Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:4018

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-07-2022
Datum publicatie
03-08-2022
Zaaknummer
9673283
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis; cao GGZ; overwerk in andere functie tijdens coronapandemie geeft geen recht op uitbreiding uren eigen functie; functiebeschrijving conform vereisten cao? Behoefte aan voorlichting door een deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0889
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 9673283 \ CV EXPL 22-888 \ 52770 \ 48073

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. M.P.A. Oogjen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. J. van den Bosch

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 april 2022 en de daarin genoemde processtukken;

- de akte vermeerdering van eis van de zijde van [eiser] ;

- de reactie akte vermeerdering van eis, alsmede de producties 14 tot en met 16 van de zijde van [gedaagde] ,

- de producties 15, 42 en 43 van de zijde van [eiser] .

- de mondelinge behandeling van 20 juni 2022, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een zorgonderneming die in kleinschalige woonvoorzieningen mensen met een GGZ indicatie ambulant begeleidt en ondersteunt bij wonen, werken en een zinvolle dagbesteding. Op 1 december 2012 is [eiser] bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van woonbegeleider. De functie van woonbegeleider is ingedeeld in functieschaal 40 FWG (Functie Waardering Gezondheidszorg, hierna: FWG).

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de cao Geestelijke Gezondheidszorg van toepassing. Tijdens de looptijd van dit geschil zijn twee cao’s van toepassing geweest, te weten de cao Geestelijke Gezondheidszorg met looptijd 1 maart 2017 tot 1 juni 2019 (hierna: cao I) en de cao Geestelijke Gezondheidszorg met looptijd 1 juni 2019 tot 1 december 2021 (hierna: cao II). De nieuwe cao heeft een looptijd van 1 december 2021 tot 31 december 2024 (hierna: huidige cao). Deze cao’s zijn algemeen verbindend verklaard.

2.3.

In ‘bijlage V FWG-reglement’ van cao I is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

1 Indeling

De functies worden ingedeeld volgens onderstaande procedures met behulp van het FWG functiewaarderingssysteem, hierna te noemen: systeem. (…)

1.1

Invoering FWG 3.0 en voorbereiding indeling

a. Invoering van FWG 3.0 geschiedt per 01-01-2000 (…)

(…)

e. De werknemer heeft binnen de instelling de mogelijkheid schriftelijk en met redenen omkleed bezwaar te maken tegen de functiebeschrijving binnen een termijn van 30 dagen (…) nadat de werkgever hem heeft geïnformeerd over het voorlopig besluit tot vaststelling van de functiebeschrijving.

(…)

h. De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van het advies van de Interne Bezwaren Commissie over de definitieve vaststelling van de functiebeschrijving. De werkgever kan gemotiveerd eenmalig de termijn van 30 dagen verlengen. Wanneer de werkgever binnen de geldende termijn geen besluit bekend maakt, dan wordt het bezwaar van de werknemer geacht te zijn toegewezen.

2 Herindeling

Het gebruik van FWG na invoering van FWG 3.0.

Algemeen

Na de eenmalige indeling van functies volgens het nieuwe functiewaarderingssysteem zullen zich regelmatig situaties voordoen, waarin (indeling of) herindeling van functies moet plaatsvinden. (…)

2.1

Uitgangspunten bij de herindeling

a. (…)

b. Wezenlijke verandering van de functie-inhoud

De werkgever dient tot toetsing c.q. heroverweging van (een) functie-indeling(en) over te gaan, overeenkomstig de in dit hoofdstuk opgenomen procedure, indien sprake is van wezenlijke verandering van de inhoud van (een) functie(s). Wanneer redelijkerwijs verondersteld mag worden dat de functie-inhoud en/of functie-eisen niet meer aansluiten bij de functie of het niveau, zoals deze laatstelijk is vastgesteld bij de (her)indeling, is sprake van een wezenlijke verandering van een functie. Bij de beoordeling of sprake is van een wezenlijke verandering van de functie-inhoud dient de inhoud van de functie van de betrokken werknemer te worden geïnventariseerd.

