Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:451

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-01-2022
Datum publicatie
18-02-2022
Zaaknummer
C/05/397368 / KG ZA 21-437
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Kraak van niet voor bewoning bestemd en geschikt bedrijfspand. Belangenafweging. Onaanvaardbare risico’s. Vorderingen, onder meer tot ontruiming, grotendeels toegewezen, deels bij verstek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/397368 / KG ZA 21-437

Vonnis in kort geding van 26 januari 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOOVE REAL ESTATE INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. S. Pentinga te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde partijen 1] IN DE ONROERENDE ZAAK, OF EEN GEDEELTE DAARVAN, STAANDE EN GELEGEN TE [plaats en straat] ,

gedaagden,

niet verschenen,

2. [gedaagde partij 2],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde partij 3],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te 's-Gravenhage,

procederend krachtens toevoeging, met nummer 3LL2838,

4. [gedaagde partij 4],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

5. [gedaagde partij 5],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. van Hulst te Utrecht,

procederend krachtens toevoeging, met nummer 4OX9402,

6. [gedaagde partij 6],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te 's-Gravenhage,

procederend krachtens toevoeging, met nummer 3LL2849,

7 [gedaagde partij 7] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te 's-Gravenhage,

procederend krachtens toevoeging, met nummer 3LL2842,

8. [gedaagde partij 8],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. van Hulst te Utrecht,

procederend krachtens toevoeging, met nummer 4OX9416,

9. [gedaagde partij 9],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. van Hulst te Utrecht,

procederend krachtens toevoeging, met nummer 4OX9418,

10. [gedaagde partij 10],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. van Hulst te Utrecht,

procederend krachtens toevoeging, met nummer 4OX9407,

11. [gedaagde partij 11],

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te ’s-Gravenhage,

procederend krachtens toevoeging, met nummer 3LL2844.

Eiseres zal hierna Moove worden genoemd. Gedaagden sub 3 en 5 tot en met 11 zullen hierna gezamenlijk ook wel [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 januari 2022, met 9 producties;

  • -

    het e-mailbericht van 10 januari 2022 van mr. Schuckink Kool, met de producties 1, 2 en 3;

  • -

    het e-mailbericht van 10 januari 2022 van mr. Pentinga, met de producties 10, 11 en 12;

  • -

    de e-mailberichten van 11 januari 2022 van mr. Schuckink Kool, met de producties 1a, 2a en 4;

  • -

    het e-mailbericht van 11 januari 2022 van mr. Pentinga, met de producties 13, 14 en 15, tevens inhoudende een vermeerdering van eis;

  • -

    de mondelinge behandeling van 12 januari 2022, waaraan mr. Pentinga en de heer [betrokkene 1] , bestuurder van Moove, via een Skypeverbinding hebben deelgenomen;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Pentinga;

  • -

    de pleitnota van mr. Schuckink Kool en mr. Van Hulst.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Moove is sinds begin 2018 eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [plaats en straat] (hierna: het pand). Aanvankelijk had Moove het plan om het pand, een voormalig bedrijfsgebouw, te herontwikkelen tot woningen en zij heeft daartoe een aanvraag bij de gemeente [plaats] (hierna: de gemeente) ingediend. Op het pand rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan de bestemming ‘gemengd’, op grond waarvan bewoning van het pand niet is toegestaan. Op enig moment heeft Moove voornoemde aanvraag ingetrokken en het pand in juni 2018 via Pulles Makelaardij te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 750.000,00.

2.2.

In de periode vanaf omstreeks 11 juni 2019 tot heden hebben gedaagden het pand gekraakt en als woonruimte in gebruik genomen. Gedaagden sub 2 tot en met 11 staan in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente [plaats] op het voornoemde adres ingeschreven.

2.3.

Op 13 december 2019 heeft Moove bij de politie aangifte gedaan van huisvredebreuk.

2.4.

