Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:543

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2022
Datum publicatie
07-02-2022
Zaaknummer
05/107747-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een voertuig vernielen/onbruikbaar maken terwijl er levensgevaar voor anderen te duchten was, poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, openlijke geweldpleging tegen personen en goederen en bedreigingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/107747-21

Datum uitspraak : 7 februari 2022

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

Raadsvrouw: mr. M.G.M. Frerix, advocaat in Ede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, opzettelijk en wederrechtelijk een

voertuig (een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ), heeft doen stranden en/of verongelukken en/of heeft vernield en/of onbruikbaar heeft gemaakt en/of

beschadigd, door:

- ( meermalen) met een shovel, althans een groot en zwaar (land)bouwvoertuig met enige snelheid op voormeld voertuig (personenauto) in te rijden en/of

- ( vervolgens) met die shovel voornoemd voertuig in een sloot te duwen/schuiven, waardoor het voertuig op de kop in die sloot is beland,

ten gevolge van welke handelingen levensgevaar voor anderen, te weten die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te duchten was;

(artikel 164 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet

- ( meermalen) met een shovel, althans een groot en zwaar (land)bouwvoertuig met enige snelheid op het voertuig van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is ingereden en/of

- ( vervolgens) met de grijper/laadbak van een shovel voornoemd voertuig in de sloot heeft

geduwd/geschoven, waardoor het voertuig op de kop in de sloot is beland, ten gevolge waarvan

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in het voertuig bekneld zijn geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 287 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet en die voorbedachte rade

- ( meermalen) met een shovel, althans een groot en zwaar (land)bouwvoertuig met enige snelheid op het voertuig van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is ingereden en/of

- ( vervolgens) met de grijper/laadbak van een shovel voornoemd voertuig in de sloot heeft

geduwd/geschoven, waardoor het voertuig op de kop in de sloot is beland,

- ten gevolge waarvan (vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in het voertuig bekneld zijn geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door

- ( meermalen) met een shovel, althans een groot en zwaar (land)bouwvoertuig met enige snelheid op het voertuig van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in te rijden en/of

- ( vervolgens) met de grijper/laadbak van een shovel voornoemd voertuig in de sloot duwt/schuift, waardoor het voertuig op de kop in de sloot belandde,

- ten gevolge waarvan (vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bekneld raakten;

(artikel 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, openlijk, te weten aan de

[adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek

toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een goed, te weten een personenauto (met kenteken [kenteken] ) door

- ( dreigend) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te lopen en/of

- ( vervolgens) om de personenauto (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) te gaan staan en/of

- ( vervolgens) met een (gele) stok/staaf/knuppel, althans een hard en zwaar voorwerp, eenmaal, althans meermalen op/tegen de personenauto te slaan (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) en/of

- ( vervolgens) met een (gele) stok/staaf/knuppel, althans een hard en zwaar voorwerp, eenmaal, althans meermalen op/tegen de voorruit van die personenauto te slaan (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) en/of

- ( vervolgens) met een (gele) stok/staaf/knuppel, althans een hard en zwaar voorwerp, eenmaal, althans meermalen op/tegen het raam van de bestuurderszijde van die personenauto te slaan (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] );

(artikel 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of met zware mishandeling,

- door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen

‘je moet maken dat je wegkomt of wij slaan je kapot’,

‘ik maak je dood’,

‘oprotten/opdonderen/opgesodemieterd’ en/of

‘alles wordt betaald, geen probleem, ram ze maar in elkaar’,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( daarbij) (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] te lopen en/of

- ( daaropvolgend) met een shovel dreigend voor een personenauto (met daarin die [slachtoffer 1] /of [slachtoffer 2] ) te gaan staan.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 april 2021, omstreeks 22:15 uur, was verdachte aanwezig bij een kalverhouderij aan de [adres 2] in Lunteren, gemeente Ede.2 Verdachte had daar die dag gewerkt. Kort voordat hij naar huis wilde gaan, hoorde hij twee collega’s roepen dat er een auto van een collega in brand stond. Hierop is verdachte naar de schuur gerend en heeft hij met een brandblusser de brand geblust. Omdat er een gastank in de auto zat, is de brandweer alsnog ter plaatse gekomen.