(…)

2.2

Herindelingsprocedure

De herindelingsprocedure verloopt in twee fasen. Op basis van de hiervoor onder 1 omschreven uitgangspunten kan zowel de werkgever als de werknemer het initiatief nemen tot het starten van een herindelingsprocedure.

a. De eerste fase bestaat uit:

(…)

b. In de tweede fase legt de werkgever de nieuwe functiebeschrijving inclusief de (nieuwe) waardering en -indeling van de functie voor aan de werknemer, als de voornoemde inventarisatie daartoe aanleiding geeft.

- De werknemer heeft de mogelijkheid schriftelijk en met redenen omkleed bezwaar te maken tegen de functiebeschrijving en/of de functiewaardering en -indeling binnen een termijn van 30 dagen nadat de werkgever hem heeft geïnformeerd over het voorlopige besluit tot vaststelling van de functiebeschrijving.

- (…)

- De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na het ontvangen van het advies van de Interne Bezwaren Commissie over de definitieve vaststelling van de functiebeschrijving en de functiewaardering en -indeling.

- De werkgever kan gemotiveerd eenmalig de termijn van 30 dagen verlengen met maximaal 60 dagen. Wanneer de werkgever binnen de geldende termijn geen besluit bekend maakt dan wordt het bezwaar van de werknemer geacht te zijn toegewezen.

- Als de werknemer bezwaar houdt tegen het indelingsbesluit dan kan hij zich vervolgens binnen 60 dagen tot de Landelijke Bezwaren Commissie FWG wenden (…).

2.4.

In onderdeel B (Reglement Interne Bezwaren Commissie) van bijlage V van cao I is het volgende bepaald:

Artikel 1 Taak

1. De instelling heeft een door de werkgever ingestelde Interne Bezwaren Commissie FWG, hierna te noemen IBC.

2. De IBC heeft tot taak de werkgever van advies te dienen:

(…)

* bij een bezwaar dat door een werknemer bij de werkgever is ingediend tegen een afwijzing van het door de werknemer ingediende verzoek tot herindeling (…)

* bij een bezwaar dat door een werknemer bij de werkgever is ingediend tegen een herindelingsbesluit inzake de voor de werknemer geldende functiebeschrijving en/of functiewaardering en -indeling (…)

* bij een bezwaar dat door een werknemer bij de werkgever is ingediend tegen de nieuwe functiebeschrijving (…)

Artikel 4 Advies

1. De IBC adviseert de werkgever, indien door de werknemer een bezwaarschrift is ingediend in het kader van artikel 1, lid 2.

2. (…)

3. Het advies van de IBC is “zwaarwegend”. Indien de werkgever besluit het advies niet over te nemen moet hij dit voor de werknemer motiveren.

4. Indien de IBC de werkgever adviseert de herindelingsprocedure te doen laten aanvangen, naar aanleiding van een bezwaar van de werknemer tegen een afwijzing van het door de werknemer ingediende verzoek tot herindeling, dan is de werkgever daartoe gehouden.

2.5.

Artikel 5 van hoofdstuk 4 van de huidige cao luidt:

Artikel 5 maximaal aantal uren overwerk, vacaturestelling

1. De werknemer met een voltijd-arbeidsduur of meer mag gemiddeld per week niet meer overwerken dan 10% van zijn overeengekomen arbeidsduur.

2. De werknemer met een voltijd-arbeidsduur of meer met een salaris vanaf nr. 49 van de inpassingstabel mag gemiddeld per week niet meer overwerken dan 10% van de som van de overeengekomen arbeidsduur + 6 uur.

3. Het gemiddeld aantal overuren wordt per kwartaal berekend.

4. Als de werknemer met een voltijd-arbeidsduur of meer per kwartaal meer dan 10% overwerkt, dan neemt de werkgever op verzoek van de werknemer maatregelen. Maatregelen zijn:

het verlenen van assistentie of

het stellen van een vacature.

5. Als de deeltijdwerker per kwartaal meer dan 10% overwerkt, dan biedt de werkgever op verzoek van de werknemer uitbreiding van de arbeidsovereenkomst aan voor die extra uren. Als de werknemer daar niet om vraagt, gaat de werkgever over tot:

het verlenen van assistentie of

het stellen van een vacature.