Bij brief van 2 april 2020 heeft de gemeente aan Moove onder meer het volgende bericht:

‘(…)

Klachtenmelding en handhavingsverzoek

Zoals bij u bekend, is uw bedrijfspand (…) gekraakt. Dit veroorzaakt in de woonomgeving van het pand overlast en ergernis. Het aantal bewoners neemt toe. De omwonenden voelen zich vaak onveilig en aangetast in het woongenot en zij ervaren overlast afkomstig van de bewoners/gebruikers van het bedrijfspand (...). Deze overlast heeft geresulteerd in klachtenmeldingen bij de politie en gemeente en een officieel verzoek om handhavend op te treden. Bewoning van het pand is in strijd met de gebruiksbepalingen uit het geldende bestemmingsplan. Als er in strijd met de regelgeving wordt gehandeld, is de gemeente verplicht om handhavend op te treden.

Controlebezoek

Op 9 januari 2020 heeft een handhaver (…) het pand geïnspecteerd. Daarbij heeft hij vastgesteld dat niet aan alle (brand-)veiligheidseisen werd voldaan. Zo was een gedeelte van het dak beschadigd en was de constructieve veiligheid niet in orde. Er waren geen gekoppelde rookmelders aanwezig en aanwezige brand en blusmiddelen waren niet gekeurd. Opgeslagen materialen vormen een risico voor de brandveiligheid. In bepaalde slaapruimte was geen sprake van toetreding van daglicht of enige ventilatie en er waren diverse brandgevaarlijke apparaten in de slaapkamer aanwezig. Vluchtwegen waren geblokkeerd met voorwerpen en in de kruipruimte was gegraven. In een ruimte bevond zich een lasapparaat, hetgeen een risico vormt voor de brandveiligheid.

(…) Uit informatie van de politie komt naar voren dat het aantal bewoners varieert.

(…)

U heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om uw zienswijze kenbaar te maken. Wij zien daarom geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke sanctie.

(…)

Op 20 juli 2017 heeft u een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het omzetten van het bedrijfsgebouw naar (…) wooneenheden. Na ons verzoek om aanvullende informatie heeft u de aanvraag op 10 oktober 2017 ingetrokken. Op dit moment zijn er geen planologische ontwikkelingen die wijzen op de realisatie van woningen.

(…)

Overtreding Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

(…)

Overtreding (…) is strafbaar (…).

(…)

Wij merken u als eigenaar van het pand (…) aan als (mede-)overtreder. U kunt zich beroepen op het eigendomsrecht en maatregelen nemen die aan de bewoning een eind maken, te denken aan het starten van een civielrechtelijke procedure jegens de (illegale) bewoners.

(…)

Gelet op het bovenstaande hebben wij besloten u (…) een last onder dwangsom op te leggen.

(…)’

2.5.

Op 10 februari 2021 heeft de gemeente aan Moove opnieuw een last onder dwangsom opgelegd wegens het handelen in strijd met het bestemmingsplan en overtreding van de Wabo. Beide lasten strekken tot het (laten) beëindigen en beëindigd (laten) houden van de bewoning van het pand, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 respectievelijk € 10.000,00 per maand dat de overtreding voortduurt, dan wel opnieuw plaatsvindt, tot een maximum van € 25.000,00 respectievelijk € 50.000,00. Tegen de door de gemeente ten laste van Moove genomen dwangsombesluiten heeft Moove geen bezwaar aangetekend en geen verzoek voor een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend.

2.6.

Bij aangetekende brief van 11 oktober 2021 heeft de gemeente Moove aangeschreven, dat Moove dwangsommen heeft verbeurd. Moove heeft deze dwangsommen niet aan de gemeente voldaan, waarna de gemeente executoriaal beslag op het pand heeft gelegd.

2.7.

Bij e-mailbericht van 3 november 2021 heeft de gemeente aan Moove onder meer het volgende bericht:

‘(…) Even de zaak op een rij:

1. Door de gemeente zijn 2 lasten onder dwangsom opgelegd, de 1e tot een bedrag van € 25.000,-, de 2e tot een bedrag van € 50.000,-;

2. Wegens het achterwege blijven van de betalingen is aangaande de 1e last onder dwangsom uiteindelijk een executoriaal beslag gelegd op het pand (…);

3. Aangaande de 2e last onder dwangsom, is inmiddels het gehele bedrag verbeurd tot een bedrag van € 50.000,-, maar (nog) niet ingevorderd;

4. De volgende juridische stap die de gemeente kan gaan volgen, is de invordering de van 2e dwangsom, dat uiteindelijk ook kan gaan leiden tot een 2e beslaglegging op het pand.

