober 1995 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de Directeur van 21 september 1995 bij de Klachtencommissie. De Klachtencommissie heeft bij beslissing van 4 december 1995 het bezwaar ongegrond verklaard en de beslissing van de Directeur onder aanvulling en verbetering van de argumenten bevestigd.

Tegen de beslissing van de Klachtencommissie heeft eiser bij brief van 5 februari 1996 beroep ingesteld bij de Raad van Beroep. De Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 18 april 1996, onder aanvulling van de gronden, de beslissing van de Klachtencommissie bekrachtigd.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft bij beroepschrift van 19 augustus 1996 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Raad van Beroep, alsmede tegen de beslissingen van de Directeur en de Klachtencommissie.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Inleiding.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of zij bevoegd is te oordelen over de beslissing van de Directeur van 21 september 1995, de beslissing van de Klachtencommissie van 4 december 1995 en de uitspraak van de Raad van Beroep van 18 april 1996. In dit verband is van belang dat op grond van artikel 8:1, eerste lid, Awb een belanghebbende beroep kan instellen bij de rechtbank ter zake van een besluit. Krachtens artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Eiser en de Directeur hebben met betrekking tot de hiervoor geformuleerde vraag verschillende standpunten verdedigd.

Het standpunt van de Directeur.

De Directeur heeft gesteld dat ontvangers van boerderijmelk (de zuivelfabrieken) op grond van artikel 9 van de Landbouwkwaliteitswet en artikel 6, tweede lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit rauwe melk en zuivelbereiding verplicht zijn zich aan te sluiten bij het COKZ. Door de aansluiting ontstaat een privaatrechtelijke rechtsbetrekking tussen de aangesloten inrichting en het COKZ, een controle-instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet. De zeggenschap van het COKZ over de aangeslotenen berust op de contractueel geaarde aansluiting, waarbij de aangeslotene zich aan de statuten en reglementen van het COKZ onderwerpt. Artikel 10 van de Landbouwkwaliteitswet draagt de controle- instelling op bepaalde reglementen vast te stellen. Zulke regelementen zijn onderdeel van de contractuele rechtsbetrekkingen tussen de controle-instelling en de aangeslotenen. Zij kunnen op zichzelf geen grondslag bieden aan voor bezwaar of beroep vatbare besluiten. De beslissingen van de Directeur en de Klachtencommissie en de uitspraak van de Raad van Beroep strekken slechts tot uitvoering van het COKZ-reglement klachtenbehandeling boerderijmelk. De uitspraak van de Raad van Beroep heeft de kracht van een partijen bindend advies, evenals de daaraan voorafgaande beslissingen van de Directeur en de Klachtencommissie. De zuivelfabriek is uit hoofde van haar aansluiting bij het COKZ en haar onderworpenheid aan statuten en reglementen, gehouden de opvolgende beslissingen in het kader van de klachtenbehandeling als haar bindend te aanvaarden. De (niet-aangesloten) melkveehouder moet worden geacht de bindende kracht van de organen van het COKZ te hebben aanvaard door voor klachtenbehandeling overeenkomstig het COKZ-reglement klachtenbehandeling boerderijmelk te kiezen. Naar de opvatting van de Directeur kunnen de beslissingen van de Directeur en de Klachtencommissie en de uitspraak van de Raad van Beroep dan ook niet worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb.

Voor zover de beslissingen van De Kievit tot het opleggen van een korting aan eiser wel als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb zouden moeten worden aangemerkt heeft de Directeur naar voren gebracht dat zijn beslissing niet kan worden beschouwd als een beslissing op een bezwaar als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, Awb, noch als een beslissing genomen in administratief beroep.