(…)

2.6.

Artikel 10 van hoofdstuk 4 van de huidige cao bepaalt:

Artikel 10 afbouwregeling ort

1. Beëindigt of vermindert de werkgever de onregelmatige dienst van de werknemer (…) en is dit niet te wijten aan eigen schuld of toedoen van de werknemer, dan ontvangt de werknemer een tegemoetkoming. (…)

2. De werknemer ontvangt geen tegemoetkoming als het gaat om een tijdelijke beëindiging of vermindering van de onregelmatige diensten.

3. Voorwaarden voor de tegemoetkoming zijn:

a. de werknemer heeft op het moment van de beëindiging of vermindering ten minste drie jaren onafgebroken onregelmatige diensten gewerkt bij de werkgever. (…);

b. het verschil tussen het oude salaris plus de genoten vergoeding voor onregelmatige dienst en het (eventueel nieuwe) salaris plus de nog te genieten vergoeding onregelmatige dienst is meer dan 2% van het oude salaris plus de genoten vergoeding,

en

c. het (eventueel nieuwe) salaris plus de vergoeding is lager dan het oude salaris plus de vergoeding.

De genoten vergoeding wordt berekend door de 12 maanden voor de vermindering/ beëindiging van de vergoeding genoten vergoeding te middelen. De (eventueel) nieuwe vergoeding wordt berekend door de eerste 3 maanden na de vermindering/beëindiging genoten vergoeding te middelen. Het in dit lid genoemde (eventueel nieuwe) salaris is het salaris bij een gelijkblijvende arbeidsduur.

4. De tegemoetkoming is een percentage van het in lid 3b van dit artikel genoemde verschil volgens deze tabel:

Periode van werken in onregelmatige dienst

Tegemoetkoming

3 tot 6 jaar

6 maanden 80%

6 maanden 40%

6 tot 10 jaar

8 maanden 75%

8 maanden 50%

8 maanden 25%

10 jaar en langer

12 maanden 75%

12 maanden 50%

12 maanden 25%

De berekening van deze tegemoetkoming wordt eenmalig bij aanvang vastgesteld. Als de werknemer in de afbouwperiode onregelmatige diensten gaat werken, dan ontvangt hij de tegemoetkoming alleen voor zover deze uitkomt boven de toeslag voor onregelmatige diensten.

2.7.

Bijlage V van de huidige cao bevat het FWG-reglement. In dit reglement worden de volgende procedures beschreven: procedure voor toepassing van het FWG functiewaarderingssysteem, reglement interne bezwarencommissie (IBC), reglement landelijke bezwarencommissie (LBC), kwaliteitseisen te stellen aan functiebeschrijvingen en wijze van het beschrijven van functies en een model functiebeschrijving. In deze bijlage is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

1 Indeling

(…)

1.1

Invoering FWG 3.0 en voorbereiding indeling

a. Basis voor de indeling is de daadwerkelijk uitgeoefende functie, vastgelegd in een desbetreffende functiebeschrijving conform kwaliteitscriteria (zie onder D Kwaliteitseisen etc. en E Model Functiebeschrijving FWG) die door FWG-partijen in hun FWG-overeenkomst zijn vastgesteld.

b. Indeling van de functie op basis van het FWG-functiewaarderingssysteem vindt plaats na vaststelling van de functie overeenkomstig de desbetreffende functiebeschrijving.

(…)

1.2

FWG-waardering en indeling van de functie

a. Met behulp van het systeem bepaalt de werkgever de FWG-waardering en - indeling van de functie.

(…)

D. kwaliteitseisen te stellen aan functiebeschrijvingen en wijze van het beschrijven van functies

1 Vooraf

Voor het toepassen van FWG 3.0 is het nodig dat de werkgever de van toepassing zijnde functiebeschrijvingen vaststelt. De werknemer kan wanneer hij het niet eens is met zijn functiebeschrijving bij de interne bezwarencommissie (IBC) bezwaar maken; deze commissie adviseert vervolgens de werkgever. De functiebeschrijvingen moeten een goed beeld geven van de op het moment van beschrijven binnen de organisatie/binnen het organisatiedeel uitgeoefende functies. Belangrijk daarbij is dat functies weliswaar op zich staande samenvoegingen van taken en verantwoordelijkheden zijn, maar doordat ze in organisatorisch verband worden uitgeoefend sterk aan elkaar zijn gerelateerd/sterk van elkaar afhankelijk zijn. Het is daarom zinvol de functies binnen een organisatorische eenheid op soortgelijke wijze en in onderlinge samenhang te beschrijven.

2 Inhoud

De functiebeschrijving moet informatie bevatten over:

a. (…)

b. functie-inhoud:

de functie-inhoud moet duidelijk en volledig omschreven worden. Dit hoeft echter niet te leiden tot eindeloze opsommingen. Nadrukkelijk moet worden vermeld dat de beschrijving de actuele situatie (IST-situatie) moet weergeven.

c. relevante toelichting ten aanzien van de waarderingsgezichtspunten:

FWG is gebaseerd op een analytische puntenmethode die een veelheid van aspecten binnen een functie waardeert. De aspecten zijn gegroepeerd in de volgende gezichtspunten:

* Kennis;

* Zelfstandigheid;

* Sociale Vaardigheden;

* Risico’s Verantwoordelijkheden en Invloed;

(…)

3 Kwaliteitseisen

Een functiebeschrijving moet kort en helder de actuele lokale situatie weergegeven. De set functiebeschrijvingen van de organisatorische eenheid (...) moet een volledig beeld geven van de activiteiten van de organisatorische eenheid inclusief de werkverdeling daarbinnen.

4 Relatie functie-functionaris

Zeker in de gezondheidszorg is erbij zeer veel functies een grote relatie tussen de functie en datgene wat de functionaris in zich heeft. Meer dan wellicht buiten de zorgsector het geval is, kan de functievervuller de functie en het resultaat van het functioneren mede bepalen. Functiewaardering blijft gericht op het waarderen van de functie in organisatorisch verband. Dit wil zeggen dat daar waar de persoonlijke invloed op de functie groot wordt er een spanningsveld gaat ontstaan tussen datgene wat de organisatie in de functie onderbrengt en datgene wat de functionaris realiseert.

2.8.

[eiser] en [gedaagde] zijn begin 2017 overeengekomen dat [eiser] vanaf 1 maart 2017 niet meer als woonbegeleider op één locatie zal werken, maar - in het kader van een pilot - op alle locaties van [gedaagde] vorm en inhoud zal geven aan sport/bewegen. In het overzicht van de afspraken die [gedaagde] op 23 februari 2017 heeft opgesteld schrijft zij daar onder meer over:

Met ingang van 1 maart 2017 wordt [eiser] ingezet op alle locaties binnen [gedaagde] (NIET vanuit de flexpoule) voor:

- sport/bewegen op de locaties op te zetten en uit te voeren

- crisissituaties en calamiteiten mbt veiligheid (hiervoor flexibel inzetbaar op alle locaties).

2.9.

Op 2 augustus 2017 heeft [gedaagde] een brief aan [eiser] gestuurd waarin onder meer staat:

Hierbij laat ik je weten dat je in aanmerking komt voor de afbouwregeling ORT conform cao GGZ Hoofdstuk 10 B artikel 5, met ingang van 1 maart 2017 tot en met 31-12-2017 (gedurende de pilotperiode waarin jij op alle locaties van [gedaagde] vorm en inhoud gaat geven aan Sport/bewegen).

2.10.

[eiser] en [gedaagde] hebben daarna gesprekken gevoerd over de functienaam, functiebeschrijving en inschaling FWG van [eiser] . [eiser] heeft daarbij aangegeven dat hij volgens hem de functie van bewegingsagoog vervult. [gedaagde] heeft in deze gesprekken aangegeven dat de functie van bewegingsagoog niet past binnen de begeleiding die [gedaagde] haar bewoners biedt en niet aansluit bij de taken en verantwoordelijkheden die [eiser] heeft.

2.11.

Op 22 juni 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] voorgesteld dat zijn functie woonbegeleider blijft op het gebied van gezonde levensstijl met als hoofdtaak bewegen en sport.

2.12.

[eiser] heeft op 5 juli 2018 op grond van cao I tegen dit voorstel bezwaar aangetekend bij de Interne Bezwarencommissie (hierna: ‘IBC’) van [gedaagde] . In zijn bezwaar voert [eiser] aan dat hij sinds 1 maart 2017 voldoet aan alle functie-eisen behorend bij de functie van bewegingsagoog op het functieniveau schaal 50. Hij geeft daarbij een omschrijving van deze functie en eindigt zijn bezwaar met:

Ik verzoek u op grond van het bovenstaande de werkgever te adviseren de functie van Bewegingsagoog toe te passen met schaal 50. Ik ben van mening dat ik deze functie daadwerkelijk volledig uitoefen sinds 01-03-2017 en meen daarom dat mijn salaris met terugwerkende kracht tot deze datum vastgesteld moet worden.

2.13.

Op 20 december 2018 heeft de IBC uitspraak gedaan. In die uitspraak is het volgende bepaald:

[gedaagde] heeft de pilot nooit bedoelt als opstap naar een nieuwe functie. En heeft getracht een oplossing te zoeken in het bestaande functiehuis. De huidige functie woonbegeleider met specialisatie vinden wij niet passend. Daar de nadruk van de werkzaamheden liggen bij sport en bewegen op de diverse locaties. De pilot loopt nu bijna 2 jaar. Er is sprake van structurele werkzaamheden.

Het bezwaar t.o.v. de functie van woonbegeleider vinden we terecht.

Wij adviseren werkgever om een passende functieomschrijving te maken. Waarin de werkzaamheden van bezwaarde worden omschreven en deze formeel aan bezwaarde aan te bieden.

(…)

2.14.

Bij brief van 17 januari 2019 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiser] bericht:

(…)

De IBC heeft ons geadviseerd een passende functieomschrijving te maken, waarin de werkzaamheden omschreven worden.

Wij nemen dit advies ter harte en geven hier op korte termijn uitvoering aan. Op korte termijn zullen we een functieomschrijving opstellen, waarin je werkzaamheden met betrekking tot sport/ bewegen op de locaties worden meegenomen. Dit voorstel leggen we vervolgens aan je voor.

Dit proces zorgvuldig doorlopen achten we in het belang van alle partijen. Gezien de feestdagen en aangezien onze nieuwe HR Manager, [naam HR-manager] , pas zeer recent gestart is en nu in de proces betrokken wordt, is een definitieve vaststelling van de functiebeschrijving binnen 30 dagen, na uitbrengen van het advies van de IBC, niet haalbaar. We streven ernaar om de functie te herbeschrijven binnen 60 dagen, zoals benoemd in artikel 3.1.6 van de Procedure voor toepassing van het FWG functiewaarderingssysteem.

(…)

2.15.

Op 12 maart 2019 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eiser] de concept functiebeschrijving ‘Begeleider Gezonde Levensstijl’ toegestuurd. In haar brief van 14 juni 2019 schrijft [gedaagde] onder meer:

Naar aanleiding van het advies van de IBC, d.d. 20 december 2018, is de herbeschrijvingsprocedure gestart. Op basis van het resultaat van de herbeschreven functiebeschrijving hebben we geconcludeerd dat de functie-inhoud/ functie-eisen niet geheel aansluiten bij het niveau zoals deze bij de laatste indeling is vastgelegd. Zoals genoemd in artikel 3.1.2, Procedure voor toepassing van het FWG functiewaarderingssysteem, is daardoor sprake van een herindelingsprocedure.

Om de procedure van aanbieden formeel te starten bieden we je hierbij opnieuw de functiebeschrijving en de functie-indeling aan, die voor jouw functie van toepassing zijn, te weten:

Functienaam: Begeleider Gezonde Levensstijl

Functiegroep: FWG 35

De indeling van deze functiebeschrijving is lager dan je huidige salarisinpassing. Voor jou geldt de garantieregeling van de CAO GGZ, hoofdstuk 7B, artikel 4, lid 3.2, wat inhoudt dat je je huidige salaris en salarisperspectief behoudt. De nieuwe functie geldt per de eerste van de maand na definitieve vaststelling van de functiebeschrijving.

Voor de volledigheid geven wij je nog de volgende informatie:

- De functiebeschrijving en de functie-indeling hebben de status van voorlopig vastgesteld. (…) Deze functiebeschrijving is reeds door de directie goedgekeurd.

- (…)

2.16.

De toenmalige gemachtigde van [eiser] heeft op 12 juli 2019 bezwaar tegen deze functiebeschrijving aangetekend bij de IBC. In dit bezwaar heeft hij namens [eiser] gesteld dat [eiser] niet de functie van Begeleider gezonde levensstijl uitoefent. Hij heeft daarbij opgesomd welke werkzaamheden en verantwoordelijkheden [eiser] meer uitoefent dan in die functieomschrijving zijn opgenomen. Daarbij voert hij aan dat de taken, werkzaamheden en verantwoordelijkheden van [eiser] aansluiten bij de functie van bewegingsagoog, zoals omschreven in het beroepscompetentieprofiel van Calibris (een kenniscentrum voor leren in de praktijk in Zorg, Welzijn en Sport).

2.17.

Op 3 september 2019 heeft de IBC het volgende advies uitgebracht:

Op 20 december 2018 heeft de IBC geadviseerd om een passende functieomschrijving te maken. Wij hadden niet de insteek dat deze de functie van Beweegagoog moest worden.

Maar een inhoudelijk passende functieomschrijving gericht op de feitelijke werkzaamheden van bezwaarde.

Wij achten de functieomschrijving Begeleider Gezonde leefstijl passend bij de werkzaamheden die bezwaarde daadwerkelijk uitvoert. Leidinggevenden van diverse locaties herkennen in de functieomschrijving van Begeleider gezonde leefstijl de werkzaamheden die verwacht worden en die daadwerkelijk door bezwaarde worden uitgevoerd.

De opdracht die bezwaarde heeft ligt niet op beweeg agogisch vlak. Maar op het stimuleren van een gezonde leefstijl.

Het bezwaar t.o.v. de functieomschrijving vinden wij niet gegrond.

Het IBC heeft onvoldoende expertise op het gebied van FWG waardoor wij geen advies geven op de functiewaardering.

De functieomschrijving wordt door de IBC als passend en als een goede volledige weergave van de werkzaamheden gezien. Op basis van deze omschrijving kan de functie gewaardeerd worden.

2.18.

[gedaagde] heeft in haar brief van 26 september 2019 aan [eiser] geschreven dat zij de functie van Begeleider Gezonde Levensstijl definitief heeft vastgesteld. Daarbij heeft [gedaagde] de functie ingedeeld in functiegroep FWG 40. Daarover schrijft zij onder meer:

De indeling in FWG 40 is gelijk aan je huidige salarisinpassing. De vaststelling is tot stand gekomen na advies van de IBC en het indelingsadvies van het FWG. Wij volgen bij het vaststellen van de functie het indelingsadvies van het FWG. Je treft deze adviezen aan als bijlage bij deze brief, samen met de functiebeschrijving.

2.19.

De toenmalige gemachtigde van [eiser] heeft op 22 november 2019 bezwaar gemaakt bij de Landelijke Bezwaren Commissie (hierna: LBC) tegen de functiebeschrijving, functiewaardering en functie-indeling. Op 19 februari 2020 heeft de LBC onder meer de volgende uitspraak gedaan:

(…)

Bezwaarmaker beroept zich bij het door hem gewenste functie-eisenpatroon op een vergelijking met de functie van Bewegingsagoog die in het land, aldus bezwaarmaker, vaak is ingedeeld in FG 50. De ijkfunctie van Bewegingsagoog in de FWG systemen heeft een functie-eisenpatroon dat leidt tot FG 45.