Met het aanhangig maken van een kort geding (tegen de huidige bewoners van het pand (…) wil de gemeente meewerken om:

1. De beslaglegging (t.a.v. de 1e invordering) te royeren;

2. Het invorderingsbesluit in te trekken;

3. De 2e last onder dwangsom (€ 50.000,-) in te trekken.

(…)’

2.8.

Bij e-mailbericht van 24 december 2021 heeft Pulles Makelaardij Moove onder meer bericht dat, ondanks de vele gegadigden voor de koop van het pand, geen van de geïnteresseerden in verband met de aanwezigheid van krakers het ontruimingsrisico accepteert. Zij heeft Moove geadviseerd om het verkooptraject te staken totdat het pand leeg en ontruimd is. Moove heeft het pand daarna uit de verkoop gehaald.

2.9.

Bij e-mailbericht van 28 december 2021 heeft assurantietussenpersoon Financieel Fit te [plaats] aan Moove bericht dat het pand als gevolg van de gekraakte toestand onverzekerbaar is en dat het niet lukt om het pand in dekking te krijgen.

2.10.

Mr. Van Hulst heeft namens [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] aan Moove het voorstel gedaan om een gebruiksovereenkomst te sluiten ter zake van het gebruik van het pand door [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] . Moove was daartoe niet bereid en mr. Pentinga heeft namens haar aan mr. Van Hulst bericht dat [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] worden gesommeerd om het pand te ontruimen en dat zij aansprakelijk worden gehouden voor alle schade als gevolg van het onrechtmatige gebruik van het pand.

3 Het geschil

3.1.

Moove vordert - na vermeerdering van eis - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden veroordeelt om het pand gelegen aan de [plaats en straat] , binnen drie dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, geheel leeg en ontruimd ter beschikking van Moove te stellen en met alle daarin en/of daarop aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of deel daarvan, met een maximum van € 100.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagden daarmee in verzuim zijn;

II. bepaalt dat indien de ontruiming moet plaatsvinden met behulp van de sterke arm van politie en justitie, de daarbij te maken kosten voor rekening van gedaagden komen, op vertoon van de daartoe benodigde bescheiden bestaande uit een exploot of proces-verbaal van de met deze bewerking van de verlating en ontruiming belaste deurwaarder waarin deze kosten gespecificeerd worden opgegeven;

III. bepaalt dat deze veroordeling binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn van een jaar ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in het pand bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;

IV. gedaagden c.q. gedaagden sub 2 tot en met 11 veroordeelt om zich binnen drie dagen na de ontruiming aantoonbaar uit te laten schrijven van het adres van het onderhavige pand in de BRP van de gemeente, op straffe van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke mochten blijven met een maximum van € 2.500,00 en, voor het geval hieraan niet uiterlijk binnen een maand na de ontruiming aantoonbaar gevolg is gegeven, Moove te machtigen om (alle (rechts)handelingen te verrichten die nodig zijn om) de uitschrijving in de BRP van de gemeente te (laten) bewerkstelligen;

V. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, waaronder salaris advocaat.

3.2.

Moove legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Moove heeft bij haar vorderingen een spoedeisend belang. Haar belangen bij ontruiming wegen zwaarder dan die van de gedaagden bij behoud van het gebruik van het pand. Moove is eigenaar van het pand en zij is bevoegd om ontruiming te vorderen. Van misbruik van bevoegdheid is geen sprake. Het is spijtig dat gedaagden geen of moeizaam woonruimte kunnen vinden, maar dat kan Moove niet worden aangerekend. Bewoning van het pand is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Het kraken van het pand door gebruikers is een strafbaar feit en een overtreding van een bestuursrechtelijk verbod. Gedaagden zorgen voor overlast en dat heeft tot klachten voor omwonenden geleid. De gemeente is overgegaan tot handhaving jegens Moove (in plaats van jegens de krakers) en heeft Moove hoge dwangsommen opgelegd - en met het opleggen van nog meer dwangsommen gedreigd - en executoriaal beslag gelegd op het pand. De gemeente heeft deze kortgedingprocedure als voorwaarde gesteld voor het achterwege laten van de incasso van de dwangsommen en het royement van het beslag. Verkoop van het pand is als gevolg van de kraak niet mogelijk gebleken. Het pand heeft een aanzienlijke waarde (€ 750.000,00) en is als gevolg van de kraak niet verzekerd en niet verzekerbaar gebleken. Het pand wordt ondanks ongeschiktheid daartoe bewoond, waarmee sprake is van een verhoogd risico op forse schade, het tenietgaan van het pand of andere verstrekkende nadelige gevolgen. Na ontruiming is geen sprake van leegstand, maar van gebruik door tussenkomst van een professionele beheerder (Ad Hoc) en het pand kan dan ook worden verzekerd. Er zijn inmiddels concrete plannen uitgewerkt voor herontwikkeling van het pand binnen het bestaande bestemmingsplan en die zullen in samenspraak met de gemeente verder worden uitgewerkt. Voor de herontwikkeling moeten Moove en haar aannemers/opdrachtnemers te allen tijde vrije toegang kunnen hebben tot en vrij kunnen beschikken over het pand.

