Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:5157

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
07-09-2022
Zaaknummer
C/05/300170 / HA ZA 16-161
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2018:2144. Heling. Voorshands bewijsoordeel dat aangetroffen auto-onderdelen afkomstig zijn van bepaalde gestolen auto’s. Tegenbewijs geleverd. Verband tussen aangetroffen onderdelen en bepaalde gestolen auto’s niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/300170 / HA ZA 16-161 / 103 / 560

Vonnis van 31 augustus 2022

in de zaak van

de stichting

STICHTING VBV (VERZEKERINGSBUREAU VOERTUIGCRIMINALITEIT),

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.H. Rappa te Hardenberg,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[ged.conv./eis.reconv.1] .,

gevestigd te [plaats] ,

2. [ged.conv./eis.reconv.2],

wonende te [plaats] ),

3. [ged.conv./eis.reconv.3],

wonende te [plaats] ),

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel.

Eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie, wordt hierna VbV genoemd. Gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, worden gezamenlijk [gedn.conv./eis.reconv.] genoemd en afzonderlijk de V.O.F., [ged.conv./eis.reconv.2] . en [ged.conv./eis.reconv.3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 oktober 2021,

  • -

    de aktes van 20 oktober 2021 van VbV en [gedn.conv./eis.reconv.] ,

  • -

    de antwoordakte van 3 november 2021 van VbV,

  • -

    de beslissing van de rolrechter van 8 november 2021 en de brief van mr. Van der Wende van 3 november 2021 waarop die beslissing is genoteerd,

  • -

    de brief van 16 augustus 2022 waarin mr. Van der Wende met instemming van mr. Rappa verzoekt om toestemming om het arrest van het hof van 15 augustus 2022 in het geding te brengen,

  • -

    het e-mailbericht van 17 augustus 2022 waarin de rolrechter toestemming geeft om het arrest van 15 augustus 2022 in het geding te brengen,

  • -

    de akte inbreng productie van 17 augustus 2022 van de zijde van [gedn.conv./eis.reconv.] .

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in conventie

2.1.

In het tussenvonnis van 6 oktober 2021 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de stand van de strafprocedure in hoger beroep en over de vraag of daarin een reden is gelegen om de onderhavige zaak naar de parkeerrol te verwijzen. Partijen hebben zich vervolgens bij akte uitgelaten.

2.2.

Inmiddels heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 augustus 2022 arrest gewezen in de strafprocedure. Dit arrest is met instemming van beide partijen zonder verder commentaar in deze civiele procedure ingebracht. Verwijzing naar de parkeerrol is daarom niet meer aan de orde.

2.3.

In het tussenvonnis van 4 april 2018 heeft de rechtbank op grond van processen-verbaal van politie voorshands bewezen geacht dat de onderdelen die bij [gedn.conv./eis.reconv.] zijn aangetroffen en die in de samenstellingsrapporten met pijlen zijn aangewezen afkomstig zijn uit de auto’s op het (nieuwe) schadelastoverzicht dat VbV als productie 211 in het geding heeft gebracht (verder: het schadelastoverzicht) en [gedn.conv./eis.reconv.] toegelaten tegenbewijs te leveren. De bewijslast van de stelling van VbV dat die onderdelen afkomstig zijn van de desbetreffende (gestolen) auto’s blijft ondanks dit voorshandse bewijsoordeel op VbV rusten.

2.4.

Beoordeeld dient te worden of [gedn.conv./eis.reconv.] is geslaagd in het tegenbewijs, in de zin dat zij voldoende twijfel heeft gezaaid en het voorshandse bewijsoordeel heeft ontkracht, waardoor het voorshands bewezen geachte niet langer als bewezen geldt, en of VbV in dat geval van haar voornoemde stelling alsnog het bewijs heeft geleverd. Voor het in dat geval aan VbV de gelegenheid geven van nadere bewijslevering ziet de rechtbank geen aanleiding. VbV is in de gelegenheid geweest om naast de reeds door haar aangedragen bewijsmiddelen, bewijs te leveren in de contra-enquête in het kader van de tegenbewijslevering, en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.1

2.5.

Op 21 november 2018 zijn [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen gehoord.

2.6.

[getuige 1] heeft verklaard:

Ik ben op 1 april 2017 met pensioen gegaan. Daarvoor was ik brigadier van de politie werkzaam als senior tactisch rechercheur bij de regiopolitie Gelderland Zuid, district stad [plaats] , afdeling districtsrecherche. (…)

Ik ben betrokken geweest bij het politieonderzoek tegen [gedn.conv./eis.reconv.] . Ik was tactisch coördinator. Mijn taak was ook de administratieve afhandeling en het overleg met de officier van justitie.

Ik weet niet het precieze onderwerp van dit getuigenverhoor. U legt mij uit dat het gaat om de onderdelen waarvan gezegd is dat die specifiek terug te koppelen zijn op een bepaalde auto en waarbij in de overzichten van de aangetroffen onderdelen pijlen zijn gezet. U vraagt mij naar mijn betrokkenheid daarbij. Ik heb die pijlen zelf gezet. Ik heb die pijlen gezet naar aanleiding van de bevindingen van de specialist op dat gebied, mijn collega [getuige 2] . (...) Ik weet niet of [getuige 2] de lijst met pijlen nog heeft gezien. De administratieve afhandeling lag bij mij, [getuige 2] is in eerste instantie de technische ondersteuning geweest met zijn specialisme, dat ik niet heb. (...)

U toont mij pagina 1095 uit het politie proces-verbaal waarop een lijst te zien is met onderdelen die volgens die lijst gekoppeld zijn aan een Golf kenteken [kenteken 1] (in het politieprocesverbaal nummer 112, in de schadelastberekening en in het vonnis nummer 113; verder worden steeds de nummers van de schadelastberekening gebruikt). U vraagt mij of ik iets kan herinneren over deze pijlen. Als ik dit heb gekregen van [getuige 2] in een overzicht, en ik dat daarna gecheckt heb en gedubbelcheckt heb dan kloppen die pijlen. Ik heb van [getuige 2] een overzicht gekregen met kolommen met daarin aangegeven bij welke auto een match was, om welke onderdelen het dan ging en welk kenteken. Dat is een excel overzicht geweest, dat 100 procent zeker ook in het politiedossier zit.

U houdt mij voor dat in productie 218 aan de zijde van VBV op pagina 4 van 5, behorende bij de auto met nummer 113, staat dat uit nader onderzoek is gebleken dat een van de deuren die met een pijl is gemarkeerd op pagina 1095 van het politie proces-verbaal (VBV nummer 65253) mogelijk onjuist gekoppeld is. U vraagt mijn reactie. Ik heb die pijl gezet als ik van [getuige 2] heb gehoord dat hij met zijn specialistische kennis, ondanks dat bijvoorbeeld stickers zijn verwijderd, die deur heeft kunnen identificeren. U houdt mij voor dat het erom gaat of ik kan bevestigen dat de deur waar de pijl bij is gezet door hem is genoemd als een onderdeel dat door hem 100 procent is gekoppeld. Ik kan dat bevestigen. Als die pijl erbij staat is dat onderdeel door [getuige 2] genoemd in zijn excel lijst met het bijbehorende proces-verbaal. Ik heb mezelf met de identificatie niet bemoeid, dat is zijn specialisme.

Op vragen van mr. Van der Wende antwoord ik:

Ik heb die pijlen niet alleen gezet op basis van het overzicht van [getuige 2] . Dat is gecontroleerd in overleg met VBV derden, aan de hand van lijsten met onderdelen, in mailcontacten, een en ander om er zeker van te zijn dat dezelfde goederen met een pijl werden gewaarmerkt als die [getuige 2] bedoelde, als zijnde afkomstig van diefstal. Ik heb in die samenstellingslijsten bij ieder onderdeel gecontroleerd of de afbeelding die bij dat onderdeel stond klopte bij de omschrijving die erbij vermeld stond. Ik controleerde ook per samenstellingsdossier als [getuige 2] bijvoorbeeld had aangegeven dat er van twee deuren een match was of er niet bijvoorbeeld meer deuren waren aangetroffen, bijvoorbeeld vijf. In dat geval vroeg ik na bij welke deuren die match hoorde. Ook als er maar twee deuren zouden staan in het desbetreffende dossier controleerde ik nog of het om de goede deuren ging. U vraagt mij of ik, als ik naar de deuren op pagina 1095 van het politierapport kijk, zie dat het om twee verschillende deuren gaat. Waaraan zou ik dat moeten zien. U zegt mij dat alleen al de vorm verschillend is, maar dat hangt er maar van af hoe het is gefotografeerd, misschien zit er wel plaatwerk op. Ik weet dat niet. Ik heb dat toentertijd zelf niet nader onderzocht. Ik ben zelf geen autospecialist. U houdt mij voor dat onder de ene deur staat als omschrijving ‘Golf 6 GTD’ en onder de andere deur ‘Golf’. U houdt mij voor dat dat een verschillende omschrijving is en u vraagt mij of ik dat heb gecontroleerd. Nee. Ik weet niet het verschil tussen een Golf 6 GTD en een Golf 5. Ik zie nu ook wel dat het een verschil is, ik ben daar nu op gewezen. Ik weet niet hoe dat er tussendoor heeft kunnen glippen. Ik weet niet hoeveel VIN nummers er zijn aangetroffen in totaal, dan moet u bij [getuige 2] zijn. U toont mij pagina 411 van het politie proces-verbaal (met betrekking tot auto 31, 90-RFR-1). U wijst mij op het nummer dat begint met 6RO dat staat naast het onderdeel met de pijl. Ik weet niet waar de identificatienummers specifiek voor staan, welk specifiek onderdeel daarmee wordt geïdentificeerd. U vraagt mij of ik bij de controle op nummers uitga van de nummers die aan de auto’s zijn gekoppeld bij het productieproces. Nogmaals, dat doe ik niet, dat doet mijn collega, ik ga af op zijn informatie en op de informatie van VBV derden. U toont mij pagina 833 van het politie proces-verbaal (met betrekking tot auto 86, [kenteken 2] ). U zegt dat daar als omschrijving staat ‘airbag’. U vraagt wat op de foto staat. Ik denk dat dat een accu is. Ik weet niet waarom ik dat toen niet heb gezien. U toont mij pagina 1100 van het politie proces-verbaal (met betrekking tot auto 114, [kenteken 3] ). U houdt mij voor dat bij het onderdeel met de pijl bij de omschrijving een ander kenteken genoemd staat, [kenteken 4] . Ik heb geen idee hoe dat kan. Ik denk dat ik toen niet gezien heb dat daar een kenteken vermeld staat. Ik heb dat kenteken dus ook niet gecontroleerd. U toont mij pagina 1317 van het politie proces-verbaal (met betrekking tot auto 142, [kenteken 5] ). U wijst mij op het onderdeel met de pijl en dat daar als omschrijving bijstaat ‘zekeringkast’. Ik heb geen idee of dat een zekeringkast is, ik ben geen auto expert. Ik weet hoe mijn stuur en versnellingspook eruit zien, dat is het wel. Ik herhaal dat ik afging op de informatie en lijsten van mijn collega. Ik heb bijvoorbeeld ook hele partijen airbags gezien waarvan ik niet eerder wist dat die er zo uit zouden kunnen zien.

Op een aanvullende vraag van mr. Van der Wende antwoord ik:

Ik weet niet of er VIN nummers zijn aangetroffen daarvoor verwijs ik naar de processen-verbaal van mijn collega.

2.7.

[getuige 2] heeft verklaard:

Ik ben in november 2016 met pensioen gegaan. Daarvoor was ik brigadier van politie. Ik was verkeersongevallenanalist en hield me verder bezig met voertuigcriminaliteit. (...)

U vraagt mij of ik gezien heb waar in de overzichten die zijn bijgevoegd in het politie proces-verbaal pijlen zijn gezet. Nee, ik heb die overzichten met pijlen nooit onder ogen gehad. Ik ben betrokken geweest bij het politieonderzoek tegen VbV [de rechtbank begrijpt: tegen [gedn.conv./eis.reconv.] ]. Ik was coördinator vaststelling en identificatie van auto-onderdelen. Ik moest dus de identiteit van de onderdelen vaststellen en vastleggen in een proces-verbaal. Ik heb dat neergelegd in een proces-verbaal dat als het goed is bij de stukken zit, het zit in ieder geval in het politiedossier. U vraagt mij hoe dat identificeren gaat. Op bijna alle onderdelen van een auto staan kenmerken, unieke nummers die te herleiden zijn, als je de juiste kennis en ervaring hebt, op individuele auto’s. Ik heb in het weekend dat ik bij het onderzoek ben betrokken samen met drie collega’s die onderdelen onderzocht. Die drie collega’s werken bij het landelijk informatiecentrum voertuigcriminaliteit en zijn ook specialisten. De namen zijn mij ontschoten. Ze staan volgens mij niet vermeld in het proces-verbaal. We hebben de verkregen informatie geverifieerd bij het landelijk informatiecentrum voertuigcriminaliteit. Daar hebben ze aan de hand van de specifieke kenmerken de voertuig identificatie nummers (VIN’s) daarbij gezocht. Aan de hand van het VIN kan je het kenteken achterhalen. Van een aantal onderdelen had ik zelf al het VIN kunnen achterhalen, omdat de laatste acht posities van het VIN nog leesbaar waren. Uiteindelijk kan je bijna elk auto-onderdeel terugkoppelen naar een specifiek VIN. Bij een zoeking moet je echter selectief te werk gaan en je beperken tot de onderdelen die het meest kansrijk zijn. Dat hebben wij gedaan. Normaal begin je bij motorblokken, maar die waren er in dit geval niet, wat op zich al frappant is. Dan ga je kijken naar andere onderdelen, zoals carrosseriedelen, airbags en zekeringskasten. Wij hebben ook helemaal geen carrosserieën aangetroffen. Dat vond ik frappant, dat had ik in mijn 42 jaar ervaring nog niet eerder meegemaakt. U houdt mij voor dat in de stukken van de VBV onderscheid wordt gemaakt tussen onderdelen die hoogst waarschijnlijk, voldoende waarschijnlijk, vermoedelijk of met 100 procent zekerheid te koppelen zijn aan individuele auto’s. De onderdelen die ik heb geïdentificeerd zijn allen onderdelen die je met 100 procent zekerheid kan koppelen. Het VBV heeft daarna nog uitgebreider onderzoek kunnen doen en nog andere koppelingen kunnen maken. Alle onderdelen die gemaakt worden voor een auto die besteld is krijgen in het productieproces een uniek nummer, zodat zeker is dat het juiste onderdeel naar de juiste auto gaat. Dat zijn DAT nummers, sommige fabrikanten noemen dat anders. Als je voldoende informatie zou krijgen van de fabrikanten zou je dus ook andere onderdelen met 100 procent zekerheid kunnen koppelen aan een individuele auto. Ik heb daar echter niks mee te maken gehad omdat ik geen gebruik heb gemaakt van DAT-nummers maar alleen met onderdelen die aan de hand van de specifieke kenmerken aan een VIN konden worden gekoppeld. Ik heb het dan over specifieke kenmerken zoals een bodynummer. Die kenmerken zitten op allerlei onderdelen, teveel om op te noemen. Die kunnen ook bijvoorbeeld zitten op de bekleding van het dak van een auto. Ieder onderdeel van een auto heeft een uniek nummer dat naar die specifieke auto is te herleiden, mits je de juiste gegevens hebt van de fabrikant en die gegevens zijn meestal niet te krijgen, dat willen de fabrikanten niet. Dat gaat om teveel gegevens. Ik weet dat ieder onderdeel een specifiek nummer heeft omdat ik over de hele wereld autofabrikanten heb bezocht en daar rondgeleid ben en die vraag ook heb gesteld. Het is dus zo dat ik de gegevens aan het LIV lever en dat zij mij dan een VIN terug leveren. Ik weet niet hoe zij die koppeling maken. Dat moet u aan het LIV vragen. Het LIV kan in principe van elk onderdeel, dus ook bijvoorbeeld van de bekleding van het dak van een auto, het VIN herleiden. Het klopt dat mijn informatie dat een bepaald auto-onderdeel met 100 procent zekerheid is te koppelen aan een individuele auto gebaseerd is op de veronderstelling dat het LIV die koppeling op de juiste wijze maakt. Ik controleer dat zelf niet meer. Dat heb ik vroeger wel gedaan, maar nu is het LIV daar de aangewezen instantie voor. Ik was ervan op de hoogte dat mijn collega in het politie proces-verbaal pijlen zette bij de onderdelen die ik had geïdentificeerd met 100 procent zekerheid. Er werd aan mij niet inhoudelijk teruggekoppeld of die pijlen wel bij het juiste onderdelen waren gezet. Ik heb die pijlen nooit gezien. (...) Ik weet dat hij pijlen heeft gezet maar ik weet niet meer hoe, waarom en waar. Ik weet dus niet hoe hij dat heeft geverifieerd. (...) Ik sta in ieder geval voor 100 procent achter mijn identificatie, in de zin dat ik insta voor de gegevens die ik aan LIV heb gegeven en dat ik er voor 100 procent op vertrouw dat zij de koppeling goed hebben gemaakt. Dat doe ik op basis van mijn ervaring.

Op vragen van mr. Van der Wende antwoord ik:

(...)

Ik ben die vrijdag bij de zaak geroepen. (...) Er is toen besloten tot een zoeking op de maandag erna. In het weekend heb ik daar mensen voor opgetrommeld. Ik ben bij de zoeking aanwezig geweest. Ik heb daar toen ook nog VIN’s aangetroffen die niet waren weggehaald. U vraagt mij hoeveel VIN’s ik zelf nog heb gezien. Dat weet ik niet meer, het waren er veel. Mr. Rappa vraagt mij of ik bedoel dat ik ze daadwerkelijk heb aangetroffen of dat ik die VIN heb kunnen herleiden. Ik bedoel dat ik ze daadwerkelijk zelf heb aangetroffen. (...)

Ik wil nog het volgende toevoegen. Ik heb daar onbeschadigde voor-, zij- en achterkanten van een en dezelfde auto aangetroffen, die worden normaal nooit in zijn geheel bij een sloperij aangeboden en dat geldt ook voor auto’s waarin golfsets liggen. Voor mij was het dus direct duidelijk dat het om gestolen auto’s ging.

