Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:4634

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
11-08-2022
Zaaknummer
393932
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde ontving coronasteun en TVL van de Staat, maar daarop geen recht. Babbeltruc? Gedaagde heeft onrechtmatig gehandeld en bedrag is onverschuldigd betaald. Geen beroep op redelijkheid & billijkheid. Gedaagde moet subsidie terugbetalen aan de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-8-2022
FutD 2022-2319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/393932 / HA ZA 21-505 / 592 / 1700

Vonnis van 3 augustus 2022

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN, meer bijzonder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, meer bijzonder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

zetelend te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. E.T. van den Hout te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. D. Vong te Rijen.

Partijen zullen hierna De Staat en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 januari 2022 waarbij een mondelinge behandeling is gelast,

  • -

    het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 mei 2022.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus heeft de Nederlandse overheid een aantal noodmaatregelen getroffen om de acute verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals onder meer het tijdelijk sluiten van verschillende sectoren. In verband hiermee heeft het Nederlandse kabinet financiële maatregelen getroffen ter ondersteuning van ondernemers die schade lijden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus. Eén van de maatregelen is de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (hierna: TVL).

2.2.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), voert de TVL uit en is belast met de behandeling van aanvragen en de uitbetaling van (voorschotten op) de TVL-subsidies.

2.3.

Op 16 december 2020 heeft de RVO een digitale TVL-aanvraag ontvangen. In de aanvraag zijn onder het kopje “U doet een aanvraag voor” de volgende gegevens vermeld:

Naam [gedaagde]

KvK-nummer [nummer]

SBI-code (…) [code]

Contactpersoon [contactpersoon]

Rekeningnummer [rekeningnummer]

2.4.

Voormeld KvK-nummer behoort toe aan de eenmanszaak [gedaagde] . Over deze onderneming waren op 16 december 2020 in het handelsregister van de KvK de volgende gegevens opgenomen:

Onderneming

Handelsnamen [gedaagde]

(…)

Activiteiten SBI-code: [code] (…)

Vestiging

(…)

Bezoekadres [bezoekadres]

Postadres [postadres]

Telefoonnummer [telefoonnummer]

(…)

E-mailadres [e-mailadres]

(…)

Eigenaar

Naam [naam]

Geboortedatum [geboortedatum]

Adres [adres]

Datum in functie [datum] (…)

2.5.

Bij beschikking van 16 december 2020 heeft de RVO aan [gedaagde] meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een subsidie en dat de voorlopige subsidie op basis van het door haar aangegeven omzetverlies in de periode oktober tot en met december 2020 € 52.155,00 bedraagt. In die beschikking is vermeld dat [gedaagde] een voorschot op de subsidie zal ontvangen van € 41.724,00 (te weten 80% van het voorlopige subsidiebedrag van € 52.155,00).

2.6.

Op of omstreeks 18 december 2020 heeft de RVO het voorschot van € 41.724,00 overgemaakt op bankrekeningnummer [rekeningnummer] .

2.7.

Na controle ontdekte de RVO dat het hiervoor genoemde rekeningnummer niet op naam van de eenmanszaak [gedaagde] staat.

2.8.

Op 6 augustus 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op verzoek van De Staat verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder de [de Bank] (hierna: [de Bank] ) ten laste van de onbekende rekeninghouder van het hiervoor genoemde rekeningnummer. De [de Bank] heeft vervolgens desgevraagd aan De Staat bericht dat voormeld rekeningnummer op naam van [gedaagde] staat.

2.9.

Op 13 september 2021 heeft De Staat de beslagstukken doen betekenen aan [gedaagde] . In dat exploot is [gedaagde] namens De Staat aangemaand om een bedrag van in totaal € 44.738,22, bestaande uit een hoofdsom van € 41.724,00 vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten, omzetbelasting en beslagkosten, terug te betalen binnen twee werkdagen na dagtekening van dat exploot. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.10.

[gedaagde] heeft op 27 september 2021 bij de politie aangifte gedaan van oplichting tegen ene [persoon] , aan wie zij haar bankrekeningnummer zou hebben afgegeven.

3 Het geschil

3.1.

De Staat vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 43.166,61, bestaande uit de hoofdsom van € 41.724,00 en de buitengerechtelijke incassokosten inclusief omzetbelasting van € 1.442,61, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 41.724,00 vanaf 18 december 2020, alsmede betaling van de beslagkosten van € 1.657,75 en de proces- en nakosten.