3.3.

[gedaagde partijen 3,5 t/m 11] voeren verweer. Zij hebben daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] betwisten dat Moove een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dat [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] zonder recht of titel in het pand verblijven, levert nog geen spoedeisend belang op en zelfs geen voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. De omstandigheid dat het aanspannen van een kort geding voor de gemeente volstaat (voor het kwijtschelden van dwangsommen en royement van het beslag) - kennelijk ongeacht de uitkomst ervan - creëert geen belang bij ontruiming. Dat de bewoning illegaal is, is voor het spoedeisend belang en de belangenafweging van ondergeschikt belang. De gestelde herontwikkelingsplannen van Moove (dan wel het feitelijk gebruik van een eventuele koper) ten aanzien van het pand zijn niet of onvoldoende concreet en onderbouwd en/of niet op afzienbare tijd uitvoerbaar. Aan het algemeen belang dat gediend is met naleving van het bestemmingsplan komt dan minder zwaarwegende betekenis toe. Er bestaat een zodanige onevenredigheid tussen enerzijds het belang dat Moove als eigenaar heeft bij uitoefening van haar ontruimingsbevoegdheid en anderzijds het belang van [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] om niet in hun woon-/huisrecht (artikel 8 EVRM) te worden gestoord, dat Moove in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen. De te maken belangenafweging moet in het voordeel van [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] uitvallen. Ontruiming heeft ingrijpende gevolgen, omdat [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] , ondanks hun inspanningen daartoe, er niet in zijn geslaagd om vervangende woonruimte te vinden, zodat zij onmiddellijk dakloos zullen worden. Bovendien leidt ontruiming tot leegstand die ongerechtvaardigd is en die de gemeente ook onwenselijk vindt. De gevorderde ontruiming voldoet niet aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste, omdat de ontruiming geen enkel redelijk doel dient en Moove daarbij niet is gebaat. Het pand wordt al 2,5 jaar gebruikt c.q. bewoond en in die tijd zijn er geen wezenlijke problemen geweest. Gelet op de bestemmingen en het gebruik van de omliggende panden, de mogelijkheden voor (tijdelijke) afwijking van het bestemmingplan en de eventuele wijzing van de bestemming van het pand, zijn er geen omgevingsrechtelijke belangen en bezwaren die zich tegen bewoning van het pand verzetten. Van onverantwoorde bewoning is volgens [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] geen sprake. De onverkoopbaarheid van het pand is niet onderbouwd en evenmin relevant. De door Moove gestelde beheerovereenkomst met Ad Hoc is onvoldoende onderbouwd en niet zwaarwegend genoeg om tot ontruiming over te kunnen gaan en bovendien is het met die overeenkomst beoogde gebruik strijdig met het huidige bestemmingsplan. [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] zullen het pand ontruimen en verlaten zodra het pand daadwerkelijk in gebruik zal worden genomen en zijn bereid om een en ander in een gebruikersovereenkomst vast te leggen. [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] betwisten de onverzekerbaarheid van het pand, die volgens hen dan ook zou gelden ingeval van leegstand. Bovendien kan eventuele onverzekerbaarheid met een gebruikersovereenkomst worden ondervangen. De door Moove gestelde overlast wordt betwist. Eventuele overlast wordt veroorzaakt door nabijgelegen studentenhuizen. Indien de vordering tot ontruiming wordt toegewezen, dan moet aan [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] - vanwege de omstandigheid zij al 2,5 jaar in het pand wonen en niet over vervangende woonruimte beschikken en mede vanwege de maatregelen in verband met de coronapandemie - redelijkerwijs een (veel) langere ontruimingstermijn worden gegund.