2.8.

Op 9 december 2020 zijn [getuige 3] en, in contra-enquête, [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] als getuigen gehoord.

2.9.

[getuige 3] heeft verklaard:

Ik ben gevolmachtigd namens VbV. Ik zit niet in het bestuur van VbV. (...)

Ik ben bekend met de samenstellingsrapporten die in het dossier zitten. Ik ben daar ook bij betrokken geweest. Ik ben samen met andere werknemers van VBV betrokken geweest bij het opzetten van de systematiek van deze rapporten. Die andere waren onder meer de heer [betrokkene 1] en de heer [betrokkene 2] . De systematiek werkt als volgt. Wij gaan uit van de gegevens die wij van de politie krijgen van de door hen geïdentificeerde onderdelen. De politie doet onderzoek op een locatie en onderzoekt de te identificeren onderdelen. Zij stellen VIN-nummers vast. In hun eigen systemen onderzoeken zij dan of het om gestolen auto’s gaat. Deze gegevens geven zij door aan ons. De politie geeft de door hen aangetroffen geheime codes door aan het LIV. Deze doet vervolgens navraag bij de fabrikant of het Bundes Kriminal Ambt (BKA). Daar krijgen zij dan het bijbehorende VIN-nummer van terug. Dit wordt doorgegeven aan gespecialiseerde ambtenaren van het LIV of de politie. Daarna krijgen wij die gegevens pas. Wij krijgen dus de VIN’s die bij die onderdelen horen en waarvan al vast staat dat het om gestolen auto’s gaat. Als ik het over wij heb, bedoel ik hier steeds VBV derden. VBV derden is ook bewaarder van de in beslag genomen onderdelen. Van de VIN’s die wij hebben gekregen vragen wij bij het DAT de DAT-gegevens op. Dat zijn de generieke nummers van de onderdelen die bij de productie zijn gebruikt. Dit zijn dus nummers die niet uniek zijn. Wij registreren alle onderdelen die door de politie in beslag zijn genomen. Wij fotograferen ze en noteren de nummers die wij daarop aantreffen. Dit gebeurt door medewerkers die niet gespecialiseerd zijn in forensisch onderzoek. Dit betekent dat zij vaak de geheime unieke indicatienummers niet zullen opmerken. Als wij die onderdelen geregistreerd hebben matchen wij die gegevens met de gegevens die wij van het DAT hebben teruggekregen. Dat doen wij niet alleen aan de hand van nummers, maar ook bijvoorbeeld aan de hand van kleur en bouwjaar en dergelijke. Als er dan een match is wordt dat onderdeel virtueel geplakt bij de auto waarvan wij een VIN hadden. Zo worden de samenstellingsrapporten gemaakt. (...) Ik ben niet betrokken bij de praktische uitvoering van het systeem bij de totstandkoming van de samenstellingsrapporten van [gedn.conv./eis.reconv.] . De exterieurdelen worden handmatig gekoppeld aan de verschillende auto’s, van de andere onderdelen gaat dat automatisch. Een en ander voor zover het niet om onderdelen gaat die door de politie met een uniek VIN-nummer zijn geïdentificeerd. Ik ben bij het forensische traject niet betrokken geweest. Ik heb wel contact gehad per e-mail met [getuige 2] en [getuige 1] over het verstrekken van de lijsten met de unieke onderdelen met bijbehorende VIN-nummers. Die zijn vervolgens in ons systeem ingevoerd, maar dat heb ik niet gedaan. Ik ben wel betrokken geweest bij de beantwoording van de opmerkingen en vragen van [gedn.conv./eis.reconv.] over de samenstellingsdossiers. Ik heb toen meegeholpen met het uitpluizen hoe het zit en of wij mogelijk een fout hebben gemaakt. Daar zijn meerdere medewerkers bij betrokken geweest, waaronder onze automatiseerder [betrokkene 2] . Het klopt dat er in eerste instantie fouten tussen zaten. Dat kan komen omdat het om een geautomatiseerd systeem gaat. Soms zijn onderdelen nog fysiek aan elkaar gekoppeld, bijvoorbeeld een kabeltje aan een metertje. Dan kan het zijn dat het metertje wel in de auto past en het kabeltje niet. Wij hebben ook de opmerkingen over de door de politie geïdentificeerde onderdelen onderzocht. Naar aanleiding daarvan zijn acht profielen heronderzocht, waarvan er twee aan het verkeerde voertuig bleken te zijn gekoppeld. Deze twee portieren bleken overigens aan andere gestolen voertuigen te koppelen. Er zijn ook nog twee andere portieren gekoppeld aan gestolen voertuigen die wij in eerste instantie niet hadden kunnen koppelen. U vraagt hoe de geconstateerde fouten kunnen zijn veroorzaakt. De onderdelen zijn door de politie voorzien van een politielabel, bijvoorbeeld 116-1 en 116-2. Wij dachten dan dat die bij een bepaald VIN-nummer hoorde, maar dat bleek achteraf niet juist. Ergens is het dan misgegaan, maar wij weten niet waar. Wij kregen een lijst van de politie met bijvoorbeeld volgnummer 116 hoort bij dit VIN-nummer. Wij hebben dat correct overgenomen. Het is dus aannemelijk dat er ergens bij de politie een fout is gemaakt. Wij hebben ook geconstateerd dat een aantal verschillende volgnummers hetzelfde VIN-nummer betroffen. Dat kon voorkomen als er van één auto meerdere te identificeren onderdelen aangetroffen waren. Wij hebben deze dubbelingen ontdubbeld. De rapporten waarin de bevindingen staan van het heronderzoek naar aanleiding van de vragen van [gedn.conv./eis.reconv.] zijn de producties 218. U houdt mij als voorbeeld auto 31 (90RFR1) voor. U houdt mij voor dat vanaf pagina 4 staat welke nummers betwist worden, hoe die zijn gekoppeld, welke onderdelen mogelijk onjuist zijn gekoppeld en vervolgens een samenvatting waarin staat welke onderdelen na nader onderzoek mogelijk onjuist gekoppeld bleken te zijn en welke onderdelen juist gekoppeld zouden zijn. Dit is het type rapporten waarbij ik betrokken ben geweest.

Op vragen van mr. van der Wende antwoord ik:

Ik ben bij het eerste bezoek van de politie op vrijdag 6 november 2015 aan [gedn.conv./eis.reconv.] niet aanwezig geweest. Ik ben daar de volgende week vanaf maandag 9 november 2015 volgens mij maar één keer geweest. Dat was die maandag in de avond. Ik ben er toen volgens mij 1 tot 1,5 uur geweest. Ik heb zelf geen onderzoek gedaan. Ik heb gekeken hoe de mensen van VBV derden daar aan het werk waren. (...) Ik heb die maandag toen geen complete auto’s gezien. Die maandagavond werd er al over gesproken dat er onderdelen van 50 gestolen voertuigen zouden zijn aangetroffen. Dat was een constatering die door de politie was gedaan en die ik via mijn medewerkers heb vernomen. De pijlen in de samenstellingsdossiers zijn door niemand anders gezet dan door de heer [getuige 1] van de politie. Daarover heeft hij contact gehad met de heer [getuige 2] . [getuige 1] heeft tegen mij in een telefoongesprek gezegd dat hij de pijlen heeft gezet. Ik weet uit eigen wetenschap niet hoe dat verder is gegaan tussen [getuige 2] en [getuige 1] . Ik weet dat alleen uit hun verklaringen als getuige. VBV derden en VBV zijn niet betrokken geweest bij het forensische deel, de politie-identificatie van de unieke nummers. Wij zijn dus wel betrokken geweest bij het onderzoek aan de hand van de DAT-nummers. Ik heb destijds, toen wij als bewaarder waren aangesteld, gehoord dat er codes waren aangetroffen waarmee de auto-onderdelen geïdentificeerd konden worden. Ik denk dat ik dat van mijn medewerkers heb gehoord. Ik heb dat later ook nog gehoord van de heer [getuige 4] . Dat was bij het heronderzoek van de acht portieren. Ik heb toen niet gehoord dat er ingeslagen VIN’s zijn aangetroffen. Ik ben verder met de heer [getuige 6] , werkzaam bij de Volkswagen importeur, een keer geweest in de Volkswagen fabriek in Wolfsburg. Dat stond overigens los van dit onderzoek. Ik heb toen daar gehoord dat er inderdaad op geheime plekken unieke codes in auto-onderdelen worden aangebracht. Ik weet nu niet of dat bezoek aan Wolfsburg voor of na november 2015 was. Wij doen dit soort onderzoeken sinds 2014 en ik heb al 91 onderzoeken gedaan. Ik weet dat het LIV voor dit onderzoek contact heeft gehad met het BKA en/of autofabrikanten. Ik weet dus niet zeker of er ook contact is geweest met de autofabrikanten of alleen met het BKA. Het gaat overigens niet alleen over de Volkswagenfabriek, maar ook andere autofabrikanten. Ik weet niet wie van het LIV in dit specifieke geval de contacten heeft gehad. Na de verbeurdverklaring zijn alle onderdelen verkocht of geruimd. Misschien hebben wij nog enkele onderdelen in bewaring. Alles van de registratie is nog aanwezig.