[slachtoffer 1] is – naast zijn fulltime baan – werkzaam als freelance persfotograaf en levert foto’s aan bij [naam 1] . [slachtoffer 1] kreeg die dag een melding “Brand Wegvervoer” en besloot naar die melding te rijden. Zijn verloofde [slachtoffer 2] zat bij hem in de auto. Samen arriveerden zij rond 22:30 uur aan de [adres 2] .3

[slachtoffer 1] is daar uitgestapt en aan de overkant van de weg gaan staan met de bedoeling om met zijn telefoon foto’s van de brand te maken. [slachtoffer 3] stond op dat moment eveneens aan de overkant van de weg, ook met de bedoeling om foto’s te maken. Vrijwel direct kwamen er vier personen op hen aflopen en werd dreigende taal tegen hen geroepen. [slachtoffer 1] is teruggegaan naar de auto en heeft in de auto de politie gebeld.4

In de tijd dat [slachtoffer 1] terug is gegaan naar zijn auto, is verdachte een shovel gaan halen. Vervolgens is hij met de shovel op de auto afgereden en heeft hij deze met de laadbak van de shovel naar achteren gedrukt. Daarna is verdachte met de shovel achteruitgereden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten op dat moment in de auto. Dat wist verdachte.5

Vervolgens zijn er drie mannen met gele (vee)stokken op de auto afgelopen. Verdachte was een van die drie mannen. Verdachte heeft met zijn stok tegen de voorruit van de auto geslagen, waardoor deze is gebarsten. Op de dashcambeelden van de auto van [slachtoffer 1] , is te zien dat er daarna nog in ieder geval driemaal met de stok tegen de auto is geslagen.6

Hierna is verdachte weer in de shovel gestapt en is hij met de laadbak van de shovel tegen de auto van [slachtoffer 1] aangereden.7 De auto is hierdoor naar achteren gereden, omhoog gekomen, 180 graden om zijn as gedraaid en vervolgens op de kop in een droge sloot naast de weg terecht gekomen.8 De brandweer heeft een raamstijl van het achterportier doorgeknipt, zodat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de auto konden verlaten.9

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben diverse blauwe plekken, krassen op de huid en zwellingen opgelopen.10 Van de auto was onder meer de bijrijdersportierraam verbrijzeld, de voorruit beschadigd, de voorschermen, het bestuurdersportier en de motorkap gedeukt en de onderbumper voorzijde vervormd.11

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag is de officier van justitie van mening dat verdachte zou moeten worden vrijgesproken.

De poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan wel wettig en overtuigend worden bewezen, evenals de onder 3 tenlastegelegde openlijke geweldpleging en de onder 4 tenlastegelegde bedreiging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat ten gevolge van handelingen van verdachte levensgevaar voor [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] te duchten was. Verdachte dient daarom van dit feit te worden vrijgesproken.

Wat betreft feit 2 primair heeft verdachte geen opzet of voorwaardelijk opzet op de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] gehad. Bij de reconstructie is bij de dummy’s ten onrechte geen rekening gehouden met het gewicht van de slachtoffers. Ook is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de shovel heel langzaam reed. Bovendien droegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen gordels, waar dat wel had gemoeten. Zowel voor het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit dient daarom vrijspraak te volgen. Het meer subsidiair tenlastegelegde feit kan wel worden bewezen.

Ten aanzien van feit 4 kan de bedreiging ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] worden bewezen, maar dient verdachte te worden vrijgesproken van de bedreiging ten aanzien van [slachtoffer 3] . Verdachte heeft geen significant aandeel gehad in de bedreiging van [slachtoffer 3] .

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Vast staat dat verdachte op 19 april 2021 meermalen met een shovel tegen de personenauto van [slachtoffer 1] is aangereden, waarna die auto 180 graden is gedraaid om zijn lengteas en uiteindelijk op de kop in een droge sloot is beland. Gezien de geconstateerde schade aan de carrosserie van de auto kan eveneens worden vastgesteld dat de auto daarbij onherstelbaar is vernield en onbruikbaar gemaakt. Bij dergelijke schade is herstel van de auto immers niet lonend. Ook is de auto niet meer bruikbaar als voertuig.