3.2.

De Staat legt, tegen de achtergrond van de hiervoor vastgestelde feiten, de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag. Het door hem betaalde bedrag van in totaal € 41.724,00 is onverschuldigd aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] dient dit bedrag daarom aan De Staat terug te betalen. De Staat heeft zijn vordering subsidiair gegrond op onrechtmatige daad. [gedaagde] heeft onrechtmatig jegens De Staat gehandeld doordat zij door hetzij valsheid in geschrift, hetzij listige kunstrepen althans een samenweefsel van verdichtsels, de RVO heeft bewogen tot het doen van een betaling van € 41.724,00, althans daaraan heeft meegewerkt. De Staat heeft als gevolg van het handelen van [gedaagde] schade geleden en deze schade dient [gedaagde] te vergoeden.

3.3.

Hoewel [gedaagde] niet betwist dat onverschuldigd is betaald, stelt zij zich op het standpunt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Volgens [gedaagde] is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om haar te verplichten tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] heeft niet toerekenbaar onrechtmatig gehandeld tegen De Staat. Zij is slachtoffer geworden van een babbeltruc. Een kennis van haar, [kennis] (hierna: [kennis] ), heeft de TVL-vergoeding zonder haar medeweten bij de RVO aangevraagd en haar bankrekeningnummer gebruikt om de vergoeding te ontvangen. De ontvangen vergoeding is niet aan [gedaagde] ten goede gekomen maar aan [kennis] , die haar onder valse voorwendselen heeft bewogen mee te werken aan de aanschaf van Bitcoin en goud. Daarna heeft zij niets meer van [kennis] vernomen en zij kan hem ook niet meer traceren, aldus [gedaagde] . Zij stelt verder dat sprake is van eigen schuld van De Staat. De RVO heeft de TVL-vergoeding namelijk onmiddellijk na de aanvraag toegekend en uitgekeerd en onvoldoende controle uitgevoerd. De Staat had rekening moeten houden met mogelijk misbruik van de steunmaatregel en de TVL-aanvraag moeten verifiëren. Zo had de RVO vooraf onder meer aan de hand van de beschikbare KvK-gegevens het rekeningnummer kunnen controleren en/of de eigenaar van [gedaagde] kunnen bellen. Zij betwist dat zij de buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de TVL-vergoeding zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd is betaald aan [gedaagde] . Op grond daarvan dient [gedaagde] dus in beginsel het onverschuldigd betaalde bedrag van € 41.724,00 aan De Staat terug te betalen. [gedaagde] beroept zich echter erop dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij dat bedrag moet terugbetalen omdat zij zelf het slachtoffer is geworden van een babbeltruc, het geld niet aan haar ten goede is gekomen en eigen schuld van De Staat omdat De Staat het wel erg gemakkelijk heeft gemaakt om misbruik te maken van de TVL-regeling.

4.2.

De Staat betwist dat [gedaagde] het slachtoffer is geworden van een babbeltruc, maar stelt dat indien dat wel zo zou zijn, [gedaagde] nog steeds gehouden is om de ten onrechte aan haar uitbetaalde TVL-vergoeding terug te betalen. [gedaagde] heeft in dat geval volgens De Staat onrechtmatig gehandeld, doordat zij het een derde mogelijk heeft gemaakt de TVL-vergoeding te ontvangen en het geld weg te sluizen, door haar bankrekeningnummer aan die derde ter beschikking te stellen en mee te werken aan de aanschaf van Bitcoin en goud.

4.3.

Uit de conclusie van antwoord en hetgeen [gedaagde] ter zitting en blijkens het proces-verbaal van aangifte bij de politie heeft verklaard, volgt het volgende. Medio december 2020 is [gedaagde] benaderd door [kennis] , die zij al langer kende. Hij vertelde haar dat hij een bedrijf wilde starten en dat zijn bankpas en -rekening geblokkeerd waren door een fout van de bank. Hij vroeg haar of hij geld naar haar bankrekening kon laten overmaken, zodat zij dat vervolgens kon pinnen en aan hem kon geven. [gedaagde] heeft toen haar rekeningnummer aan [kennis] gegeven. Zij dacht toen dat het om € 100,00 zou gaan. Korte tijd later ontving zij op haar rekening een bedrag van € 41.724,00. [kennis] vertelde haar dat dat geld voor hem was. Zij is met hem naar de [de Bank] gegaan om dat gehele bedrag in een keer van haar rekening te halen, maar dat was niet mogelijk. [kennis] heeft daarna een app (Litebit) op haar mobiele telefoon geïnstalleerd en daarmee Bitcoin gekocht. Ook heeft hij goud besteld met gebruikmaking van haar bankrekening en dat goud nadat dat op haar huisadres was afgeleverd bij haar opgehaald. Toen het geld op was en nadat [kennis] het laatste goud had opgehaald, heeft [gedaagde] hem nooit meer gezien. Pas nadat zij het exploot van 13 september 2021 en de dagvaarding had ontvangen, begreep [gedaagde] dat haar bankrekeningnummer door [kennis] niet is gebruikt voor het starten van zijn onderneming, maar voor de TVL-aanvraag. [kennis] heeft misbruik gemaakt van haar vertrouwen en haar goedgelovigheid, aldus [gedaagde] .