3.4.

Op de stellingen van Moove en [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

Partijen in de procedure

4.1.

Gedaagden sub 2 en 4 zijn, hoewel zij behoorlijk zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen noch iemand namens hen. Moove heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat er naast de gedaagden sub 2 tot en met 11 mogelijk meer personen zijn die het pand anders dan krachtens een persoonlijk of zakelijk recht gebruiken en/of bewonen en dat zij in redelijkheid de identiteit van desbetreffende personen niet heeft kunnen achterhalen. Moove heeft daarvoor de in artikel 45 lid 4 Rv jo. artikel 61 Rv omschreven wijze van dagvaarden mogen toepassen en heeft bij de uitvoering daarvan de vereiste formaliteiten in acht genomen. Nu geen van de anonieme gedaagden zich ter zitting bekend heeft gemaakt, moet worden geconstateerd dat zij, ondanks behoorlijke oproeping daartoe, niet zijn verschenen. Tegen hen en tegen de gedaagden sub 2 en 4 zal verstek worden verleend.

4.2.

Door de verschijning in het geding van de gedaagden sub 3 en 5 tot en met 11 heeft dit vonnis, ingevolge het bepaalde in artikel 140 Rv, ook jegens de niet verschenen gedaagden te gelden als op tegenspraak gewezen. Naar vaste jurisprudentie werken de door de wel verschenen gedaagden gevoerde verweren niet in het voordeel van de niet verschenen gedaagden, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing (HR 28 mei 1999, NJ 2000/290 (Spektrum/Van der Valk)). Daarvan is sprake bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dergelijke verhouding - alleen al bij gebreke van aanknopingspunten dat ook de niet verschenen gedaagden bereid zouden zijn om een gebruiksovereenkomst met Moove te sluiten en het pand te verlaten bij ingebruikname door Moove of een koper - zich hier niet voordoet. Omdat de vorderingen tegen de niet verschenen gedaagden de voorzieningenrechter op voorhand niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zijn deze in beginsel jegens hen toewijsbaar, met inachtneming van het hierna volgende en op de wijze als hierna bepaald.

Spoedeisend belang

4.3.

Het spoedeisend belang van Moove vloeit genoegzaam voort uit de aard en grondslagen van de vorderingen, zodat zij ontvankelijk is in haar vorderingen.

Belangenafweging

4.4.

Vaststaat dat [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] zonder recht of titel in het pand verblijven en dat het huidige gebruik van het pand in strijd is met het bestemmingsplan. [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] hebben niet of onvoldoende betwist dat Moove (nog) eigenaar is van het pand en gedaagden maken aldus inbreuk op het eigendomsrecht van Moove. In het kader van de beoordeling van de vorderingen van Moove moeten ook de belangen van [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] worden meegewogen. De vorderingen zijn toewijsbaar indien de spoedeisende belangen van Moove zwaarder wegen dan die van [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] - kort gezegd: hun woonbelang - én dit de gevorderde voorzieningen rechtvaardigt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een groot deel van het gevorderde toewijsbaar is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Gelet op de beslissing van de gemeente om handhavend op te treden, is vooralsnog niet aannemelijk dat zal worden ingestemd met een (tijdelijke) afwijking van het bestemmingplan, nu er kennelijk voor de gemeente voldoende omgevingsrechtelijke belangen en bezwaren zijn die zich tegen bewoning van het pand verzetten. Moove heeft terecht gesteld, en dat is door [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] ook niet gemotiveerd weersproken, dat het pand door gedaagden gebruikt c.q. bewoond, gelet op de huidige bestemming, niet zonder meer geschikt is voor bewoning, hetgeen betekent dat gedaagden zelf bepaalde voorzieningen in het pand hebben aangebracht teneinde bewoning mogelijk te maken. Verder is niet in geschil dat het pand een waarde heeft van (ongeveer) € 750.000,00 en dat er momenteel geen opstalverzekeringsdekking is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Moove voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van het gebruik/de bewoning van het pand door gedaagden sprake is van een verhoogd risico op (forse) schade aan of tenietgaan van het pand, dan wel andere verstrekkende nadelige gevolgen. In dit verband is van belang dat de gemeente bij controle heeft vastgesteld dat het pand in meerdere opzichten niet aan de (brand)veiligheidseisen voldoet en dat sprake is van diverse (ernstige) veiligheidsrisico’s: het dak is gedeeltelijk beschadigd en de constructieve veiligheid is niet in orde. Er zijn geen gekoppelde rookmelders aanwezig en aanwezige brand- en blusmiddelen zijn niet gekeurd. Opgeslagen materialen vormen een risico voor de brandveiligheid, evenals de aanwezigheid van een lasapparaat in een van de ruimtes. In een slaapruimte was geen sprake van toetreding van daglicht of enige ventilatie en er waren diverse brandgevaarlijke apparaten. Verder waren vluchtwegen geblokkeerd en was in de kruipruimte gegraven (zie 2.4.). Dit is voor de gemeente mede aanleiding geweest om aan Moove een last onder dwangsom op te leggen. De voorzieningenrechter overweegt dat het hier niet alleen gaat om een eigen belang van Moove als eigenaar van het pand, maar ook om de belangen van de gedaagden en eventuele derden, welke belangen ingeval van risicoverwezenlijking in meer of mindere mate geraakt kunnen worden. [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] hebben de constateringen in het pand door de gemeente niet betwist. De enkele mededeling dat zij rookmelders zouden kunnen aanbrengen acht de voorzieningenrechter niet alleen niet aannemelijk, maar ook volstrekt ontoereikend om te kunnen bewerkstellingen dat daarmee de geconstateerde veiligheidsrisico’s worden ondervangen en wel aan alle veiligheidseisen zou worden voldaan. [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] hebben nog aangevoerd dat het voor het verlenen van dekking door verzekeraars geen verschil maakt of sprake is van een leegstaand pand of een gekraakt pand, maar daarmee gaan [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] er aan voorbij dat Moove voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het pand na ontruiming niet als een leegstaand pand zal worden aangemerkt, maar dat Moove het pand - met inachtneming van het bestemmingsplan - professioneel zal laten beheren totdat de beoogde herontwikkeling afgerond zal zijn of het pand zal zijn verkocht en geleverd aan een derde. Voldoende aannemelijk is geworden dat het pand in dat geval wel kan en zal worden verzekerd. Moove en [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] verschillen van mening over welke staat van het pand, - gekraakt of leegstaand -, een groter risico heeft, maar gelet op het voorgaande kan dat verder in het midden blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de met de hiervoor genoemde risico’s samenhangende belangen van Moove zonder meer voldoende spoedeisend zijn en bovendien zodanig zwaarwegend, dat het woonbelang van [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] daarvoor moet wijken. Nu bovendien voldoende aannemelijk is dat sprake is van een in meerdere opzichten onaanvaardbare situatie die spoedig moet worden beëindigd, acht de voorzieningenrechter de gevorderde voorziening (ontruiming), ook uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit, voldoende gerechtvaardigd. Nu het voorgaande voor Moove reeds een voldoende zwaarwegend en spoedeisend belang oplevert en tot toewijzing van de vordering tot ontruiming leidt, behoeven de overige verweren van [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] , onder meer met betrekking tot de vraag of het aanhangig maken van dit kort geding voldoende is voor de gemeente om het beslag op te heffen en af te zien van tenuitvoerlegging van de dwangsombesluiten, de vraag of Moove concrete en uitgewerkte herontwikkelingsplannen voor het pand heeft alsmede de door [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] betwiste overlast, geen verdere bespreking meer, nu die niet kunnen leiden tot een ander oordeel.

4.6.

Aan [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] kan worden toegegeven dat de gevorderde termijn voor ontruiming van het pand van drie dagen kort is, in welk verband Moove ter zitting heeft aangegeven dat een iets langere termijn voor haar acceptabel is. Aan gedaagden zal een ontruimingstermijn van twee weken worden gegund. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een langere ontruimingstermijn.

4.7.