Er heeft een reconstructie plaatsgevonden waarbij is gekeken welke handelingen van de shovel de auto om diens as doet draaien en op de kop in de sloot doet belanden. Daarbij is op verschillende manieren geprobeerd om met een shovel een soortgelijke auto in een sloot te krijgen. Gekeken is in hoeverre het noodzakelijk is daarvoor de hefinrichting van de shovel te gebruiken en ook in hoeverre in de richting van de sloot moet zijn gestuurd, telkens uitgevoerd onder lage en onder zo hoog mogelijke snelheid.

Op basis van de bevindingen van de reconstructie concluderen de verbalisanten van het team Forensische Opsporing Verkeer dat de bestuurder van de shovel de hefinrichting van de shovel moet hebben gebruikt en ook dat hij de shovel moet hebben ingestuurd richting de sloot. Alleen onder die omstandigheden is het mogelijk gebleken om de auto op het dak, 180 graden gedraaid om zijn lengteas, in de sloot te werpen. De snelheid van de shovel is voor die bevindingen niet relevant gebleken. Zowel bij hoge als bij lage aanrijsnelheid bleken de bevindingen mogelijk.12

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. Uit deze conclusie volgt dat het niet anders kan dan dat verdachte met de shovel de auto opzettelijk in de richting van de sloot heeft gestuurd. Vervolgens is het voertuig op de kop in de sloot beland omdat verdachte de hefinrichting van de shovel heeft gebruikt. Ook dat is een bewuste handeling. Verdachte heeft dus opzettelijk de handelingen verricht waardoor de auto uiteindelijk op de kop in de sloot is beland. Verdachte heeft aldus opzettelijk de auto vernield en onbruikbaar gemaakt.

Wanneer een auto met een shovel om zijn as worden gedraaid en op de kop in de sloot belandt, is levensgevaar voor de inzittenden van de auto naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Dit wordt ook bevestigd door de letselverklaring in combinatie met de bevindingen van de reconstructie, waarbij gebruik is gemaakt van dummy-slachtoffers. Tijdens de reconstructie bleek dat er ten gevolge van de aanrijding een enorme mechanische kracht ontstond op nek en schouders van de dummy-slachtoffers. Hierdoor hadden bij de slachtoffers in de nekwervels fracturen kunnen ontstaan met begeleidend zenuwletsel in het ruggenmerg, met mogelijk uitval van de hersenzenuwen en daarmee gepaard gaand overlijden tot gevolg. Ook was er kans op afscheuren van grote bloedvaten en bloedingen in het hoofd, eveneens met dodelijke afloop.13

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk een auto heeft vernield en onbruikbaar gemaakt, terwijl daarvoor levensgevaar voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te duchten was.

Feit 2

Niet alleen staat vast dat het voertuig uiteindelijk op de kop in de sloot is beland, ook staat vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het voertuig pas konden verlaten nadat de brandweer een raamstijl had doorgeknipt. Zij zaten bekneld in het voertuig. Zonder deze hulp hadden zij het voertuig niet kunnen verlaten.14

Hoewel het handelen van verdachte - zeker naar normaal spraakgebruik – zeer zeker gevaarlijk is te noemen, is de vraag hoe het inrijden en in de sloot duwen juridisch moet worden gekwalificeerd.

Als eerste is dit handelen tenlastegelegd als een poging om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden. Uit niets blijkt echter dat verdachte tijdens het bedienen van de shovel het doel voor ogen heeft gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden. Er is daarom geen sprake van opzet op de dood.

