Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:5558

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-09-2022
Datum publicatie
30-09-2022
Zaaknummer
8858266 EL 20-3
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Dexia. Effectenlease-zaak beslissing na HR 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 8858266 EL 20-3

vonnis van de kantonrechter d.d. 22 september 2022,

in de zaak van

de besloten vennootschap [eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

wonende [woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 oktober 2020 van [eiser] , met producties,

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties,

- de conclusie van repliek van [eiser] , met producties

- de conclusie van dupliek van [gedaagde] ,

- het e-mailbericht van de zijde van [eiser] van 11 mei 2021, waarbij om een mondelinge behandeling is verzocht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juni 2021, waarbij aantekeningen zijn gemaakt door de griffier. Ter zitting hebben de gemachtigden hun spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

1.2.

De procedure is enige tijd aangehouden in verband met de te verwachten uitspraak van de Hoge Raad in een procedure bij de rechtbank Overijssel waarin prejudiciële vragen zijn gesteld die ook voor de zaak van partijen relevant zijn. De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 juni 2022 (ECLI :NL:HR:2022:862) antwoord gegeven op de prejudiciële vragen.
[eiser] is in de gelegenheid gesteld een akte te nemen naar aanleiding van deze beslissing, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft op 23 november 2000 een leaseovereenkomst met de naam ‘ [naam product] Maandbetaling’ en contractnummer [contractnummer] ondertekend. Op de overeenkomst staat hij als lessee vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) [eiser] .

2.2.

De overeenkomst is geëindigd op 9 augustus 2006. [eiser] heeft een eindafrekening opgesteld, waarop is vermeld dat de verkoopopbrengst van de aandelen, verminderd met onder andere een bedrag van € 6.230,70 aan resterende termijnen, een negatief resultaat van in totaal € 12.172,44 heeft opgeleverd. Dit bedrag is door [gedaagde] niet voldaan.

2.3.

Bij brief van 7 oktober 2020 heeft [eiser] [gedaagde] uitgenodigd om te onderzoeken of tot een gezamenlijke oplossing voor de afwikkeling van de overeenkomst gekomen kon worden. [gedaagde] heeft hierop niet gereageerd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:
1. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 4.046,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2006,
2. zal verklaren voor recht dat [eiser] met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
3. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] , althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en de nakosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling
4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij [eiser] vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde] .

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164), 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en HR 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022: 862) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

A. er is sprake van huurkoop;

B. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

C. [eiser] heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

D. afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

E. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van [eiser] .

4.4.

[eiser] vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd, maar dient [gedaagde] nog een betaling aan haar te verrichten. Van de restschuld komt, conform het Hofmodel, tweederde voor rekening van [eiser] en éénderde voor rekening van [gedaagde] , zodat hij nog € 4.046,32 aan [eiser] dient te betalen.

4.5.

[gedaagde] betwist dit en stelt dat nog niet te overzien is of er nog een vordering op [eiser] resteert, omdat de jurisprudentie op een aantal onderwerpen nog niet is uitgekristalliseerd. Hij wenst de ontwikkelingen af te wachten. In elk geval meent hij nog een vordering op [eiser] te hebben vanwege:
- de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999,
- het door [eiser] ten onrechte in rekening brengen van resterende termijnen,
- de onaanvaardbaar zware financiële last op basis van het Hofmodel en
- een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

4.6.

In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door [eiser] gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van [eiser] is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat [gedaagde] het gevorderde, althans enig bedrag, aan [eiser] dient te betalen en [eiser] niets meer aan [gedaagde] verschuldigd. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering(en) zal volgen of een voorwaardelijke toewijzing.

afwachten ontwikkelingen in de jurisprudentie

4.7.

[gedaagde] voert aan dat zij de komende ontwikkelingen in de jurisprudentie willen afwachten, zodat de vordering van [eiser] niet toegewezen kan worden zolang nog geen beslissingen in hoogste instantie zijn gegeven. Dit verweer wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde] .

4.8.

Met de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken vast dat [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade, waarvoor [eiser] in beginsel aansprakelijk is, en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is, vormt geen belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is. Met het recente arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI :NL:HR:2022:862) met antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen, is er geen concrete aanleiding om spoedige nieuwe jurisprudentie te verwachten.

tussenpersoon

4.9.

[gedaagde] heeft de overeenkomst met [eiser] afgesloten via de tussenpersoon [naam tussenpersoon] . Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In het genoemde arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 is opnieuw (eerder: Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935) geoordeeld dat indien de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens – naar de aanbieder wist of behoorde te weten- als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven, daarmee vaststaat dat de aanbieder heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999, dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995.

