Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:4935

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-08-2022
Datum publicatie
22-08-2022
Zaaknummer
AWB- 22_3883
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Bewoning tent in strijd met het bestemmingsplan. Redelijke begunstigingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 22/3883


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2022 in de zaak tussen


[verzoeker] en [verzoeker], uit [woonplaats], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem

(gemachtigde: mr. M.A. de Ronde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de last onder bestuursdwang die het college op 2 augustus 2022 aan verzoekers heeft opgelegd. Die last houdt in dat verzoekers niet meer in hun tent mogen wonen tegenover [locatie] in [woonplaats] en dat zij hun tent daar moeten verwijderen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

1.1.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

Verzoekers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, bijgestaan door [informant] (informant), en de gemachtigde van het college.

1.4.

Op de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek geschorst en verzoekers in de gelegenheid gesteld uiterlijk 18 augustus 2022 bewijsstukken aan te leveren, waarop het college uiterlijk 19 augustus 2022 kon reageren. Partijen hebben op de zitting meegedeeld dat zij ermee instemmen dat er geen vervolgzitting plaatsvindt. Na ontvangst van de reacties van partijen heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat het wonen in een tent op deze locatie in strijd is met het bestemmingsplan.1

2.2.

De voorzieningenrechter beoordeelt of aan verzoekers een ruimere termijn moet worden gegeven voor het voldoen aan de last (voor het verwijderen van de tent en het beëindigen van de bewoning van die tent) dan het college aan verzoekers geeft. Na de zitting heeft het college bevestigd dat geen handhaving zal plaatsvinden in de eerste week na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Verzoekers zijn in die termijn in ieder geval ruim in de gelegenheid om het gebruik van de door de gemeente aangeboden hulpverlening te realiseren, aldus het college. Dat betekent dat van het college verzoekers uiterlijk één week na de uitspraak de tent moeten verwijderen en de bewoning moeten beëindigen.

Mogen verzoekers tot half september in de tent blijven wonen?

3. Verzoekers vragen om uitstel. Zij krijgen half september een woning die de informant zal kopen en aan hen zal verhuren. Verzoekers willen tot die tijd in de tent op deze locatie blijven wonen. Zij voeren aan dat hun tent door de bomen niet te zien is vanaf de weg. Zij willen niet in de daklozenopvang verblijven, omdat daar verslaafden zitten en zij zelf al 26 jaar clean zijn.

Verzoekers willen de locatie op een normale manier verlaten en zijn van plan alles opgeruimd achter te laten. Als de tent door het college wordt opgeruimd zijn verzoekers genoodzaakt om zonder bescherming in de open buitenlucht te slapen. Zij vragen het college om coulant te zijn.

3.1.

Het college voert aan dat het algemeen belang van het handhaven van de bouw- en bestemmingsplanregels zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van verzoekers. Op 25 januari 2022 heeft het college aan verzoekers laten weten niet te zullen handhaven op grond van de Algemene plaatselijke verordening (APV). Dit was vooral ingegeven omdat handhaving op grond van de APV niet mogelijk was. Het college vindt het nog steeds onwenselijk dat verzoekers in een tent wonen. Daarnaast zijn er klachten van woonbootbewoners over de bewoning. Verder ziet het college veel afval rondom de tent. Ook hebben verzoekers aan een agent laten weten niet van plan te zijn de locatie te verlaten.

Daarom gaat het college nu wel over tot handhaving en doet dat op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college heeft in de last aan verzoekers laten weten op welke wijze zij gebruik kunnen maken van de sociale voorzieningen zoals persoonlijke hulp via het Daklozenloket DAK, een slaapplaats bij Iriszorg of De Duif en medische hulp van de GGD.

3.2.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de situatie zoals deze nu is, waarbij verzoekers in een tent wonen waar dit niet mag, moet eindigen. Dat moet ook op korte termijn. Indien verzoekers aannemelijk maken dat zij medio september over woonruimte beschikken, houdt de voorzieningenrechter bij de beoordeling of de gestelde termijn redelijk is daarmee rekening.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft daarom het onderzoek geschorst en verzoekers de kans gegeven om na de zitting met stukken te bewijzen dat zij in september beschikken over een woning. Afgesproken was dat de informant die stukken zou aanleveren. Na de zitting heeft hij meegedeeld dat de verkoper van de woning die in september beschikbaar zou zijn, voorlopig afziet van de verkoop. De informant is wel van plan een andere woning voor verzoekers te kopen. Daar zijn nog geen afspraken over gemaakt. Er zijn dus geen stukken ingediend waarmee verzoekers aannemelijk maken dat zij in september beschikken over een woning.

3.4.

Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat verzoekers in september over een woning beschikken, is de termijn van één week na deze uitspraak die het college inmiddels aan verzoekers geeft, een redelijke termijn. Zij hebben in deze week voldoende tijd om hun tent te verwijderen. Ook kunnen zij zich melden bij de hulpinstanties van de gemeente en de GGD. Dat verzoekers van deze hulp geen gebruik willen maken, is geen reden om nog langer toe te staan dat zij in een tent wonen op een plek waar dit niet mag.

Conclusie en gevolgen

4. Omdat de voorzieningenrechter de door het college toegezegde termijn van één week na de uitspraak een redelijke termijn vindt, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Daarom wijst hij het verzoek om voorlopige voorziening af. Dit betekent dat de tent maandag 29 augustus 2022 weg moet zijn en verzoekers daar vanaf dat moment ook niet meer mogen wonen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.I. Tuk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

De voorzieningenrechter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 7.4.1 van het bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Stadsblokken Meinerswijk.