Zoals hierboven is overwogen, volgt uit de letselverklaring dat er zeker een kans is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven waren gekomen. Maar voor een poging tot een doodslag is “een voorzienbare kans” niet voldoende. Het moet gaan om een “aanmerkelijke kans”, een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke, mogelijkheid. Dat is een grotere kans dan een voorzienbare kans. Hoewel er zeker sprake is geweest van zeer gevaarlijk gedrag en ook van een kans op levensgevaar, is die kans niet zo groot geweest dat deze naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te noemen. Om die reden is er geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood. Verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De kans dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hadden opgelopen, is wel aanmerkelijk geweest. De letselbeschrijving noemt als reële mogelijkheid een hoge dwarslaesie met uitvalverschijnselen vanaf beide armen, een hersenbloeding, een schedelbasisfractuur en een hersenkneuzing. Daarbij kunnen op basis van het hersenletsel levenslang epileptische consulten ontstaan. Al die symptomen kunnen een ernstige invaliderende beperking in het dagelijks functioneren veroorzaken.15

De reconstructie is telkens uitgevoerd met twee verschillende snelheden, een langzame en een snelle opkomst van de shovel. De raadsvrouw heeft gewezen op het feit dat de shovel (wellicht) langzamer heeft gereden dan de snelheid waarvan in de reconstructie uit is gegaan.

Uit de letselbeschrijving leidt de rechtbank af dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat al bij een lage snelheid, tussen de 3,4 en 7,2 km/uur letsels kunnen ontstaan die worden samengevat onder het whiplash-syndroom. Bovendien is niet alleen de snelheid van de shovel van belang, maar ook het ontstaan van een plotselinge mechanische kracht uitgeoefend op een auto van stilstaande naar bewegende positie. Een bijkomende factor is dat de auto van positie is veranderd door op het dak in een lager liggende sloot terecht te komen.16 Dit leidt tot de conclusie dat, ook wanneer verdachte met een lage snelheid heeft gereden, er een aanmerkelijke kans is geweest op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. De vraag wat nu de precieze snelheid van de shovel is geweest, kan daarom onbeantwoord worden gelaten.

De raadvrouw heeft verder erop gewezen dat er geen rekening is gehouden met het lichaamsgewicht van de slachtoffers. Uit de letselbeschrijving volgt dat het bij het nabootsen van de aanrijding en vervolgens kantelen van de auto niet gaat om het gewicht van de betrokkenen, maar om welke bewegingen het lichaam heeft kunnen maken tijdens de aanrijding en de positieverandering van de auto.17 De kans op zwaar lichamelijk letsel wordt dus niet doorslaggevend beïnvloed door het lichaamsgewicht. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.

Tot slot heeft de raadsvrouw benoemd dat de slachtoffers een gordel hadden moeten dragen omdat zij zich op de openbare weg bevonden. Allereerst is het de vraag of dat zo is en ook waarom het niet dragen van een gordel niet voor rekening en risico van verdachte zou dienen te komen. Maar zelfs als aan die vragen voorbij zou worden gegaan, dan nog volgt uit de bevindingen van de deskundige dat ook bij het dragen van de gordel er nog steeds sprake zou zijn geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Daarover is immers opgemerkt dat de impact op het lichaam ook geldt als er een gordel wordt gedragen.18 Ook dit verweer van de raadsvrouw worden daarom verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aanmerkelijk is geweest. Het met een shovel doen bewegen van een auto op een manier dat deze 180 graden om diens as draait en op de kop in een droogstaande sloot belandt, is zo gevaarlijk dat iedereen weet dat er dan een groot risico is op zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden. Verdachte heeft dat dus ook geweten. Door te weten dat het zo gevaarlijk is en het dan toch te doen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte heeft het risico voor lief genomen.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde. Van voorbedachte rade is geen sprake. Uit alles blijkt dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld.

Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen dashcambeelden, p. 86 - p. 90;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 18 – p. 20;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 39 – p. 40;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 januari 2021;

Verdachte is samen met anderen naar de auto gelopen. Zij hebben vervolgens met stokken op de auto geslagen. Daarbij zijn de ruiten van de auto vernield. De hele groep heeft vernielingen gepleegd en verdachte was onderdeel van die groep. Dit geweld vond plaats op de openbare weg in aanwezigheid van diverse omstanders. Daarom is sprake van openlijk in vereniging plegen van geweld tegen de auto.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten in de auto. Zij zijn niet geraakt maar het geweld had daar wel toe kunnen leiden. Hoewel de auto waarin zij zaten letterlijk de klappen heeft opgevangen, hadden zij nog steeds geraakt kunnen worden door rondvliegend glas of door de ramen heen komende stokken. Daarbij komt dat de boosheid op hen, in ieder geval op [slachtoffer 1] , was gericht. Verdachte was immers boos omdat [slachtoffer 1] niet wegging maar in de auto ging zitten. Onder die omstandigheden kwalificeert dit geweld zich ook als openlijk in vereniging gepleegd geweld tegen personen.

Feit 4

Vervolgens is de vraag of er sprake is geweest van bedreiging van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan die bedreigingen.

Op de dashcambeelden van de auto van [slachtoffer 1] is te zien dat een en ander begint met twee jongemannen die in de berm staan. Een van hen houdt zijn telefoon omhoog, kennelijk om foto’s of een opnames te maken. De andere jongeman loopt verder de weg op.

Vervolgens komen er twee mannen in ferme pas richting de twee jongemannen gelopen. Een van hen heeft een hond onder zijn arm. Dat is verdachte.19 Te zien is dat beide mannen met gestrekte armen naar de beide jongemannen wijzen en te horen is dat er geschreeuwd wordt. Er wordt continue naar de filmende jongeman gewezen, er worden hevig gebaren gemaakt in zijn richting en vaak naar de kant van de jongemannen gelopen.20

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij samen met twee andere mannen ter hoogte van een oprit stond en foto’s wilde maken, toen er vrijwel direct mannen vanaf het terrein naar hen toe kwamen lopen. De mannen zeiden dingen als: “Je moet maken dat je weg komt of wij slaan je kapot”. [slachtoffer 1] is vervolgens weer in de auto gaan zitten.21

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 1] en [getuige] ter hoogte van de oprit stond en dat er drie mannen op hem af kwamen lopen. Een van hen schreeuwde en gebaarde met zijn armen dat hij moest opdonderen. Die man schreeuwde ook dat hij hem dood ging maken. [slachtoffer 3] heeft daarop zijn spullen gepakt en is naar zijn auto gelopen. Hij voelde zich echt bedreigd.22

Getuige [getuige] heeft verklaard dat een gezette man met krullend haar naar [slachtoffer 3] toe kwam lopen en begon te schreeuwen. De hele sfeer noemt hij agressief en dreigend. Hij hoorde dat deze man tegen [slachtoffer 3] zei dat hij moest opdonderen en dat hij anders een klap zou krijgen. Hij heeft een filmpje gemaakt en op dat filmpje is ook te horen dat de man zegt “Heb je het gehoord? Anders trap/klap ik je, opdonderen”.23 De man op dit filmpje is [medeverdachte] . De verbalisant die het filmpje uitkijkt, merkt op dat [medeverdachte] daarbij erg dicht en dreigend op het slachtoffer staat.24

Op de beelden van de dashcam van de auto van [slachtoffer 3] zijn drie mannen te zien, onder wie een man met een hondje onder zijn arm. Dat is verdachte. Te zien is dat verdachte op enig moment naar de auto van [slachtoffer 1] loopt en roept “je bent weg, gewoon weg hier”, terwijl hij ondertussen probeert het bestuurdersportier open te trekken. Ondertussen komen er twee andere mannen aanlopen. Te horen is dat verdachte zegt: “opgesodemieterd”. De drie mannen lopen vervolgens weg van de auto, in de richting van de camera. Er wordt iets geroepen in de richting van de camera, in ieder geval: “heeft hij wel eens een klap voor zijn donder gehad, jezus hee”. Als de mannen weglopen naar het brandweervoertuig is te horen dat een van de mannen zegt: “Alles wordt betaald, geen probleem, ram ze maar in elkaar”.25