4.4.

De rechtbank overweegt het volgende. Niet is komen vaststaan dat [kennis] de TVL-vergoeding heeft aangevraagd en dat [gedaagde] slachtoffer is geworden van een slinkse babbeltruc, zoals [gedaagde] stelt en De Staat betwist. Dat zou mogelijk nadere bewijslevering vergen. De rechtbank komt daaraan echter niet toe, gelet op het volgende.

4.5.

Zelfs indien zou komen vaststaan dat de door [gedaagde] gestelde gang van zaken klopt en zij net als De Staat door [kennis] is gedupeerd, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en zij dus onrechtmatig heeft gehandeld jegens De Staat.

4.6.

Het moge zo zijn dat [gedaagde] goedgelovig is en dat zij [kennis] vertrouwde, maar dat neemt niet weg dat zij na ontvangst van het substantiele bedrag van € 41.724,00 in plaats van € 100,00, waarvan zijzelf uitging toen zij haar bankrekeningnummer aan [kennis] gaf, argwaan had moeten krijgen. Het bedrag van € 41.724,00 was, naar eigen zeggen van [gedaagde] , nooit de bedoeling. Dat [gedaagde] argwaan had moeten krijgen geldt temeer nu zij dit substantiële bedrag ontving van RVO.nl onder vermelding van [TVL nummer] en de bank haar dit bedrag niet in één keer liet opnemen. Er waren kortom tal van momenten waarop [gedaagde] argwaan moest krijgen en actie had kunnen en moeten ondernemen. Zo had zij de afzender van de betaling (RVO.nl) kunnen en moeten onderzoeken en eventueel benaderen. Zij had op betrekkelijk eenvoudige wijze op internet kunnen vinden wie de RVO is en wat een TVL-vergoeding is. [gedaagde] heeft dit niet gedaan, integendeel. Zij heeft de gelden onder zich gehouden en een actieve rol gespeeld bij het omzetten daarvan in Bitcoin en goud. Vaststaat immers dat zij – nadat zij het bedrag niet kon opnemen bij de bank – haar mobiele telefoon beschikbaar heeft gesteld en gehouden voor de aankoop daarvan. Zij heeft [kennis] daartoe foto’s van haar gezicht laten maken, een Litebit account laten aanmaken, een app op haar mobiele telefoon laten installeren en haar mobiele telefoon en bankrekening beschikbaar gesteld en gelaten voor de aankoop van Bitcoin en goud. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat [kennis] niet meer dan een vage kennis van [gedaagde] was. Zij kende hem van de basisschool, ze wist dat hij werkte bij [bedrijf] in [plaats] en kwam hem weleens tegen in het uitgaansleven.

4.7.

De handelswijze van [gedaagde] is dermate onzorgvuldig dat sprake is van onrechtmatig handelen, dat naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van [gedaagde] komt. De rechtbank wil nog wel aannemen dat [gedaagde] goedgelovig van aard is en daarom op een avond in december 2020 haar rekeningnummer aan [kennis] heeft geven, maar de gang van zaken na ontvangst van de gelden komt wel geheel voor haar rekening en risico. [gedaagde] heeft immers niet alleen haar rekeningnummer verstrekt, maar vervolgens gedurende een langere periode [kennis] in de gelegenheid gesteld de daarop ontvangen gelden om te zetten in Bitcoin en goud, terwijl er tal van momenten waren waarop zij argwaan moest krijgen en kon en moest ingrijpen. De stelling van [gedaagde] dat zij geen verstand heeft van ondernemen en de handel in Bitcoin en goud, doet aan het voorgaande niet af. Dit had wellicht anders gelegen als [kennis] een familielid of goede vriend van [gedaagde] was geweest, of wanneer [gedaagde] een duidelijk verhaal had gehad ten aanzien van de onderneming van [kennis] , maar dat is niet gebleken. [gedaagde] stelt weliswaar dat [kennis] het geld nodig had om een onderneming te starten, maar zij heeft nagelaten voldoende duidelijk te maken en te onderbouwen wat voor onderneming dit dan zou zijn en waar het substantiële bedrag van € 41.724,00 volgens haar vandaan kwam. Niet gesteld of gebleken is dat zij dat aan [kennis] heeft gevraagd. [gedaagde] heeft evenmin onderbouwd waarom – nadat opname van het bedrag bij de bank niet mogelijk bleek – Bitcoin en goud nodig waren voor de onderneming van [kennis] .