Het standpunt van eiser.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de regelgeving met de term korting aangeduide sanctie op het leveren van melk met een kwaliteitsgebrek in feite geen korting is maar een inhouding door de overheid. Een korting wordt in rekening gebracht aan een contractuele wederpartij wegens levering van goederen die de volle prijs niet waard zijn of wegens andere verzuimen. De korting komt dan ten goede aan de afnemer van de goederen. Hier is sprake van een inhouding met een verplichting tot afdracht. De Kievit heeft per saldo voor de melk van eiser evenveel betaald als voor de eerste-klas melk van eiser en van andere melkveehouders. Met betrekking tot de inhouding is De Kievit een doorgeefluik van het COKZ. Het COKZ is, blijkens het wettelijk kader waarmee bevoegdheden aan het COKZ zijn gedelegeerd, bekleed met overheidsgezag. In artikel 22 van het Reglement klachtenbehandeling boerderijmelk is weliswaar bepaald dat een uitspraak van de Raad van Beroep de kracht van een bindend advies heeft. Het bestuur van het COKZ kan echter niet door middel van een reglement een van de wet afwijkende status geven aan een uitspraak van één van haar organen die bezwaren behandelt. Een bindend advies betreft een contractuele rechtsverhouding tussen partijen waarin door partijen zelf is bepaald dat eventuele geschillenbeslechting uitmondt in een uitspraak die vervolgens van rechtswege deel gaat uitmaken van het contract. Aangezien er geen sprake is van een contractuele relatie tussen eiser en het COKZ, kan er evenmin sprake zijn van een bindend advies.

Naar het oordeel van eiser is er dan ook sprake van besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb ter zake waarvan de rechtbank bevoegd is te oordelen.

Het wettelijk kader.

Blijkens de considerans van de Landbouwkwaliteitswet heeft de wetgever het wenselijk geoordeeld ter bevordering van de afzet van landbouwprodukten een algemene regeling vast te stellen betreffende de kwaliteit van voortbrengselen van de landbouw en de visserij. Op grond van artikel 2, eerste lid, Landbouwkwaliteitswet worden ter bevordering van de afzet van landbouwprodukten bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de kwaliteit van produkten. Die regels kunnen onder andere betrekking hebben op de betaling naar gelang de kwaliteiten van de produkten. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, Landbouwkwaliteitswet kunnen tevens regels worden gesteld inzake de verplichting voor een controle-instelling tot betaling aan bij haar aangeslotenen van door hen verschuldigde toeslagen in verband met de kwaliteit van produkten, alsmede de verplichting voor deze aangeslotenen tot betaling aan de controle-instelling van toegepaste kortingen in verband met de kwaliteit van produkten en van andere geldsommen ter financiering van de toeslagen. In artikel 10, tweede lid, Landbouwkwaliteitswet zijn nadere regels gegeven met betrekking tot controle-instellingen. Mede op basis van artikel 2 Landbouwkwaliteitswet is het Landbouwkwaliteitsbesluit rauwe melk en zuivelbereiding vastgesteld.

Op grond van artikel 2 Landbouwkwaliteitsbesluit is het verboden rauwe melk te produceren anders dan met inachtneming van bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, Landbouwkwaliteitsbesluit kan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor onder meer rauwe melk regels stellen met betrekking tot de verplichting voor bepaalde aangesloten inrichtingen tot betaling aan het COKZ van toegepaste kortingen en van andere geldsommen in verband met de kwaliteit van rauwe melk, alsmede de verplichting van het COKZ tot betaling aan bepaalde bij haar aangesloten inrichtingen van toeslagen in verband met de kwaliteit van rauwe melk. Krachtens artikel 4, eerste lid, Landbouwkwaliteitsbesluit kan de minister bepalen dat de in artikel 3, eerste lid, bedoelde regels in een door hem te bepalen omvang door het bestuur van het produktschap bij verordening worden vastgesteld. In artikel 6 Landbouwkwaliteitsbesluit is de verplichting tot aansluiting bij een controle- instelling neergelegd. In artikel 7, tweede lid, Lanbouwkwaliteitsbesluit is bepaald dat, indien bij of krachtens dit besluit regels worden gesteld inzake de betaling naar gelang van de kwaliteit van de rauwe melk, het COKZ met de uitvoering is belast.

Op grond van het Landbouwkwaliteitsbesluit heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de Landbouwkwaliteitsregeling uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit vastgesteld. Ingevolge artikel 2 van deze regeling stelt het produktschap bij verordening regels inzake de uitbetaling naar kwaliteit van boerderijmelk, voor zover het betreft onder meer het inhouden van een korting en het betalen van een toeslag.

Op basis van de hiervoor genoemde ministeriële regeling heeft het bestuur van het Produktschap voor Zuivel de Landbouwkwaliteitsverordening 1994, uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit, vastgesteld. Krachtens artikel 2, eerste lid, van de verordening is de ontvanger van boerderijmelk verplicht deze melk naar gelang van de kwaliteit aan de betrokken melkveehouders te betalen met inachtneming van het bij of krachtens deze verordening bepaalde. In artikel 11 van de verordening is de betaling van een kwaliteitstoeslag geregeld. Krachtens artikel 12 van de verordening dient de ontvanger van boerderijmelk per bemonsteringsperiode op grond van het totaal aantal toegekende kortingspunten een, door de voorzitter, gehoord het COKZ, te bepalen korting in te houden over de totale hoeveelheid in die periode door de betreffende melkveehouder geleverde boerderijmelk, alsmede de eventuele korting(en) per leverantie voor de aanwezigheid van bacteriegroeiremmende stoffen.