Kort daarna is verdachte met een shovel voor de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gaan staan (en is daarna op hen ingereden). [slachtoffer 1] heeft daarover verklaard dat hij dacht dat het een dreigement was en dat hij niet voor- of achteruit kon met zijn auto.26 Ook [slachtoffer 2] zegt daarover dat ze niet weg konden omdat achter hen auto’s en voor hen de brandweer stond.27 Dat verdachte daarmee een zeker beangstigende en dreigende situatie voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gecreëerd moge duidelijk zijn, zeker omdat het rijden met de shovel plaatsvond vrijwel meteen na het schreeuwen, het trekken aan de bestuurdersportier van de auto en de zin “geen probleem, ram ze maar in elkaar”.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van verschillende bedreigingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Deze bedreigingen zijn telkens zeer kort na elkaar gepleegd. Daarbij zijn in ieder geval steeds drie verdachten betrokken. De hele situatie, van het oplopen naar de twee mannen met de telefoons tot het oprijden van de shovel, was feitelijk gericht op het angst aanjagen bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Vast staat dat verdachte een van de twee mannen was, die schreeuwend en hevig gebaren makend naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] is gelopen. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] de tenlastegelegde woorden heeft gebruikt, was verdachte daar wel bij aanwezig en kan daarnaast worden vastgesteld dat verdachte, met het schreeuwen, het hevige gebaren maken, het trekken aan het portier en het roepen “je bent weg, gewoon weg hier, opgesodemieterd” een wezenlijk en significant aandeel heeft gehad in het ontstaan in de gehele dreigende situatie. Ook hier geldt dat verdacht en in ieder geval twee anderen als groep zijn opgetrokken, allemaal dreigende taal hebben geuit en aldus onderling bewust en nauw hebben samengewerkt in de woordelijke en feitelijke bedreigingen.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte in vereniging [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd. De bedreiging met de shovel heeft verdachte niet in vereniging maar alleen gepleegd. Die handeling kan de medeverdachten niet worden aangerekend, omdat verdachte daarmee veel verder is gegaan dan in de lijn der verwachting lag en niet is gebleken dat de anderen wisten of konden verwachten dat dit ging gebeuren.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, opzettelijk en wederrechtelijk een

voertuig (een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ), heeft doen stranden en/of verongelukken en/of heeft vernield en/of onbruikbaar heeft gemaakt en/of

beschadigd, door:

- (meermalen) met een shovel, althans een groot en zwaar (land)bouwvoertuig met enige snelheid op voormeld voertuig (personenauto) in te rijden en/of

- (vervolgens) met die shovel voornoemd voertuig in een sloot te duwen/schuiven, waardoor het voertuig op de kop in die sloot is beland,

ten gevolge van welke handelingen levensgevaar voor anderen, te weten die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet en die voorbedachte rade

- (meermalen) met een shovel, althans een groot en zwaar (land)bouwvoertuig met enige snelheid op het voertuig van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is ingereden en/of

- (vervolgens) met de grijper/laadbak van een shovel voornoemd voertuig in de sloot heeft

geduwd/geschoven, waardoor het voertuig op de kop in de sloot is beland,

- ten gevolge waarvan (vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in het voertuig bekneld zijn geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, openlijk, te weten aan de

[adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek

toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een goed, te weten een personenauto (met kenteken [kenteken] ) door

- (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te lopen en/of

- (vervolgens) om de personenauto (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) te gaan staan en/of

- (vervolgens) met een (gele) stok/staaf/knuppel, althans een hard en zwaar voorwerp, eenmaal, althans meermalen op/tegen de personenauto te slaan (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) en/of

- (vervolgens) met een (gele) stok/staaf/knuppel, althans een hard en zwaar voorwerp, eenmaal, althans meermalen op/tegen de voorruit van die personenauto te slaan (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) en/of

- (vervolgens) met een (gele) stok/staaf/knuppel, althans een hard en zwaar voorwerp, eenmaal, althans meermalen op/tegen het raam van de bestuurderszijde van die personenauto te slaan (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] );

4.