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Moove kan de ontruiming zo nodig zelf (doen) bewerkstelligen, zodat er geen aanleiding is om gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen tot ontruiming. De deurwaarder is bovendien bevoegd bij de tenuitvoerlegging van het vonnis de hulp van de sterke arm van politie en justitie in te roepen, welke bevoegdheid hij rechtstreeks kan ontlenen aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

4.8.

De vordering ter zake van de kosten van de tenuitvoerlegging van het vonnis (de ontruimingskosten), ingeval de ontruiming moet plaatsvinden met behulp van de sterke arm van politie en justitie, zal worden afgewezen. In het algemeen geldt weliswaar dat dergelijke kosten in beginsel voor rekening van de geëxecuteerde(n) zijn, maar de voorzieningenrechter kan - behoudens de hierna forfaitair te begroten nakosten - gedaagden niet op voorhand in de executiekosten veroordelen, omdat nog niet vaststaat of die kosten gemaakt zullen worden en, zo ja, wat de (redelijke) omvang daarvan is (vgl. artikel 556 Rv jo. 237 lid 3 Rv). Deze vordering is in zoverre ook te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. Voor zover de vordering als een verklaring voor recht moet worden begrepen, geldt dat een voorziening in kort geding niet een dergelijke verklaring omtrent de rechtsverhouding van partijen kan inhouden.

4.9.

De voorzieningenrechter acht het onverenigbaar met het belang dat Moove bij de ontruimingsvordering heeft om inlichtingen als bedoeld in artikel 557a lid 2 Rv in te winnen.

4.10.

De vordering op grond van artikel 557a lid 3 Rv is voldoende onderbouwd en niet weersproken en zal derhalve worden toegewezen. De hiervoor genoemde omstandigheden geven daartoe voldoende aanleiding. Moove heeft er belang bij dat het vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen personen die zich wellicht op dit moment niet, maar op het moment van de ontruiming of nadien wel zonder recht of titel in het pand bevinden.

4.11.

Moove heeft ook gevorderd dat gedaagden sub 2 tot en met 11 zullen worden veroordeeld om zich, op straffe van een dwangsom, aantoonbaar uit te (laten) schrijven uit de BRP, dan wel haar te machtigen om de uitschrijving zelf te (laten) bewerkstelligen. [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] hebben aangevoerd dat, ingeval van toewijzing van de ontruimingsvordering, rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat gemeenten niet altijd meewerken aan uitschrijving uit de basisregistratie, zodat de uitschrijving niet volledig in de macht van [gedaagde partijen 3,5 t/m 11] ligt en hen hooguit een inspanningsverplichting daartoe kan worden opgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Moove, voor wat betreft de grondslagen van en haar belang bij het gevorderde op dit punt, onvoldoende heeft gesteld om het gevorderde te kunnen toewijzen. In dit verband is van belang dat de tenuitvoerlegging van de toegewezen ontruimingsvordering betekent dat de gedaagden zullen moeten verhuizen, waarmee op hen een (publiekrechtelijke) plicht komt te rusten om hun nieuwe adres(sen) aan de gemeente(n) die het betreft door te geven.

4.12.

De gedaagden (met uitzondering van de gedaagden sub 1) zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij(en) hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Moove worden begroot op € 116,92 voor explootkosten, € 676,00 voor griffierecht en € 1.016,00 voor salaris advocaat. Voor zover Moove ook de kosten van de geplaatste advertentie (‘p.m.’) vordert, geldt dat deze kosten niet toewijsbaar zijn nu Moove daarvoor geen concreet en onderbouwd bedrag heeft opgevoerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagden sub 1, 2 en 4,

5.2.

veroordeelt gedaagden om de onroerende zaak gelegen aan de [plaats en straat] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis geheel leeg en ontruimd ter beschikking van Moove te stellen en met alle daarin en/of daarop aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden,

5.3.

bepaalt dat Moove dit vonnis gedurende een jaar na de ontruiming ten uitvoer kan leggen tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in bovengenoemde onroerende zaak bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet,

5.4.

veroordeelt gedaagden sub 2 tot en met 11 hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Moove tot op heden begroot op € 1.808,92,

5.5.

veroordeelt gedaagden sub 2 tot en met 11 hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagden sub 2 tot en met 11 niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022.