U toont mij de productie die bij brief van 11 maart 2020 is overgelegd met betrekking tot de bestelbus met kenteken [kenteken 6] (dagvaardingsnummer 18). Dat is een DAT-profiel dat wij zo van het DAT krijgen. Het wordt aangeleverd in de vorm van een XML bericht en door ons omgezet in de vorm zoals u dat hier ziet. Wij hebben daar alleen de koptekst en het kentekennummer aan toegevoegd. Verder hebben wij er niets aan toegevoegd. U toont mij bijlage E bij de brief van 23 november 2020, een DAT-profiel van de auto met kenteken 90 RFR 1 (dagvaardingsnummer 31). Het klopt dat daarop minder nummers staan per onderdeel dan bij het profiel dat is overgelegd bij de brief van 11 maart 2020. Dat komt omdat dit een profiel is zoals dat kan worden opgevraagd door een autoherstelbedrijf. Op de eerste pagina rechtsboven zie je staan ‘Restrictie’:’Repair’. Bij een bevraging van het DAT-systeem met dit doel worden dus niet alle nummers verstrekt. Wij hebben de afspraak met het DAT dat zij wel de volledige nummers verstrekken. De onderdeelnummers die staan op het DAT-profiel van auto [kenteken 6] zijn generieke nummers van onderdelen die specifiek in deze auto zijn aangebracht. Deze nummers zijn niet direct te koppelen aan een ‘specifieke VIN’. In het DAT-profiel van de auto [kenteken 6] staat eerst de term ‘DAT-codes’ en vervolgens een lijst met ‘onderdeelnummers’. Volgens mij kan je die termen door elkaar gebruiken. De in de productie E voorkomende term ‘DAT-nummer’ is niet hetzelfde.

2.10.

[getuige 4] , voertuigidentificatiedeskundige bij LIV, heeft verklaard:

Ik heb in deze zaak in december 2018 een rapport opgesteld op verzoek van het VBV. De opdracht was om een aantal portieren te identificeren. U toont mij productie b bij de brief van 23 november 2020. Dat is het stuk wat ik bedoel. (...)

Ik ben in 2015, meen ik, ter plaatse geweest bij [gedn.conv./eis.reconv.] . Ik was daar toen op verzoek van de politie om voertuigonderdelen te identificeren. Ik zocht toen naar de herkomst van de onderdelen. Ik zoek dan naar specifieke productiekenmerken die wij bij de fabrikant hebben opgevraagd waarmee een onderdeel kan worden gekoppeld aan een voertuigidentificatienummer (VIN). De politie doet dan vervolgens onderzoek naar het daarbij behorend kenteken.

De kenmerken die ik zoek zijn maar naar één specifieke auto te herleiden. Ik heb al bijna dertig jaar ervaring op dit gebied. Ik ben in 1992 begonnen bij het NFI op het gebied van voertuigidentificatie en later overgestapt naar het LIV. Ik weet uit mijn ervaring bij welk merk en welk type auto ik naar welke productiekenmerken moet zoeken. Als ik die kenmerken dan heb gevonden, vraag ik de informatie op bij de fabrikant om het te kunnen koppelen. Dat gaat per e-mail, het zou ook telefonisch kunnen. Ik weet niet hoe het precies toen gegaan is. Wij identificeren duizenden auto’s per jaar.

Ik was destijds bij [gedn.conv./eis.reconv.] bij het eerste binnentreden van de politie. Het kan ook de tweede dag zijn geweest. Ik ben daar één keer geweest. Ik gaf mijn bevindingen door aan de politie. Als het goed is heeft de politie daar een proces-verbaal van gemaakt. Ik durf niet te zeggen of ik dat direct diezelfde dag heb doorgegeven of dat ik dat later heb gedaan. Ik heb daar zelf geen rapport van opgemaakt. Er was toen ik daar was nog een andere collega van het LIV aanwezig, [betrokkene 3] . Er waren ook nog andere mensen van de politie aanwezig. De politie had toen ook andere mensen uit andere delen van het land ingeroepen. Wij waren daar met een man of 5 tot 7 aan het identificeren. Degene aan wie wij dat doorgaven heet volgens mij [getuige 2] . Volgens mij heet hij [getuige 2] . Het is een politieman van wie ik weet dat hij met pensioen is gegaan. Hij was de coördinator.

(...)

Op vragen van mr. van der Wende antwoord ik:

Als wij een uitslag kregen hebben wij dat meteen doorgegeven aan de politie. Zeker in het begin van zo’n onderzoek wil de politie snel weten wat er te herleiden is. Wij hebben diezelfde dag nog contact opgenomen met de fabrikant. Wij hebben die dag zeker tientallen onderdelen aan de fabrikant bevraagd. Er zijn ook tientallen koppelingen gemaakt. Het komt wel eens voor dat als wij kenmerken doorgeven de fabrikant geen koppeling kan maken, bijvoorbeeld bij nieuw geleverde onderdelen. In dit geval is dat niet voorgekomen. Wij doen een vooronderzoek naar die gegevens, maar wij kunnen in één dag natuurlijk niet alles controleren of identificeren. Later vindt er nog nader onderzoek plaats, maar daar ben ik niet bij betrokken geweest. Ik weet niet wie dat was. Ik ben verder niet bij de zaak betrokken geweest tot het verzoek uit 2018 om onderzoek te doen naar de acht portieren. Ik ben niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de samenstellingsdossiers en dus ook niet bij het zetten van de pijlen. Er waren daar geen carrosserieën. Wij hebben daarom ook geen ingeslagen VIN’s aangetroffen. Er waren wel instructieboekjes, daarin hebben wij wel VIN’s aangetroffen. Ik kan mij herinneren dat ik een instructieboekje heb gezien met een VIN erin, ik geloof dat dat in de verborgen ruimte was. Ik weet niet of er meer dan één instructieboekje is aangetroffen.

De precieze opdracht van het onderzoek naar de acht portieren, weet ik niet meer. Zij wilden onderzoeken of mijn bevinden over de portieren overeenkwamen met wat een ander in een proces-verbaal had gezet, althans dat denk ik. Ik ben toen zelf op een locatie gaan kijken waar de portieren waren opgeslagen en heb die portieren zelf onderzocht. Ik heb die dag zelf ook contact gezocht met de fabrikanten. Ik heb mijn bevindingen niet zelf vergeleken met de eerdere bevindingen. Ik had die ook niet gezien. Dat wil ik ook liever niet, want dan wordt je een bepaalde kant uitgestuurd. Ik heb in de 28 jaar dat ik werk op dit gebied niet meegemaakt dat er een fout zat in de koppeling die de fabrikant doorgaf aan de hand van mijn productiekenmerk.

Op een aanvullende vraag van mr. Van der Wende. Het klopt ook wel dat wij informatie opvragen bij het Bundes Kriminal Ambt. Dat is in dit geval die dag niet gebeurd.

2.11.

[getuige 5] , specialist bij het LIV, heeft verklaard:

Ik heb in 2018 een proces-verbaal van bevindingen opgesteld over een onderzoek naar voertuigonderdelen. Mijn onderzoek hield in dat ik de administratie van de strafrechtelijk bewaarder VBV derden controleerde. Dat zag alleen op 24 specifieke voertuigen. Dat waren de voertuigen die in het tussenvonnis van de strafrechter stonden. U toont mij productie a bij de brief van 23 november 2020. Dat is het proces-verbaal dat ik heb opgesteld. Voor dit onderzoek ben ik niet betrokken geweest bij het onderzoek naar de onderdelen die zijn aangetroffen bij [gedn.conv./eis.reconv.] . Ik heb het proces-verbaal van bevindingen opgesteld op verzoek van de heer [getuige 3] , de strafrechtelijk bewaarder. Er zou iets mis zijn met de administratie, of er zouden verkeerde voertuigen gekoppeld zijn en dat heb ik nagekeken. Ik heb onze administratie, van het LIV, vergeleken met de administratie van de strafrechtelijk bewaarder, VBV derden. Ik heb toen alleen de vergelijking gemaakt van de administratie. Ik heb niet zelf onderzocht hoe er fouten zouden kunnen zijn ontstaan bij VBV derden.

Op vragen van mr. Rappa antwoord ik:

De administratie van VBV derden was in zoverre niet helemaal in orde dat bij een aantal van de in onze administratie bewaarde productiekenmerken die destijds door de politie waren bevraagd, niet in de administratie van VBV derden zijn aangetroffen. Het gaat dus om het verzoek wat de politie destijds aan ons heeft gedaan met betrekking tot een bepaald auto-onderdeel en het daarin opgemelde kenmerk wat wij destijds hebben bevraagd en gekoppeld aan een VIN. Wij hebben dat verzoek geadministreerd. Ik heb nu onderzocht aan de hand van deze administratie of het desbetreffende onderdeel waarnaar de politie destijds heeft geïnformeerd was opgenomen in de administratie van het VBV. Dat was niet in alle gevallen zo. In een aantal gevallen heb ik dat niet teruggevonden. Op dat onderdeel klopte de administratie dus niet.