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of met zware mishandeling,

- door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen

‘je moet maken dat je wegkomt of wij slaan je kapot’,

‘ik maak je dood’,

‘oprotten/opdonderen/opgesodemieterd’ en/of

‘alles wordt betaald, geen probleem, ram ze maar in elkaar’,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- (daarbij) (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] te lopen en/of

- (daaropvolgend) met een shovel dreigend voor een personenauto (met daarin die [slachtoffer 1] /of [slachtoffer 2] ) te gaan staan;

en

hij op of omstreeks 19 april 2021 te Lunteren, gemeente Ede, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of met zware mishandeling,

- door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen

‘je moet maken dat je wegkomt of wij slaan je kapot’,

‘ik maak je dood’,

‘oprotten/opdonderen/opgesodemieterd’ en/of

‘alles wordt betaald, geen probleem, ram ze maar in elkaar’,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- (daarbij) (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] te lopen en/of

- (daaropvolgend)met een shovel dreigend voor een personenauto (met daarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) te gaan staan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

een voertuig opzettelijk en wederrechtelijk vernielen en onbruikbaar maken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten was

feit 2 subsidiair:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd

feit 3:

openlijk in verenging geweld plegen tegen personen en goederen

feit 4:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte oprecht zijn interesse en berouw heeft getoond naar de slachtoffers en dat hij hun financiële schade heeft vergoed. Dit was voor het Gerechtshof reden om de voorlopige hechtenis van verdachte op 28 juli 2021 te schorsen. Sindsdien heeft verdachte zich aan alle voorwaarden gehouden. Door de reclassering is gerapporteerd dat een gevangenisstraf ertoe zou kunnen leiden dat verdachte zich zal terugtrekken en verder vervreemd raakt van zijn emoties en gevoelens. Verdachte zou daarom niet terug naar de gevangenis moeten. Gelet op de feiten en de persoon van de verdachte kan de raadsvrouw van verdachte zich wel voorstellen dat een flinke stok achter de deur met een meldplicht en een behandelverplichting noodzakelijk wordt geacht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat 19 april 2021 [slachtoffer 1] niet de nieuwsfoto’s heeft gebracht waarop hij die dag hoopte, maar voor hem en zijn vriendin is geëindigd in een nachtmerrie. Zij hebben die dag doodsangsten uitgestaan, toen verdachte met zijn shovel op hen af kwam rijden en hun auto op de kop in de sloot deed belanden. De beelden en het geluid van de dashcam laten goed zien hoe groot de angst en de paniek bij hen is geweest. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen een angstige maar ook een gevaarlijke situatie veroorzaakt. Het is een kwestie van geluk dat het letsel bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beperkt is gebleven. En dat allemaal omdat het verdachte niet zinde dat iemand foto’s wilde maken van een (al gebluste) autobrand.

Het is nog altijd niet helemaal duidelijk waarom verdachte zo explosief heeft gereageerd. Verdachte is nooit eerder met justitie in aanraking geweest, heeft een vaste baan en zijn leven op alle fronten op orde. Hij woont op de boerderij van zijn ouders, werkt zes dagen in de week, heeft geen financiële problemen en stelt naast werk, familie en vrienden weinig eisen aan het leven. Van enige verslaving of problematiek lijkt geen sprake.

De reclassering concludeert dat wellicht sprake is geweest van een combinatie van groepsdruk, gevoelens van onrechtvaardigheid en gebrekkige emotieregulatie, hetgeen heeft geleid tot een impulsdoorbraak. Verdachte zegt daar zelf over dat hij heel boos was omdat hij dacht dat het ging om omstanders die leed van anderen wilden filmen om op social media te plaatsen. Hij heeft geen antwoord op de vraag hoe die boosheid heeft kunnen leiden tot zulk grensoverschrijdend gedrag.

Sinds het Gerechtshof in juli 2021 verdachte onder voorwaarden heeft geschorst, staat hij onder toezicht van de reclassering. Dat verloopt goed. Verdachte staat open voor behandeling, begeleiding en diagnostiek. Hij wil er alles aan doen om te voorkomen dat iets dergelijks nog een keer gebeurt. De reclassering schat de kans op herhaling laag in, maar acht wel van belang dat ingezet wordt op emotieregulatie en aanleren van nieuwe copingvaardigheden. Verdachte stapelt volgens de reclassering zijn emoties op zonder hieraan uiting te geven, hetgeen zou kunnen leiden tot een uitbarsting waarbij de aanleiding divers kan zijn. Het is daarom van belang dat verdachte emoties leert verwerken en zich niet langer afsluit voor zijn gevoel. De reclassering adviseert om aan verdachte op te leggen een meldplicht en een verplichte ambulante behandeling.