Op basis van genoemde verordening heeft de voorzitter van het Produktschap voor Zuivel het Besluit vaststelling frequentie en beoordeling resultaten kwaliteitsonderzoek vastgesteld. Krachtens artikel 1, tweede lid, van het besluit wordt in afwijking van het eerste lid, ten aanzien van het resultaat van het onderzoek op aanwezigheid van melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen een korting opgelegd van 50 cent per kg melk van de leverantie waarin melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen zijn aangetoond.

Het oordeel van de rechtbank.

De Landbouwkwaliteitswet strekt er toe, zo blijkt uit de considerans, de afzet van landbouwprodukten te bevorderen door regels te stellen met betrekking tot de kwaliteit van die produkten. In artikel 2 van de wet heeft de wetgever de grondslag gelegd voor nadere regelgeving ter realisering van het doel van de wet. Voor wat betreft rauwe melk is ter uitvoering van artikel 2 van de wet een stelsel van heffingen en toeslagen in het leven is geroepen ter bevordering van de kwaliteit. Kenmerk van dit stelsel is dat het zich in financieel opzicht zelf in stand dient te houden. De toeslagen worden betaald uit de kortingen. In beginsel worden de toeslagen en kortingen verevend op het niveau van de zuivelfabriek. Ontstaan er tekorten of overschotten per zuivelfabriek dan draagt het COKZ zorg voor een verevening op landelijk niveau. De opgelegde korting heeft geen invloed op de prijs die de zuivelfabriek zelf voor de melk dient te betalen. Dat betekent dat er geen verband bestaat tussen de hoogte van de korting en de eventuele meerkosten die voor de zuivelfabriek zijn verbonden aan het verwerken van verontreinigde melk. Verder vloeit uit artikel 6 van het Landbouwkwaliteitsbesluit voort dat melkveehouders verplicht zijn zich te onderwerpen aan dit stelsel van heffingen en toeslagen.

Gelet op het oogmerk van de Landbouwkwaliteitswet en de wijze waarop daaraan in de wet en de daarop gebaseerde regelingen uitwerking is gegeven is de rechtbank van oordeel dat het hiervoor omschreven stelsel van toeslagen en kortingen zijn grondslag vindt in het publiekrecht. Dat betekent dat zuivelfabrieken, zoals De Kievit, gehouden zijn uitvoering te geven aan een publiekrechtelijke regeling ter bevordering van de kwaliteit van landbouwprodukten. Zij moeten daarom worden aangemerkt als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, Awb. Uit het vorenoverwogene vloeit tevens voort dat besluiten van de zuivelfabrieken tot het opleggen van kortingen als de onderhavige moeten worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. De rechtbank onderschrijft niet de opvatting van de Directeur dat het zogenaamde besluiten ex lege betreft. De kortingen vloeien niet zonder meer uit de van toepassing zijnde regelgeving voort. Ook al heeft de zuivelfabriek weinig speelruimte, het is noodzakelijk dat de kwaliteit van de melk wordt vastgesteld. Het is in dit verband niet van belang dat het kwaliteitsonderzoek feitelijk wordt uitgevoerd door een melkcontrolestation. Verder is het voor de beantwoording van de bevoegdheidsvraag evenmin van belang of zich met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, Landbouwkwaliteitsbesluit verdraagt dat ingevolge artikel 12 Landbouwkwaliteitsverordening 1994 niet het COKZ, maar de ontvanger van de boerderijmelk is belast met het inhouden van de kortingen.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de beslissing van de Directeur van 21 september 1995 op het bezwaar van eiser van 23 augustus 1995 tegen de besluiten van De Kievit van 24 juli 1995, 28 juli 1995, 8 augustus 1995 en 15 augustus 1995 kan worden beschouwd als een beslissing op bezwaar dan wel als een beslissing in administratief beroep als bedoeld in de Awb.

Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, Awb wordt onder het maken van bezwaar verstaan, het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. De Directeur maakt geen deel uit van de organisatie van De Kievit. Evenmin is de korting namens de Directeur door De Kievit in mandaat opgelegd. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bezwaar dat eiser bij brief van 23 augustus 1995 bij het COKZ heeft ingediend niet kan worden beschouwd als een bezwaar in de zin van artikel 1:5, eerste lid, Awb.

Onder het instellen van administratief beroep wordt krachtens artikel 1:5, tweede lid, Awb verstaan, het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen. Op grond van artikel 10, tweede lid, Landbouwkwaliteitswet moet een controle-instelling als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet één of meer reglementen vaststellen, waarin, naast andere regels, regels worden gesteld inzake het maken van bezwaar tegen andere besluiten dan algemeen geldende voorschriften van één der organen van de controle-instelling. Ingevolge artikel 36, vierde lid, van de statuten van het COKZ stelt het centraal bestuur één of meer reglementen vast welke een goede uitvoering van de toezichthoudende taak van het COKZ inzake de betaling van boerderijmelk naar gelang van de kwaliteit waarborgen.

Krachtens artikel 36, vijfde lid, van de statuten stelt het centraal bestuur in de reglementen, bedoeld in het vierde lid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 28, regelen inzake het maken van bezwaar tegen besluiten, andere dan algemeen verbindende voorschriften, van het centraal bestuur of de directeur in verband met de betaling van boerderijmelk naar gelang van de kwaliteit.

Het centraal bestuur van het COKZ heeft op basis van artikel 10, tweede lid, Landbouwkwaliteitswet en met inachtneming van de artikelen 28 tot en met 30 en artikel 36, vijfde en zevende lid, van de statuten het COKZ-reglement klachtenbehandeling boerderijmelk vastgesteld. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het reglement kan de melkveehouder bij het COKZ bezwaar maken tegen de uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit, samenstelling en hoeveelheid door de ontvanger van de boerderijmelk.

De rechtbank stelt vast dat de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het reglement geopende mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen de uitbetaling van de boerderijmelk door de ontvanger van die melk, niet berust op artikel 10, tweede lid, Landbouwkwaliteitswet. De ontvanger van de melk, de zuivelfabriek, is immers niet één der organen van de controle- instelling, het COKZ. Ook van enig ander wettelijk voorschrift waar de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het reglement genoemde mogelijkheid tot het maken van bezwaar op zou berusten is de rechtbank niet gebleken. Daarom moet worden geoordeeld dat de mogelijkheid tot het indienen bij het COKZ van bezwaar tegen het opleggen van een korting door de zuivelfabrieken niet kan worden aangemerkt als adminstratief beroep in de zin van de Awb.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de beslissing van de Directeur van 21 september 1995 voor de toepassing van de Awb noch als een beslissing op bezwaar, noch als een beslissing in adminstratief beroep kan worden beschouwd. Nu deze beslissing ook niet anderszins zijn grondslag vindt in het publiekrecht is het geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb.

De beslissing van de Klachtencommissie van 4 december 1995 en de uitspraak van de Raad van Beroep van 18 april 1996 borduren voort op de beslissing van de Directeur van 21 september 1995 en delen daarmee het karakter van die beslissing. Derhalve kunnen ook de beslissing van de Klachtencommissie en de uitspraak van de Raad van Beroep niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb.

De conclusie moet daarom luiden dat de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over de beslissingen van de Directeur en de Klachtencommissie en de uitspraak van de Raad van Beroep.

De rechtbank overweegt voorts nog dat doorzending van het beroepschrift van eiser op grond van artikel 6:15, eerste lid, Awb aan De Kievit ter behandeling als bezwaarschrift niet mogelijk is, omdat het beroepschrift niet is gericht tegen de besluiten van De Kievit.

Met betrekking tot het verzoek van eiser om het COKZ te veroordelen tot vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten overweegt de rechtbank dat zij geen termen aanwezig acht dit verzoek in te willigen.

3. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, meervoudige kamer,

RECHT DOENDE,

- verklaart zich onbevoegd;

- wijst het verzoek van eiser om het COKZ te veroordelen in de proceskosten af.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, voorzitter, mr. E. Gottschal en mr. G. Laman, rechters

en in het openbaar uitgesproken op 20 april 1999, door de voorzitter voornoemd,

in tegenwoor digheid van mr H.J. Bastin als griffier.

De griffier, wnd. De voorzitter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op: 20 april 1999 typ: