Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:1996:AA5509

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
02-05-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
030031-95
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN

Parketnummer: 030031-95

Datum uitspraak: 2 mei 1996

op tegenspraak

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire inrichting voor vrouwen te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 7 december 1995 en 18 april 1996.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen sub 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

KWALIFICATIE

Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert de volgende strafbare feiten op:

1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair, telkens:

Moord.

STRAFBAARHEID

Namens verdachte is door de verdediging aangevoerd, dat, met betrekking tot de feiten zoals onder 1 en 4 ten laste gelegd, verdachte de beide daarin genoemde slachtoffers op hun uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven heeft beroofd, zodat sprake is van een strafverminderingsgrond indien de rechtbank het onder 1 en 4 telkens primair tenlastegelegde bewezen zou verklaren.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit het volgende.

De getuige [getuige 1] heeft ter terechtzitting van 7 december 1995 verklaard dat zij wel eens met het personeel heeft gesproken over de wens van haar vader niet langer te willen leven, maar dat zij daarmee nooit naar een arts is gegaan om erover te spreken en dat zij in feite nooit iets gedaan heeft met de doodswens van haar vader.

Tegenover de politie is terzake verklaard:

- door getuige [getuige 2], dat de heer [getuige 1] weliswaar wel eens had gezegd dat hij dood wilde, maar dat deze uitspraak veelal werd ingegeven door boosheid als [getuige 1] zijn zin niet kreeg. Overigens genoot hij zicht-baar van het bezoek van zijn dochter en kleinkinderen.

- door getuige [getuige 3], dat [getuige 1] een moeilijke man was, maar dat hij geen lijdend patiënt was en dat zijn kleinkinderen veel op bezoek kwamen. Ook zou hij af en toe door zijn dochter worden gehaald.

Het medisch dossier van [getuige 1] vermeldt dat [getuige 1] vaak de wens heeft geuit dood te willen, met name als hij benauwd is en angstig.

Verdachte heeft met betrekking tot [getuige 1] ter terechtzitting van 7 december 1995 verklaard dat zij uit zijn mimiek en woorden had opgemaakt dat hij haar verstond en begreep dat zij hem wilde helpen, wat zou betekenen: uit zijn lijden verlossen en dat hij dat ook goed vond. Ook zou [getuige 1] tegen-over verdachte hebben verklaard dat het wat hem betrof niet meer hoefde.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel [getuige 1] mogelijk meer dan eens te kennen heeft gegeven niet meer te willen leven, dit niet kan worden beschouwd als een uitdrukkelijk en ernstig verlangen als weergegeven in artikel 293 Wetboek van Strafrecht, zodat het beroep op een strafverminderingsgrond met betrekking tot [getuige 1] dient te worden verworpen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank het navolgende.

Over [het slachtoffer 1] heeft een aantal getuigen tegenover de politie verklaringen afgelegd, waaruit telkens naar voren komt dat deze nimmer tegenover zijn familie, dan wel verpleegkundigen, verzorgenden of geneeskundigen in Vliethoven de wens heeft geuit te willen sterven. Verdachte heeft gesteld dat hij slechts tegenover háár deze wens zou hebben geuit.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval op geen enkele manier aannemelijk is geworden, dat [het slachtoffer 1] uitdrukkelijk en ernstig verlangde te sterven.

Met betrekking tot de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten acht de rechtbank derhalve het door verdachte afgaan op "een blik in de ogen" van een patiënt, dan wel diens vermeende wens om te sterven, tegenover haar als ziekenverzorgende uitgesproken, bepaald ontoereikend voor een beroep op een strafverminderingsgrond.

Door te handelen zoals zij heeft gedaan heeft verdachte met een daarop gerichte handeling het leven beëindigd van twee mensen van wie niet is komen vast te staan dat zij daartoe het uitdrukkelijke, ondubbelzinnige verlangen te kennen hadden gegeven.

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Omtrent de verdachte is een tweetal rapporten uitgebracht:

- a. een multidisciplinair rapport van het Psychiatrisch Ziekenhuis te Franeker, ondertekend door de aan dit ziekenhuis verbonden psychiater T.W.D.P. van Os en psycholoog J.T. de Boer, ingekomen bij de rechter-commissaris voor strafzaken te Groningen op 15 november 1995;

- b. een multidisciplinair rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht d.d. 10 april 1996, ondertekend door de aan dat Centrum verbonden psycholoog E.H. Ameling en psychiater A.D.L. Vriesendorp.

Het onder a. vermelde rapport concludeert onder meer het volgende:

Op grond van bovenstaande overwegingen zijn er voldoende aanwijzingen om tot een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens te kunnen concluderen.

Ondergetekenden zijn van mening, dat onderzochte op basis van deze stoornis ten tijde van het plegen van de haar ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest haar wil in vrijheid en -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

Ten tijde van de feiten, voor zover bewezen geacht wordt, kwamen tegelijkertijd factoren samen, die juist op de door die gebrekkige ontwikkeling veroorzaakte kwetsbaarheid van onderzochte inspeelden (de stress van de verlatingen, het weinig gecontroleerd worden, de uitoefening van het beroep, de specifieke dynamiek tussen onderzochte en patiënten).

In antwoord op de gestelde vraag concluderen ondergetekenden, dat de feiten - indien bewezen - haar slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het onder b. vermelde rapport houdt onder meer het volgende in:

Er is bij betrokkene sprake geweest van een neurotische karakterontwikkeling met overheersing van passieve agressieregulatie en een massaal gebruik van afweermechanismen in de vorm van projectieve identificatie, ontkenning, verschuiving (turning passive into active) en overdekking door het tegendeel (pag 52).

Tekortschietende afweer leidde tot meer verzorgen om meer agressie te verdringen, resulterend in verlies van professionele distantie. Op deze wijze kon de agressie tot uiting komen in de macht om te be-schikken over leven en dood. Het feit dat voor betrokkene zonder enige twijfel vaststond dat er sprake was van uitdrukkelijke verzoeken van de bewoners om hen uit hun lijden te verlossen, moet deels gezien worden als een min of meer bewuste rationalisatie, deels als een met de stoornis verbonden selectieve vertekening van de werkelijkheid, zoals ook te herkennen valt in de discrepanties van de levensgeschiedenis, om het gevoel van eigenwaarde in stand te houden.

Hoewel bij betrokkene zeker sprake is van narcistische, en in mindere mate theatrale karaktertrekken, betreffen deze niet de persoonlijkheid als geheel.

Er is een dermate sterk verband tussen de bij betrokkene geconstateerde problematiek en de haar ten laste gelegde feiten, dat dit haar vrijheid om anders te handelen heeft beperkt (pag 53).

Laatstgemeld rapport concludeert als volgt:

Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de haar ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest haar wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

Onderzochte was ten tijde van het plegen van de haar ten laste gelegde feiten lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling harer geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - haar slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Ter terechtzitting van 18 april 1996 is als deskundige gehoord E.H. Ameling, psycholoog, verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Deze heeft het onder b. vermelde rapport nader toegelicht en de conclusie van het rapport bevestigd.

De rechtbank neemt de hiervoor vermelde conclusies met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte over en maakt die tot de hare. Zij acht verdachte strafbaar, nu ten opzichte van verdachte overigens ook geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering van de op te leggen straf en maatregel.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte een gevangenisstraf van na te noemen duur en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging moet worden opgelegd.

Door de raadslieden van verdachte is gewezen op de organisatorische gebreken binnen het verpleegtehuis Vliethoven te [woonplaats] in ieder geval tot eind 1994, zoals die naar voren komen uit het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg voor Groningen, Friesland en Drenthe van januari 1996, welk rapport door de officier van justitie aan het dossier is toegevoegd.

De rechtbank merkt op dat dit rapport in de eerste plaats als conclusie vermeldt, dat de organisatie niet als oorzaak van verdachtes handelen kan worden getypeerd. Verder wordt in het rapport gesteld, dat ook al liet de organisatie toe dat verdachte de mogelijkheid had solitair te functioneren zonder dat dit tot voldoende reageren leidde, zulks de eigen verantwoordelijkheid van verdachte die zelfstandig optrad, niet wegnam.

De rechtbank sluit zich bij dit oordeel van de inspecteur aan.

De rechtbank overweegt voorts:

- Naar haar oordeel brengen de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het onpeilbare leed dat door verdachte aan de nabestaanden van de slachtoffers is aangedaan mee, dat oplegging van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur gerecht-vaardigd is.

- Zoals weergegeven in voormelde, omtrent verdachte uitgebrachte rapporten leed zij ten tijde van de gepleegde feiten aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens dat deze feiten haar in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

- Aangezien blijkens genoemde rapporten zonder behandeling van verdachte de kans op herhaling aanwezig is, met welke conclusie de rechtbank zich verenigt, eist de veiligheid van anderen, dat verdachte, behalve een gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd.

De ter terechtzitting van 18 april 1996 gehoorde deskundige Ameling, voornoemd, heeft met betrekking tot dit punt zakelijk weergegeven onder meer het volgende verklaard:

Op grond van de conclusie in het rapport acht de kliniek behandeling van betrokkene noodzakelijk. Tevens kan ik verklaren dat behandeling ook mogelijk is, gelet op betrokkenes intelligentie en in aanmerking genomen dat er gezonde stukken in haar persoonlijkheid aanwezig zijn: ze kan goed verzorgen en heeft daarin ook een goede naam, ze heeft haar gezin ook in moeilijke tijden in stand gehouden en ze heeft een goede naam in haar omgeving. Wat daar aan puin in haar persoonlijkheid onder zit is maar een klein deel van haar persoonlijkheid. Ze zal begeleiding en medicatie nodig hebben en wel in het kader van een terbeschikkingstelling. Behandeling in een minder gedwongen kader is niet toereikend voor wat betreft het tegengaan van recidivegevaar. Als geen adequate behandeling volgt is het recidiverisico te groot. Wanneer betrokkene in een minder gedwongen positie zit, dan is het gevaar groot dat ze een meegaande façade opbouwt, waardoor zij de controle houdt en waarbij de kans groot is dat zij de behandelaar(s) op het verkeerde been zet.

Zonder behandeling bestaat reëel het gevaar dat zij een setting opzoekt waar ze kan (ver)zorgen, ook in haar privéleven. Dit betekent dat zij zelfs een ernstig zieke echtgenoot of familielid kan gaan "helpen".

Een minder strak kader dan TBS met verpleging acht ik onvoldoende voor behandeling van betrokkene.

Voorts overweegt de rechtbank nog het volgende:

Het is de rechtbank niet gebleken, dat de verdachte zelf op enigerlei wijze materieel heeft geprofiteerd van haar handelen.

Door de raadslieden van verdachte is betoogd dat de voormelde maatregel niet verenigbaar is met een tevens op te leggen gevangenisstraf van lange duur.

De rechtbank is echter van oordeel dat, hoewel, zoals hiervoor is overwogen, de bewezenverklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend, zij zo ernstig en schokkend zijn dat een langdurige gevangenisstraf niet achterwege kan blijven, zij het dat deze gevangenis-straf lager gesteld moet worden dan het geval zou zijn geweest bij iemand die volledig toerekeningsvatbaar is en ten opzichte van wie vier moorden bewezen worden verklaard.

De rechtbank acht het niet gecontra-indiceerd, dat verdachte reeds tijdens het ondergaan van de op te leggen gevangenisstraf overeenkomstig het bepaalde in artikel 47 van de Beginselenwet Gevangenis-wezen juncto artikel 120 van de Gevangenismaatregel zal worden behandeld.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf tevens in aanmerking:

- de indruk die de rechtbank van de persoon van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzittingen van 7 december 1995 en 18 april 1996 heeft verkregen;

- de vordering van de officier van justitie;

- de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de afdeling van de justitiële documentatie-dienst ten departemente d.d. 6 september 1995, waaruit blijkt, dat verdachte onbekend is in het algemeen documentatieregister.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart de verdachte voor het bewezene strafbaar.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Geeft last dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs Wessels, vice-president, voorzitter, Wieland, vice-president en Dolfing, rechter, in tegenwoordigheid van Van der Ploeg als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 mei 1996.