Op vragen van mr. van der Wende antwoord ik:

Het klopt dat ik alleen de VBV administratie heb gecontroleerd en niet de administratie van de politie. U vraagt of ik weet wie van het LIV destijds betrokken is geweest bij het koppelen van de kenmerken aan de VIN’s, wie de bevraging en administratie heeft gedaan. Ik weet dat niet zeker. Ik weet wel dat er bij ons in die tijd een medewerker werkte, de heer Hanenburg, die veelal de fabrieksinformatie bevroeg. Hij is nu met pensioen. Ik weet niet zeker of hij hier dit heeft ook heeft gedaan en ook niet of er ook anderen bij betrokken waren.

U stelt dat ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken 7] een specifiek kenmerk van een zekeringskast is bevraagd en dat dit volgens de gegevens van het VBV of VBV derden drie keer aan een andere VIN zou zijn gekoppeld. U vraagt mij of als deze stelling klopt dit dan aan het LIV zou kunnen liggen of dat dit dan aan de administratie van VBV (VBV derden) zou moeten liggen. Dit moet dan aan de administratie van VBV (VBV derden) liggen. Het LIV stuurt de vraag (het kernmerk) van de politie, althans de forensisch voertuigonderzoeker, één op één door aan de fabrikant en het antwoord op de vraag één op één terug aan de politie/forensisch voertuig onderzoeker. Wij verrichten daar zelf geen bewerkingen aan. Wij kunnen dus daarin ook geen fout maken.

U toont mij productie c bij de brief van 23 november 2020. Ik herken de lay-out van de e-mail. Ik ga er vanuit dat ik die e-mail heb geschreven.

2.12.

[getuige 6] heeft verklaard:

Ik ben destijds door de directie van [betrokken bedrijf 1] aangewezen om VBV bij te staan. (...)

Ik ben tot augustus 2017 43 jaar werkzaam geweest bij [betrokken bedrijf 1] . Ik was daar manager technische services en hield mij bezig met zaken als garanties, diefstalpreventies, technical support, vertalingen, een eigen importeurswerkplaats etc. (...)

Ik ben ook betrokken geweest bij het onderzoek naar [gedn.conv./eis.reconv.] in de zin dat ik een aantal keren met de fabriek heb gesproken over hoe je de herkomst van bepaalde onderdelen kon vaststellen aan de hand van identificatienummers. [betrokken bedrijf 1] heeft ook specialisten geleverd om de herkomst van onderdelen vast te stellen. Ik heb mij daar zelf niet mee bezig gehouden. Bij het bepalen van de herkomst van onderdelen gaat het zowel om onderdelen met een uniek kenmerk als om onderdelen die geen uniek kenmerk hebben, maar aan de hand waarvan je toch iets zou kunnen zeggen.

Op vragen van mr. Rappa antwoord ik:

Het klopt dat fabrikanten gebruik maken van platforms om verschillende merken auto’s op te bouwen, zo besparen zij kosten. Er worden dus voor verschillende merken dezelfde onderdelen gebruikt. Het onderdeel krijgt dan vaak het nummer van het model waarvoor het als eerste is ontwikkeld. De onderdelen worden niet alleen in verschillende merken gebruikt, maar ook in verschillende modellen. Als voorbeeld: een relais voor een knipperlicht, zal in heel veel modellen en merken gebruikt kunnen worden. Het klopt dat Volkswagen gebruik maakt van de ‘Elektronischer Teilekatalog (ETKA)’. Dat is een systeem dat wereldwijd kan worden gebruikt, waarbij dealers aan de hand van het VIN-nummer kunnen zien welke onderdelen voor die auto zijn gebruikt, zodat zij dat eventueel kunnen bijbestellen. In zo’n overzicht kunnen ook onderdelen staan die het nummer hebben van een ander model dan de auto van het VIN-nummer. Als je in ETKA een nummer van een onderdeel intypt kan je zien in welke modellen het allemaal wordt gebruikt. (...)

Op vragen van mr. van der Wende antwoord ik:

De [betrokken bedrijf 1] -specialisten waar ik het eerder over had, hebben data gekregen van de heer [getuige 3] . Zij hebben dan geanalyseerd uit welke auto’s de desbetreffende onderdelen zouden kunnen komen.

2.13.

[gedn.conv./eis.reconv.] meent dat zij is geslaagd in haar opdracht om tegenbewijs te leveren. Zij geeft aan de hand van de getuigenverklaringen commentaar op de wijze waarop de samenstellingsdossiers tot stand zijn gebracht. Volgens haar is niet duidelijk wie nu op welke manier heeft vastgesteld dat bepaalde onderdelen aan bepaalde auto’s kunnen worden gekoppeld en zij merkt op dat de verschillende bij het onderzoek betrokken personen naar elkaar wijzen (‘iedereen naar niemand’2). Aan de processen-verbaal van [getuige 2] en [getuige 1] kan volgens [gedn.conv./eis.reconv.] geen waarde worden gehecht. Bij het koppelen zijn veel fouten gemaakt en het samenstellingsdossier is steeds aangepast naar aanleiding van commentaar van [gedn.conv./eis.reconv.] . Bepaalde onderdelen die aanvankelijk aan een bepaalde auto zijn gekoppeld, ook ‘met 100% zekerheid’, zijn in latere stadia aan andere auto’s gekoppeld. [gedn.conv./eis.reconv.] betoogt verder dat VbV niet VIN’s uit onderdelen heeft herleid, maar dat zij onderdelen naar VIN’s heeft geleid.3 [gedn.conv./eis.reconv.] neemt het standpunt in dat de samenstellingsdossiers het resultaat zijn van geplak en geknip van een private partij die belang heeft bij de uitkomst, zonder dat er gedegen onderzoek aan ten grondslag ligt en zonder dat er afdoende is gecontroleerd, waarbij door onzorgvuldigheid de waarheid geweld is aangedaan.4

2.14.

VbV meent dat [gedn.conv./eis.reconv.] niet is geslaagd in haar opdracht om tegenbewijs te leveren en meent voorts dat het bewijs is geleverd dat de bij [gedn.conv./eis.reconv.] aangetroffen onderdelen afkomstig zijn uit de auto’s op het schadelastoverzicht. Zij zet opnieuw uiteen wat de hoedanigheden zijn van de partijen die bij het onderzoek zijn betrokken, welke rol zij spelen en hoe zij te werk zijn gegaan, welke onderdelen aan bepaalde VIN’s kunnen worden gekoppeld en hoe de samenstellingsrapporten tot stand zijn gekomen.

2.15.

De rechtbank heeft in het vonnis van 4 april 2018 overwogen en bij haar voorshandse bewijsoordeel betrokken dat de op ambtseed afgelegde en schriftelijk vastgelegde verklaringen van de verbalisanten [getuige 2] en [getuige 1] als authentieke akten tegen een ieder dwingend bewijs opleveren van hetgeen deze verbalisanten binnen de kring van hun bevoegdheid omtrent hun waarnemingen en verrichtingen hebben verklaard. De rechtbank heeft in het tussenvonnis op grond van deze akten - behoudens tegenbewijs - aangenomen dat de auto’s op het schadelastoverzicht zijn gekoppeld aan de hand van door [getuige 2] waargenomen unieke kenmerken op airbags en andere onderdelen, die door hem naar het LIV zijn gestuurd en dat het LIV aan de hand van die kenmerken “achterhaalde” wat het VIN en het kenteken was van de auto waarvan de desbetreffende voertuigenonderdelen deel uit hadden gemaakt.5 De rechtbank komt in zoverre op deze overwegingen in het tussenvonnis terug dat zij overweegt dat processen-verbaal van de politie niet dienen tot bewijs in civiele procedures en daarom ook niet als authentieke akten kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 156 Rv.6 Zij leveren daarom geen dwingend bewijs op, maar hebben wel vrije bewijskracht in de zin van artikel 152 Rv. Beoordeeld dient te worden of er nog steeds (ook zonder dat de processen-verbaal als authentieke akten worden aangemerkt en na de tegenbewijslevering door [gedn.conv./eis.reconv.] ) van kan worden uitgegaan dat de airbags en andere met pijlen aangeduide onderdelen waarop de (volgens de processen-verbaal) unieke kenmerken zijn aangetroffen op de genoemde wijze zijn gekoppeld aan de auto’s op het schadelastoverzicht.

2.16.

Voor de beoordeling in dat verband is van belang dat [getuige 2] en [getuige 1] als getuigen niet hebben verklaard dat zij zelf hebben vastgesteld dat de aangetroffen onderdelen met unieke kenmerken afkomstig zijn van de specifieke auto’s op het schadelastoverzicht. Het is volgens hun verklaringen immers het LIV geweest dat dit heeft gedaan. Verbalisant [getuige 2] heeft als getuige verklaard dat hij van onderdelen die bij [gedn.conv./eis.reconv.] zijn aangetroffen kenmerken heeft waargenomen en genoteerd, dat hij deze kenmerken heeft aangeleverd bij het LIV met het verzoek vast te stellen van welke specifieke auto’s die onderdelen afkomstig zijn en dat het LIV dat vervolgens heeft gedaan. [getuige 2] weet niet hoe het LIV dat heeft gedaan maar hij veronderstelt dat het LIV het correct heeft gedaan. Verbalisant [getuige 1] heeft als getuige verklaard dat hij mede op basis van de informatie die [getuige 2] op deze manier van het LIV heeft verkregen in de samenstellingsdossiers pijlen heeft geplaatst bij de onderdelen met unieke kenmerken die specifiek zijn terug te koppelen naar bepaalde auto’s. Hij heeft ook verklaard dat hij geen specialist is op het gebied van auto’s.

Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] kan het volgende worden afgeleid:

- [getuige 2] heeft geen zicht gehad op hoe het LIV de daadwerkelijke koppeling heeft gemaakt tussen enerzijds de door [getuige 2] genoteerde en aan het LIV aangeleverde ‘unieke’ kenmerken die hij had overgenomen van de onderdelen bij [gedn.conv./eis.reconv.] en anderzijds de VIN’s die te herleiden zijn naar de auto’s op het schadelastoverzicht;

- [getuige 2] heeft met de informatie die hij terugkreeg van het LIV een overzicht gemaakt en dit aan [getuige 1] verstrekt. Daarin stond bij welke auto een match was, om welke onderdelen het dan ging en welk kenteken. [getuige 2] heeft echter zelf geen directe bemoeienis gehad met de samenstellingsdossiers en heeft in ieder geval niet de daarin geplaatste pijlen gezet. [getuige 2] weet dat dit door [getuige 1] is gedaan maar weet niet waar en hoe [getuige 1] dat heeft geverifieerd. [getuige 1] weet niet of [getuige 2] de door [getuige 1] gezette pijlen nog heeft gezien;

- [getuige 1] verklaart de pijlen in de samenstellingsdossiers te hebben gezet aan de hand van het door [getuige 2] gegeven overzicht en de pijlen gecheckt en ‘gedubbelcheckt’ te hebben, maar omschrijft niet concreet hoe dat is gebeurd.

- [getuige 1] kan tijdens het getuigenverhoor desgevraagd ten aanzien van vier door hem gezette pijlen (met betrekking tot de auto’s in het schadelastoverzicht genummerd 86, 113, 114 en 142) geen duidelijke verklaring geven voor tegenstrijdigheden tussen de omschrijvingen bij de door hem met een pijl gemarkeerde onderdelen en de daarbij horende foto’s of andere gegevens, waaronder een afwijkend kentekennummer (auto 114).

De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat het ‘koppelproces’ vanaf het noteren van de ‘unieke kenmerken’ van de onderdelen bij [gedn.conv./eis.reconv.] door [getuige 2] en de plaatsing van de pijlen ‘waterdicht’ en foutloos is geweest. Aan de processen-verbaal van [getuige 2] en [getuige 1] kan dan ook niet reeds het bewijs worden ontleend dat de met pijlen gewaarmerkte onderdelen met unieke kenmerken die bij [gedn.conv./eis.reconv.] zijn aangetroffen, afkomstig zijn van gestolen auto’s zoals die zijn opgenomen in het schadelastoverzicht. [gedn.conv./eis.reconv.] is in zoverre in haar tegenbewijslevering geslaagd.

2.17.

VbV acht desondanks bewezen dat (tenminste een deel van) de in de samenstellingsdossiers genoemde onderdelen afkomstig zijn van de gestolen auto’s op het schadelastoverzicht. Zij heeft in deze procedure een groot aantal producties in het geding gebracht om haar stelling te staven. [gedn.conv./eis.reconv.] heeft per auto op het schadelastoverzicht commentaar geleverd op de koppelingen en de samenstellingen. De rechtbank heeft de producties van VbV en het erop geleverde commentaar bestudeerd, waarbij zij in het bijzonder de volgende gegevens heeft gebruikt:

- de lijst met 166 gestolen voertuigen7 die [getuige 2] heeft gevoegd als bijlage bij zijn proces-verbaal van 13 april 2016 (‘de lijst van [getuige 2] ’),

- het commentaar van [gedn.conv./eis.reconv.]8 op de samenstellingsdossiers die VbV heeft overgelegd als productie 50 tot en met 199 bij akte van 18 oktober 2016,

- het proces-verbaal algemeen dossier in de strafzaak, op 15 november 2016 opgemaakt door [getuige 1] ,9

- de samenstellingsdossiers in het strafdossier waarbij brigadier [getuige 1] pijlen heeft gezet bij de onderdelen op basis waarvan VbV de auto’s heeft gekoppeld,10

- de reactie van VbV11 op het commentaar van [gedn.conv./eis.reconv.] .

2.18.

De rechtbank leidt uit deze producties en uit de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen af dat VbV bij het koppelen van auto’s aan aangetroffen onderdelen en bij het opstellen van samenstellingsdossiers als volgt te werk is gegaan:

  1. VbV dan wel de politie heeft onderdelen aangetroffen bij [gedn.conv./eis.reconv.] .

  2. VbV dan wel de politie heeft de aangetroffen onderdelen onderzocht op bepaalde kenmerken en codes, waaronder geheime.

  3. Van onderdelen die met 100% zekerheid te herleiden zijn tot specifieke auto’s heeft de politie ( [getuige 2] ) kenmerken doorgegeven aan het LIV, met het verzoek te achterhalen bij welk VIN dat onderdeel hoort.

  4. Het LIV heeft bij die kenmerken VIN’s achterhaald en die doorgegeven aan de politie.

  5. De politie heeft de kentekens bij de VIN’s gezocht.

  6. De politie heeft vastgesteld of de auto’s met die kentekens als gestolen staan geregistreerd.

  7. VbV heeft de aangetroffen onderdelen gefotografeerd.

  8. VbV heeft DAT-profielen van de achterhaalde, gestolen auto’s opgevraagd.

  9. VbV heeft op basis van het DAT-profiel per auto een samenstellingsdossier opgesteld door onderdelen uit de voorraad van [gedn.conv./eis.reconv.] met DAT-codes uit het profiel met verschillende graden van waarschijnlijkheid toe te voegen aan de onderdelen die bij de auto horen of kunnen horen.

  10. Nadien heeft [getuige 1] op basis van de lijst van [getuige 2] de onderdelen die [getuige 2] heeft onderzocht in de samenstellingsdossiers gemarkeerd met pijlen.12

2.19.

Deze methode bestaat in wezen uit twee stappen. De eerste stap is: met zekerheid een bepaalde auto bij een bepaald aangetroffen onderdeel met een uniek kenmerk achterhalen en nagaan of dat een gestolen auto is (1 – 6). De tweede stap is: aangetroffen onderdelen met verschillende graden van waarschijnlijkheid toeschrijven aan auto’s die achterhaald zijn in de eerste stap (7 – 9). [getuige 1] heeft de pijlen later geplaatst als toelichting bij de eerste stap.

2.20.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de eerste stap van de methode zoals hiervoor weergegeven voldoende zijn om te bewijzen dat bij [gedn.conv./eis.reconv.] aangetroffen onderdelen met unieke kenmerken afkomstig zijn van de auto’s op het schadelastoverzicht. De rechtbank heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat het LIV bij bepaalde kenmerken VIN’s kan achterhalen en dat zij dat naar beste vermogen en in beginsel op juiste wijze heeft gedaan. Dat het LIV een samenwerkingsverband is tussen de RDW, de politie en het Verbond van Verzekeraars en dat de verzekeraars belang hebben bij de uitkomst van het onderzoek is op zichzelf onvoldoende om haar integriteit in twijfel te trekken, zoals [gedn.conv./eis.reconv.] doet.

2.21.

[getuige 2] heeft in zijn lijst bij elke auto opgenomen aan de hand van welk onderdeel of welke onderdelen met uniek kenmerk de auto is gekoppeld. Hij heeft van die onderdelen alleen de soort genoemd (bijvoorbeeld ‘airbag’, ‘zekeringskast’) maar geen nummers vermeld. In een aantal gevallen komt het genoemde onderdeel niet in het samenstellingsdossier voor. In deze gevallen heeft [getuige 1] geen pijl kunnen zetten bij het onderdeel dat is gebruikt om de auto te koppelen en is dus ook niet duidelijk hoe VbV (dan wel het LIV) het VIN heeft achterhaald. Dit is het geval bij de volgende negentien auto’s:

volgnummer

kenteken

[getuige 2]

[getuige 1]

60

[kenteken]

‘airbag 2x’

geen pijl

69

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

71

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

73

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

77

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

83

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

87

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

88

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

90

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

106

[kenteken]

‘airbag 2x’

geen pijl

120

[kenteken]

‘zekeringkast’

geen pijl

122

[kenteken]

‘zekeringkast’

geen pijl

124

[kenteken]

‘zekeringkast’

geen pijl

126

[kenteken]

‘zekeringkast’

geen pijl

140

[kenteken]

‘portier 2x’

geen pijl

143

[kenteken]

‘airbag’

geen pijl

145

[kenteken]

‘zekeringkast’

geen pijl

147

[kenteken]

?

geen pijl

148

[kenteken]

?

geen pijl

2.22.

In haar reactie op het commentaar van [gedn.conv./eis.reconv.] op de samenstellingen heeft VbV bij elke auto op het schadelastoverzicht vermeld hoeveel DAT-codes het DAT-profiel van die auto bevat en een opsomming gegeven van ‘de gevonden DAT-codes’.13 In een aantal gevallen komt de DAT-code van het onderdeel met een uniek kenmerk op basis waarvan VbV (dan wel het LIV) een VIN heeft achterhaald, echter niet voor in die opsomming van ‘gevonden DAT-codes’. Het is niet duidelijk hoe het mogelijk is dat een onderdeel wel een uniek kenmerk heeft waarmee een VIN kan worden achterhaald, maar niet wordt gevonden in het DAT-profiel. Het had op de weg van VbV gelegen om dat uit te leggen, maar dat heeft zij niet gedaan.14 Dit geldt voor 36 auto’s, namelijk die met volgnummers 6, 11, 12, 19, 30, 41, 47, 49, 52, 53, 54, 66, 72, 74, 99, 100, 104, 105, 107, 110, 112, 113, 115, 116, 117, 118, 121, 123, 129, 136, 137, 139, 141, 144, 146 en 150 op het schadelastoverzicht.

2.23.

In dertien gevallen heeft VbV als reactie op het commentaar van [gedn.conv./eis.reconv.] op de koppelingen opgenomen: ‘Dit onderdeel is door de politie uniek geïdentificeerd, zoals blijkt uit o.a. de ambtsedige toevoeging van een zwarte pijl door verbalisant Molenaar op pagina (...) van het strafrechtelijke Proces-verbaal Algemeen Dossier.’15 De manier waarop [getuige 2] en [getuige 1] daarbij te werk zijn gegaan, roept evenwel vragen op, die door VbV niet worden beantwoord. Hieronder volgen voorbeelden daarvan.

volg-nummer

kenteken

[getuige 2] 16

[getuige 1]

Vraag

29

[kenteken]

‘airbag’

Heeft een pijl toegevoegd, maar er staan twee airbags in het samenstellingsdossier.

Op basis waarvan heeft [getuige 1] ervoor gekozen de pijl te zetten bij de airbag met VbV-nummer 66551 en niet bij die met VbV-nummer 67528?

30

[kenteken]

‘airbag 2x’

Heeft een pijl toegevoegd; er staat maar één airbag in het samenstellingsdossier.

Hoe komt [getuige 2] bij twee airbags als er maar één airbag in het samenstellingsdossier staat? Hoe wist [getuige 1] dat de airbag in het samenstellingsdossier de airbag is op basis waarvan [getuige 2] heeft gekoppeld?

41

[kenteken]

‘airbag’

Heeft een pijl toegevoegd, maar er staan twee airbags in het samenstellingsdossier.

Op basis waarvan heeft [getuige 1] ervoor gekozen de pijl te zetten bij de airbag met VbV-nummer 67723 en niet bij die met VbV-nummer 68008?

42

[kenteken]

‘portier airbag 3x’

Heeft een pijl geplaatst bij een airbag. In het samenstellingsdossier staat slechts één airbag en bovendien een portier.

Hoe komt [getuige 2] bij drie airbags als er maar één airbag in het samenstellingsdossier staat? Waarom zet [getuige 1] geen pijl bij het portier?

45

[kenteken]

‘portier airb. Dashboard’

Heeft een pijl geplaatst bij een airbag. In het samenstellingsdossier staat ook een dashboard maar geen portier.

Hoe komt [getuige 2] bij een portier als er geen portier in het samenstellingsdossier staat? Waarom zet [getuige 1] geen pijl bij het dashboard?

50

[kenteken]

‘portier 2x

airbag 3x’

Heeft drie pijlen geplaatst, telkens bij een portier. Er staan vier portieren in het samenstellingsdossier en geen airbags.

Hoe komt [getuige 2] bij drie airbags als die niet in het samenstellingsdossier staan?

Waarom zet [getuige 1] pijlen bij drie portieren terwijl [getuige 2] er maar twee noemt?

Hoe heeft [getuige 1] zijn keuze tussen vier portieren bepaald?

121

[kenteken]

‘motorkap front d’

Heeft pijlen geplaatst bij twee bumpers. In het samenstellingsdossier staat geen motorkap.

Hoe komt [getuige 2] bij een motorkap als die niet in het samenstellingsdossier staat?

Hoe komt [getuige 1] erbij om pijlen bij bumpers te plaatsen?

134

[kenteken]

‘portier 2x’

Heeft pijlen geplaatst bij drie portieren.

Waarom heeft [getuige 1] niet slechts twee pijlen geplaatst maar bovendien een derde pijl bij het portier met VbV-nummer 65098, dat een portier is van een Seat Leon (terwijl het hier gaat om een Volkswagen Polo)?

135

[kenteken]

‘portier’

Heeft pijlen geplaatst bij twee portieren.

Waarom heeft [getuige 1] niet één pijl geplaatst maar twee pijlen?

136

[kenteken]

‘portier 2x’

Heeft een pijl bij een portier geplaatst. In het samenstellingsdossier staat maar één portier.

Hoe komt [getuige 2] bij twee portieren als er maar één portier in het samenstellingsdossier staat?

138

[kenteken]

‘portier’

Heeft twee pijlen bij portieren geplaatst. Er staan drie portieren in het samenstellingsdossier.

Waarom heeft [getuige 1] niet één pijl geplaatst maar twee pijlen? Hoe heeft hij zijn keuze bepaald tussen de drie portieren in het samenstellingsdossier?

139

[kenteken]

‘portier 2x’

Heeft een pijl bij een portier geplaatst. Er staat ook maar één portier in het samenstellingsdossier.

Hoe komt [getuige 2] bij twee portieren als er maar één portier in het samenstellingsdossier staat?

141

[kenteken]

‘portier 2x’

Heeft een pijl bij een portier geplaatst. Er staat maar één portier in het samenstellingsdossier.

Hoe komt [getuige 2] bij twee portieren als er maar één portier in het samenstellingsdossier staat?

2.24.

In rov 2.16 heeft de rechtbank overwogen dat niet zondermeer kan worden aangenomen dat het ‘koppelproces’, vanaf het noteren van de ‘unieke kenmerken’ van de onderdelen bij [gedn.conv./eis.reconv.] door [getuige 2] en de plaatsing van de pijlen ‘waterdicht’ en foutloos is geweest. Op grond van het opgesomde in rov. 2.21 tot en met 2.23 stelt de rechtbank stelt daarbij het volgende vast. Van negentien auto’s is in het geheel niet duidelijk welk onderdeel of welke onderdelen VbV (dan wel de politie en het LIV) heeft gebruikt om de VIN’s te achterhalen. Voorts is er een categorie van 36 auto’s waarvan VbV stelt de VIN’s te hebben achterhaald aan de hand van onderdelen waarvan de DAT-codes niet zijn gevonden. Verder roept bestudering van de gegevens die VbV heeft aangeleverd ten aanzien van dertien auto’s vragen op die door VbV niet worden beantwoord. De genoemde onduidelijkheden/vraagpunten zien op 62 verschillende auto’s (waarvan ten aanzien van zes auto’s twee maal een onduidelijkheid/vraagpunt bestaat). Dat wil niet zeggen dat deze auto’s niet deugdelijk ‘gekoppeld’ zijn en ook niet dat de door VbV uitgevoerde koppeling met betrekking tot de overige 93 in het schadelastoverzicht genoemde auto’s wel in orde was. Wel volgt uit het vorenstaande dat de gegevens die VbV in het geding heeft gebracht niet inzichtelijk, controleerbaar en betrouwbaar genoeg zijn om daarop het oordeel te kunnen baseren dat onderdelen die bij [gedn.conv./eis.reconv.] zijn aangetroffen met 100% zekerheid te herleiden zijn tot de specifieke auto’s op het schadelastoverzicht. VbV heeft op basis van deze gegevens niet aangetoond dat zij de eerste stap als bedoeld in rov. 2.19 heeft kunnen zetten.

2.25.

Hoewel de tweede stap pas kan worden gezet nadat de eerste is gezet, zal de rechtbank toch op die tweede stap ingaan. [getuige 3] verklaart daarover als getuige:

Wat in het systeem nog van belang is, is dat wij werken met verschillende waarschijnlijkheidsklassen. De door de politie en het LIV geïdentificeerde onderdelen zijn 100% zeker te matchen. Dan bestaat de klasse hoogstwaarschijnlijk. Dat betreft exterieurdelen die qua kleur uitvoering en bouwjaar met die van het geïdentificeerde voertuig overeenkomen. Dan zijn er bijvoorbeeld onderdelen met een nummer waarvan er maximaal zes in de voorraad van het desbetreffende bedrijf, in dit geval [gedn.conv./eis.reconv.] , zijn aangetroffen en die in de DAT-profielen van de auto’s die behoren bij de door de politie geïdentificeerde onderdelen ook maar zes keer voorkomen. Het klopt dat wij niet onderzoeken hoe vaak die desbetreffende nummers in zijn algemeenheid voorkomen op dat soort onderdelen. Het klopt dat er dus in theorie ook 100.000 onderdelen met dat nummer in omloop kunnen zijn. Dit zijn de onderdelen met de waarschijnlijkheidsklasse ‘voldoende waarschijnlijk’. Ook van de exterieurdelen waaraan zoals gezegd de klasse ‘hoogst waarschijnlijk’ zijn gekoppeld hebben wij niet onderzocht hoe vaak die geproduceerd zijn en hoeveel daarvan in omloop zijn. Het is wel zo dat de auto-onderdelen die bij [gedn.conv./eis.reconv.] zijn aangetroffen in het algemeen aan jonge auto’s toebehoren. Van jonge auto’s rijden de meeste nog rond en zijn er dus minder exterieurdelen in de handel. Ten slotte is er nog de categorie ‘vermoedelijk’. Dat zijn onderdelen die veel voorkomen, maar waarbij het onderdeel ook past bij de desbetreffende auto.