4.8.

Aan het beroep van [gedaagde] op eigen schuld van De Staat gaat de rechtbank voorbij. Zoals hiervoor is overwogen, mocht [gedaagde] niet blind vertrouwen op [kennis] en mocht zij niet achteroverleunen nadat er € 41.724,00 op haar rekening werd bijgeschreven, maar had zij actie moeten ondernemen. Zij had in ieder geval niet tevens haar bankrekening en telefoon ter beschikking mogen stellen en [kennis] zo in de gelegenheid moeten stellen de ontvangen gelden aan te wenden voor de aankoop van ontraceerbare goederen. Dat zij dat wel heeft gedaan, dient voor haar risico te komen. In zoverre is het aan de eigen onvoorzichtigheid van [gedaagde] te wijten dat zij (ook) het slachtoffer is geworden van de babbeltruc/fraude van [kennis] . Onder deze omstandigheden kan [gedaagde] zich niet met succes verweren met de stelling dat De Staat de TVL-aanvragen onvoldoende controleerde, dat misbruik van de TVL-regeling daarom relatief eenvoudig was en dat De Staat daarmee rekening moest houden.

4.9.

De rechtbank gaat eveneens voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat De Staat haar eerder had moeten aanschrijven over de onverschuldigde betaling van € 41.724,00. De Staat heeft onweersproken gesteld dat zij pas na de beslaglegging in augustus 2021 op de hoogte is geraakt van de identiteit van [gedaagde] als ontvanger van voormeld bedrag. Als onbetwist is ook komen vaststaan dat De Staat [gedaagde] vervolgens bij exploot van 13 september 2021 heeft aangeschreven. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat, en zo ja hoe, De Staat [gedaagde] eerder had moeten benaderen.

4.10.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] het onverschuldigd aan haar betaalde bedrag moet terugbetalen. De gevorderde hoofdsom van € 41.724,00 zal daarom worden toegewezen.

4.11.

De gevorderde wettelijke rente over voormeld bedrag zal worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding (23 september 2021), nu De Staat onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van kwader trouw, zoals bedoeld in artikel 6:205 BW.

4.12.

De rechtbank stelt vast dat zich niet één van de situaties voordoet waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal zal de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De Staat heeft immers niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen, het enkel doen van een schikkingsvoorstel of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan De Staat vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De vordering is daarom niet toewijsbaar.

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Staat worden begroot op:

- dagvaarding € 121,39

- griffierecht 2.076,00

- salaris advocaat 2.228,00 (2 punten × tarief € 1.114,00)

Totaal € 4.425,39.

4.14.

De kosten van beslag komen gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv voor toewijzing in aanmerking. De beslagkosten worden begroot op € 990,75 (€ 563,00 aan salaris advocaat en € 427,75 aan explootkosten). Met het gevorderde griffierecht van € 667,00 is hiervoor in de proceskostenveroordeling (4.13) al rekening gehouden.

4.15.

De door De Staat gevorderde nakosten zullen ook worden toegewezen. De na de uitspraak nog vallende kosten worden voor wat betreft het salaris van de advocaat forfaitair berekend op € 163,00 zonder betekening en verhoogd met € 85,00 in geval van betekening. Kosten van betekening zijn slechts verschuldigd nadat [gedaagde] veertien dagen na aanschrijving de tijd heeft gehad om alsnog in der minne aan het gewezen vonnis te voldoen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan De Staat te betalen een bedrag van € 41.724,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 23 september 2021 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, aan de zijde van De Staat tot op heden begroot op € 5.416,14 (€ 4.425,39 + € 990,75),

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.