Bij de beoordeling of sprake is van een door de tussenpersoon gegeven vergunningplichtig advies, heeft de Hoge Raad overwogen dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling als volgt dient te worden bepaald:

- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;

- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;

- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;

- geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);

- uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.

4.10.

Voor wat betreft de vraag of sprake is geweest van een gepersonaliseerde aanbeveling heeft de Hoge Raad enkele omstandigheden genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn, namelijk:

- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;

- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;

- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.

4.11.

De zojuist genoemde omstandigheden zijn van belang voor de beoordeling of de tussenpersoon de afnemer een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden. Maar ook als dit niet wordt vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.

4.12.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagde] in voormelde zin heeft geadviseerd en dat [eiser] wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gedaagde] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde] . Dat is immers degene die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van [eiser] en de vergunningplichtige advisering beroept.
De door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover [eiser] de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee, dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde] in 2007 - weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

4.13.

[gedaagde] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
was reeds lange tijd bevriend met de [naam financieel adviseur] , financieel adviseur bij [naam tussenpersoon] . De adviseur vertelde tegen [gedaagde] dat hij [gedaagde] een mooi product kon adviseren. De adviseur gaf aan dat hij [gedaagde] en een of twee vrienden uit de vriendengroep graag zou willen adviseren en een kleine bijeenkomst wilde organiseren. Omdat [gedaagde] hierin was geïnteresseerd – hij was destijds 22 jaar en wilde graag sparen voor te toekomst – is [gedaagde] op de uitnodiging ingegaan.

Tijdens het gesprek dat volgde heeft de adviseur aan [gedaagde] het [naam product] product van [eiser] aangeraden. Dit was volgens hem het ideale product voor [gedaagde] . Hij zou hiermee in korte tijd veel vermogen opbouwen. Dit vermogen zou [gedaagde] kunnen gebruiken in de toekomst voor een woning of de aankoop van een auto. Dit sprak [gedaagde] erg aan. Er zijn geen andere producten aanbevolen: het [naam product] product was het geschikte product voor de wensen en de situatie van [gedaagde] . Er zou worden belegd in grote, veilige fondsen.

Met de adviseur werd gekeken naar het inkomen van [gedaagde] . Op basis van wat [gedaagde] maandelijks te besteden had adviseerde de adviseur een inleg van
NLG 300,- per maand in het [naam product] . Met deze inleg zou [gedaagde] na tien jaar een mooi vermogen hebben opgebouwd voor zijn wensen. De aandelenkoersen zouden overigens zodanig stijgen dat [gedaagde] na drie jaar geen inleg meer hoefde te betalen.

Er is niet gesproken over de risico’s: het [naam product] product was volgens de adviseur juist een veilig product. De adviseur heeft er niet op gewezen dat er zou worden belegd met geleend geld en dat er een restschuld zou kunnen ontstaan. [gedaagde] heeft op het advies van de adviseur vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Het aanvraagformulier is tijdens het gesprek ingevuld samen met de adviseur. De schriftelijke overeenkomst kwam later via de adviseur bij [gedaagde] terecht voor ondertekening.

4.14.

Op de door [eiser] overgelegde overeenkomst is [naam tussenpersoon] als adviseur vermeld. De overeenkomst is daarnaast voorzien van een stempel met de tekst ‘ [naam financieel adviseur] , [naam tussenpersoon] (…)’.
[eiser] heeft ook het aanvraagformulier overgelegd, dat voorzien is van het logo van [naam tussenpersoon] en eveneens voorzien is van een stempel met de voornoemde tekst. [gedaagde] heeft geen andere stukken in het geding gebracht.

4.15.