2.26.

De rechtbank leidt uit deze verklaring af dat de manier waarop VbV onderdelen zonder unieke kenmerken met verschillende graden van waarschijnlijkheid bij de auto’s heeft gevoegd, intuïtief is en niet statistisch gefundeerd. Deze manier biedt daarom onvoldoende basis voor het oordeel dat de onderdelen zonder unieke kenmerken met de door VbV eraan gehechte graden van waarschijnlijkheid horen of kunnen horen bij de auto’s in het schadelastoverzicht, ook als wordt aangenomen dat de eerste stap voldoende zou zijn om te kunnen vaststellen dat aangetroffen onderdelen met unieke kenmerken afkomstig zijn van auto’s op het schadelastoverzicht. VbV heeft dus evenmin aangetoond dat zij de tweede stap als bedoeld in rov. 2.19 heeft kunnen zetten.

2.27.

De conclusie is dat VbV er niet in is geslaagd om te bewijzen dat onderdelen (met dan wel zonder unieke kenmerken) die bij [gedn.conv./eis.reconv.] zijn aangetroffen afkomstig zijn van de (gestolen) auto’s op het schadelastoverzicht. Aldus is het door VbV gestelde onrechtmatig handelen niet komen vast te staan, althans in zoverre het niet om de hierna te bespreken Volkswagen Caddy gaat.

2.28.

De eerste auto op het schadelastoverzicht, de Volkswagen Caddy met kenteken
[kenteken] , neemt een bijzondere positie in omdat deze auto niet is achterhaald op de hiervoor weergegeven wijze. Zoals reeds overwogen, heeft de politie deze auto op 6 november 2015 bij autosloperij [gedn.conv./eis.reconv.] te [plaats] aangetroffen, waar hij deels gesloopt en gestript op de hefbrug stond.17 VbV stelt, na haar eis te hebben gewijzigd, dat zij voor deze deels gestripte auto € 7.915,50 heeft uitgekeerd en € 915,50 aan kosten heeft gemaakt. Als [gedn.conv./eis.reconv.] de auto niet had verborgen en ten dele vernietigd, dan was deze auto volgens VbV onbeschadigd teruggevonden. Omdat de auto binnen de uitkeringstermijn van dertig dagen is teruggevonden, had de verzekeraar dan geen schadevergoeding hoeven uitkeren. Daarmee is volgens VbV het causale verband tussen de onrechtmatige daad van [gedn.conv./eis.reconv.] en de geleden schade aangetoond.18

2.29.

[gedn.conv./eis.reconv.] brengt hier het volgende tegen in. De Caddy is op 6 november 2015 aan haar aangeboden door autohandelaar W.B. Verseveld (gedaagde in de vrijwaring) met de opdracht plaatwerk te demonteren. Dat is een reguliere opdracht en [gedn.conv./eis.reconv.] heeft die volledig te goeder trouw aangenomen. [gedn.conv./eis.reconv.] wist niet dat de auto was gestolen en zij hoefde dat ook niet te weten. Verder is de Caddy teruggevonden binnen dertig dagen nadat deze was gestolen. Daarom had de Caddy aan de rechthebbende kunnen worden teruggegeven, zodat de verzekeraar niet had hoeven uitkeren en dus geen schade zou hebben geleden. Platen die waren gedemonteerd had [ged.conv./eis.reconv.2] . best zelf willen terugplaatsen.19

2.30.

De Caddy is gestolen op 6 november 2015. Hij is op diezelfde dag teruggevonden op de hefbrug bij [gedn.conv./eis.reconv.] in [plaats] . De verzekeraar heeft schade van de bestolen eigenaar vergoed op 18 november 2015. Volgens de eigen stelling van VbV had de verzekeraar dat niet hoeven doen. De termijn van dertig dagen na de diefstal was immers nog niet verstreken. De Caddy, die binnen dertig dagen na de diefstal is teruggevonden, had aan de bestolen eigenaar kunnen worden teruggegeven. VbV heeft niet weersproken dat [ged.conv./eis.reconv.2] . gedemonteerd plaatwerk had willen terugplaatsen. De schade waarvan VbV vergoeding vordert is aldus veroorzaakt doordat de verzekeraar, nadat de Caddy was teruggevonden, binnen de termijn van dertig dagen na diefstal en dus onverplicht tot uitkering is overgegaan. Die schade is dus niet ontstaan doordat [gedn.conv./eis.reconv.] de Caddy heeft verborgen en deels vernietigd. Er is dan geen causaal verband tussen de gedragingen die VbV aan [gedn.conv./eis.reconv.] verwijt en de schade waarvan VbV vergoeding vordert. De vordering om de schade ter zake van de Caddy te vergoeden zal daarom worden afgewezen.

2.31.

De vordering van VbV zal daarom ook worden afgewezen voor zover die betrekking heeft op de Caddy.

2.32.

Omdat er geen grondslag is voor aansprakelijkheid van [gedn.conv./eis.reconv.] , zal ook de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

2.33.

VbV zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal zij worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als onweersproken gevorderd.

3 In reconventie

3.1.

In het tussenvonnis van 25 januari 2017 heeft de rechtbank overwogen dat de vorderingen van [gedn.conv./eis.reconv.] in reconventie zullen worden afgewezen en dat [gedn.conv./eis.reconv.] zal worden veroordeeld in de proceskosten (rov. 5.12 – 5.21). Ook de vorderingen tot vergoeding van wettelijke rente en van nakosten zullen als onweersproken worden toegewezen.

4 De proceskosten in het vrijwaringsincident

4.1.

Bij vonnis van 13 juli 2016 heeft de rechtbank [gedn.conv./eis.reconv.] toegestaan om [evt op te roepen partij vrijwaring] en [evt op te roepen partij vrijwaring] in vrijwaring op te roepen en de beslissing omtrent de kosten van het incident aangehouden.

4.2.

Omdat VbV als de in het vrijwaringsincident in het ongelijk te stellen partij moet worden beschouwd, zal zij worden veroordeeld in de kosten van het vrijwaringsincident.

5 De beslissing

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt VbV in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van [gedn.conv./eis.reconv.] begroot op € 3.903,00 aan griffierecht en € 21.994,5‬0 aan salaris voor de advocaat (5½ punt, tarief VIII), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af,

5.5.

veroordeelt [gedn.conv./eis.reconv.] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van VbV begroot op € 3.540,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief V),

5.6.

veroordeelt [gedn.conv./eis.reconv.] in de nakosten, aan de zijde van VbV bepaald op € 163,00, te vermeerderen, voor het geval dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 85,00,

5.7.

veroordeelt [gedn.conv./eis.reconv.] tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten waaronder de nakosten vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der algehele voldoening,

kosten in het vrijwaringsincident

5.8.

veroordeelt VbV in de kosten van het vrijwaringsincident, tot aan dit vonnis aan de zijde van [gedn.conv./eis.reconv.] begroot op € 563,00 (1 punt, tarief II).

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen, mr. J.R. Veerman en mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2022.

1 Hoge Raad 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8766

2 Akte uitlaten producties 26 mei 2012 onder 20

3 Conclusie na enquête 58

4 Conclusie na enquête 23

5 Tussenvonnis 4 april 2018, rov. 3.18

6 Zie ook Hoge Raad (Strafkamer), 27 februari 1996 ECLI:NL:HR:1996:AD2501, rov. 5.3, 5.4.1. en 5.4.2.

7 Productie 217 (deel IX van XVI) bij de akte van 15 november 2017 (strafdossier vanaf blz. 0096)

8 Productie 36 van [gedn.conv./eis.reconv.] ten behoeve van de zitting van 18 oktober 2016

9 Productie 206 bij akte overlegging producties van 22 februari 2017, ook opgenomen als deel van het strafdossier (blz. 0004 – 0016), productie 217 (deel IX van XVI) bij de akte van 15 november 2017

10 Productie 217 (delen IX - XIII van XVI) bij de akte van 15 november 2017 (strafdossier vanaf blz. 0150)

11 Productie 218 (delen XIV – XVI van XVI) bij de akte van 15 november 2017

12 Productie 217 (deel IX van XVI) bij de akte van 15 november 2017 (strafdossier blz. 0012)

13 Productie 218 bij akte van 15 november 2017

14 Akte van 15 november 2017 onder 23 (blz. 17/18)

15 Productie 218 (deel XIV van XVI) bij de akte van 15 november 2017, telkens de eerste bladzijde van de desbetreffende auto

16 Productie 217 (deel IX van XVI) bij de akte van 15 november 2017, blz. 0096

17 Vonnis van 25 januari 2017 rov. 3.2

18 Dagvaarding blz. 10, akte van 15 november 2017 onder 3 en productie 211

19 Conclusie van antwoord 45 – 51, 100 – 102