De vraag is wat voor straf passend is. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van de stukken niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat hij met een persfotograaf van doen had. Verdachte zegt zelf dat hij dacht dat de man met de telefoon een omstander was. [slachtoffer 1] zegt over zichzelf dat hij niet herkenbaar was als pers en dat hij ook geen kans kreeg om zich als pers kenbaar te maken. Het dossier bevat wel aanwijzingen dat verdachte minst genomen had kunnen weten met pers van doen te hebben. Zo is op de beelden bijvoorbeeld te horen dat een andere man zegt: “We hebben geen nieuws”. Maar in hoeverre verdachte dit heeft gehoord, is onduidelijk. Het zijn daarom slechts aanwijzingen en niet meer dan dat. Dat is niet voldoende. Er is geen zekerheid dat het voor verdachte klip en klaar was dat het niet om willekeurige omstanders maar om pers ging.

Dat maakt de context hooguit een klein beetje anders, maar de gedragingen niet minder heftig. Er is nog steeds sprake van een verboden aanval op personen en die aanval is, pers of niet, dermate gevaarlijk en dreigend dat daar enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tegenover kan staan. De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste 15 maanden gevangenisstraf passend. De rechtbank zal daarvan 7 maanden voorwaardelijk opleggen en daaraan verbinden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een ambulante behandelverplichting. De rechtbank acht dit passend, omdat het niet alleen maar gaat om een ernstig feit, maar daarnaast ook om een verdachte met een blanco strafblad die alles wil aangrijpen om te voorkomen dat het nog een keer gebeurt, ook als dat een gedwongen behandeling betekent. Ook dat mag meewegen in de strafmaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op te leggen, zoals is verzocht. Daarvoor zijn de feiten veel te ernstig.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 47, 55, 57, 141, 168, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

• stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

• stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij Reclassering Nederland, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- verdachte zich laat diagnosticeren en behandelen door forensische polikliniek [naam 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling zal de gehele proeftijd duren of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

• stelt als overige voorwaarden dat:

  • -

    verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

• geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kleinrensink, voorzitter mr. J.M.J.M. Doon en
mr. S.C.A.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 februari 2022.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Ede, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer P0600-2021174979 / 2021174981, onderzoek MAIS, gesloten op 6 juni 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 131.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 18.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 19.

5 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , p. 132.

6 Het proces-verbaal van bevindingen dashcambeelden, p. 88 – p. 90, het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , p. 139.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , p. 132.

8 Het proces-verbaal van bevindingen dashcambeelden, p. 90.

9 Het proces-verbaal Technisch onderzoek Forensische Opsporing Verkeer, p. 19.

10 Letselbeschrijving van [slachtoffer 1] en letselbeschrijving van [slachtoffer 2] .

11 Het proces-verbaal Technisch onderzoek Forensische Opsporing Verkeer, p. 8.

12 Proces-verbaal reconstructie Forensische Opsporing Verkeer, p. 13, p. 15, p. 116.

13 Letselbeschrijving van [slachtoffer 1] , p. 4.

14 Het proces-verbaal Technisch onderzoek Forensische Opsporing Verkeer, p. 19.

15 Letselbeschrijving van [slachtoffer 1] , p. 4.

16 Letselbeschrijving van [slachtoffer 1] , p. 6.

17 Letselbeschrijving van [slachtoffer 1] , p. 6.

18 Letselbeschrijving van [slachtoffer 1] , p. 6.

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 138.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 82 en p. 83.

21 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 18- p. 19.

22 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 70.

23 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] , p. 72.

24 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 98.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 91 en p. 92.

26 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 19.

27 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 40, p. 41.