[eiser] heeft de door [gedaagde] gestelde gang van zaken niet betwist, maar stelt dat daaruit niet volgt dat sprake is geweest van advisering in de door de Hoge Raad bedoelde zin, maar veeleer van ‘gewone’ verkoop, omdat de heer Waagmakers als vriend van [gedaagde] niet in zijn hoedanigheid van medewerker van [naam tussenpersoon] , maar als vriend met [gedaagde] gesproken heeft. [eiser] kan hierin niet worden gevolgd. Uit de gestelde gang van zaken blijkt, dat sprake is geweest van een speciaal georganiseerde persoonlijke bijeenkomst met de tussenpersoon om [gedaagde] en enkele vrienden te adviseren over een ‘mooi product’. Voor zover [eiser] bedoeld heeft de door [gedaagde] gestelde inhoud van het gesprek met [naam tussenpersoon] te betwisten, heeft zij dit slechts in algemene zin gedaan. Tegenover de concrete toelichting van [gedaagde] en de hierbij aansluitende gebruikelijke werkwijze inzake de advisering door [naam tussenpersoon] had [eiser] concreet met feiten en omstandigheden moeten onderbouwen dat, en waarom de gestelde gang van zaken niet klopt. Zonder aanwijzingen van het tegendeel, die ontbreken, kan er dan vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon tijdens de georganiseerde bijeenkomst (ook) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, zoals [gedaagde] stelt. De tussenpersoon heeft de persoonlijke situatie en wensen van [gedaagde] geïnventariseerd, heeft het product voorgesteld als geschikt voor deze afnemer en heeft geadviseerd het product aan te schaffen.

De tussenpersoon heeft zich op deze manier niet beperkt tot het geven van algemene informatie over de verschillende beleggingen of over effectenleaseproducten. Hij is als financieel adviseur opgetreden.

wetenschap [eiser]

4.16.

[gedaagde] stelt dat [eiser] wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [gedaagde] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. [eiser] betwist dit. In diverse uitspraken van verschillende rechtbanken is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat [eiser] ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. De rechtbank betrekt hierbij ook het oordeel van het Gerechtshof Den Haag, neergelegd in het arrest van 12 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2530, waarin is geoordeeld over de wetenschap destijds van [eiser] , haar gerichtheid op het op grote schaal door tussenpersonen adviseren over effectenleaseproducten, ook door cliëntenremisiers, de wetenschap van [eiser] van de op stelselmatig adviseren gerichte werkwijze van [naam tussenpersoon] en het belang van [naam tussenpersoon] als tussenpersoon. Er bestaat geen aanleiding om in de huidige procedure omtrent deze stukken een ander oordeel te geven.

4.17.

Hoewel het voorgaande betrekking heeft op de algemene gang van zaken bij de verkoop en bemiddeling van beleggingsproducten via en door tussenpersonen en daaruit niet blijkt dat [eiser] concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van [naam tussenpersoon] aan Afnemer, komt uit deze stukken wel naar voren dat [eiser] ermee bekend moet zijn geweest dat [naam tussenpersoon] op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. Het had daarom op de weg van [eiser] gelegen om bij de totstandkoming van leaseovereenkomst, zoals in dit geval de overeenkomst met [gedaagde] , navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, teneinde te kunnen beoordelen of zij de overeenkomsten met [gedaagde] kon en mocht aangaan. Dat [eiser] in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [gedaagde] door de tussenpersoon is geadviseerd.

Aansprakelijkheid [eiser]
4.18. Nu [eiser] ondanks het voorgaande toch met [gedaagde] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [gedaagde] onrechtmatig gehandeld. Dit moet [eiser] zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [gedaagde] omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van [eiser] geheel in stand blijft (zie ook hierover Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935). Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van [eiser] .

Conclusie
4.19. Uit het voorgaande volgt, dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] enig bedrag aan [eiser] verschuldigd is. Voldoende aannemelijk is, dat [eiser] nog een bedrag aan [gedaagde] verschuldigd zal zijn. Wat [eiser] aan [gedaagde] verschuldigd is, kunnen partijen inmiddels berekenen. Zoals in de vele uitspraken in soortgelijke zaken is geoordeeld, bestaat de schade uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de eventueel betaalde (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen, een en ander volgens het door [eiser] overgelegde financiële overzicht. [gedaagde] heeft de juistheid van dit overzicht niet betwist, met uitzonderling van de berekening van het fiscaal voordeel. [eiser] heeft op de door [gedaagde] bij dupliek overgelegde biljet van proces niet kunnen reageren, maar partijen moeten in staat worden geacht hier samen uit te komen.
De wettelijke rente is verschuldigd over het door [eiser] te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door [eiser] verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door [eiser] is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS: 2021:7910). Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

4.20.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige weren van [gedaagde] niet inhoudelijk besproken te worden. De vordering [eiser] zal met inachtneming hiervan worden toegewezen als na te melden. Gelet op deze uitkomst van de procedure bestaat aanleiding voor compensatie van de proceskosten.

5
5. De beslissing


De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als onder 4.19. weergegeven.

5.2.

compenseert de proceskosten, zodanig dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft.

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter,in het openbaar uitgesproken op 22 september 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.

(ME)