(…)

De procedure

In de bezwaarprocedure is door de bezwaarmaker herhaaldelijk aangegeven dat de beschreven functie niet door hem wordt herkend. De LBC heeft echter geen rol in het proces van het vaststellen en toewijzen van functies. Een geschil over de inhoud van de functie betreft een geschil over de arbeidsovereenkomst, en kan dus worden voorgelegd aan de rechter. Zie in dit verband ook het reglement van de LBC, waarin staat: “De Landelijke Bezwaren Commissie FWB, hierna te noemen LBC-FWG, heeft tot taak een oordeel te geven over de waardering en/of de indeling van een functie indien na het doorlopen van de procedure binnen de instelling een geschil bestaat tussen de werknemer en de werkgever”. Uitgangspunt bij de behandeling van het bezwaarschrift is derhalve de vastgestelde functiebeschrijving, in dit geval die van april 2019.

(…)

Bindende uitspraak van de LBC-FWG

De Landelijke Bezwaren Commissie FWG adviseert:

- de score op het onderdeel Psychische belasting bij het gezichtspunt Inconveniënten te wijzigen naar een b-score en hiermee de totaalscore op het gezichtspunt Inconveniënten te wijzigen in een C-score;

- de overige scores ongewijzigd te laten;

- en de functie Begeleider gezonde levensstijl ongewijzigd in te delen in functiegroep 40.

Het bezwaar is hiermee ongegrond verklaard.

2.20.

Op 16 april 2020 bevestigt [gedaagde] per brief aan [eiser] dat zijn functie, in lijn met het advies van de LBC, de functie van begeleider gezonde levensstijl is in functiegroep 40.

2.21.

Tijdens de coronapandemie is [eiser] , op verzoek van [gedaagde] , bijgesprongen in zijn oude functie van woonbegeleider. Gedurende de pandemie heeft [eiser] tot en met november 2021 veel extra uren gemaakt als woonbegeleider. Op 24 december 2021 heeft [eiser] [gedaagde] , op grond van hoofdstuk 4 artikel 5 van de cao, verzocht zijn contracturen met ingang van 1 januari 2022 aan te passen van 32 naar 36 uur per week.

2.22.

Daarnaast heeft [eiser] , op grond van hoofdstuk 4 artikel 10 van de cao, aanspraak gemaakt op een afbouwregeling ORT met ingang van 1 december 2021.

2.23.

Op 21 januari 2022 ontving [eiser] het volgende bericht van zijn leidinggevende:

(…) Wilde het hebben over de 36u. Die krijg je met terugwerkende kracht 1/1/22. Na je vakantie wil ik een afspraak met je maken over de terugkoppeling van de 2 onderzoeken en over de indeling van de uren wanneer je 36u werkt. (…)

2.24.

Op 5 april 2022 is een gesprek geweest tussen [eiser] , zijn leidinggevende en de HR-manager van [gedaagde] . In het verslag van dit gesprek staat onder meer:

Verzoek ophoging uren

(…)

Dit is inzet geweest tijdens een uitzonderlijke situatie, buiten zijn eigen functie om en zeker niet structureel van aard.

(…)

Op het moment dat [eiser] op alle locaties zijn afgesproken uren ingezet wordt dan is de ophoging van de uren wellicht te rechtvaardigen. Nu is dat niet reëel: zijn extra inzet was niet vanuit zijn functie, niet structureel en gebeurde buiten zijn eigen functie. (…)

Afbouw ORT

(…)

De ORT die hij ontvangen heeft kwam niet voort uit zijn functie, maar uit het overwerk dat hij graag wilde maken. Het is dus niet zo dat de werkgever de onregelmatige dienst beëindigd of verminderd heeft. (…)

2.25.

Op 20 mei 2022 heeft de gemachtigde van [eiser] verzocht om te bevestigen dat het dienstverband van [eiser] met ingang van 1 januari 2022 wordt opgehoogd naar 36 uur per week en dat de afbouwregeling ORT met ingang van 1 januari 2022 wordt uitgekeerd. In haar reactie van 31 mei 2022 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aangegeven dat [gedaagde] bij haar standpunt blijft. Daarbij concludeert de gemachtigde:

De arbeidsomvang van de heer [eiser] wordt niet opgehoogd naar 36 uur en hij komt niet in aanmerking voor de afbouwregeling ORT.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat de door [eiser] voor [gedaagde] per 1 maart 2017 uitgeoefende en uit te oefenen functie die van bewegingsagoog betreft, welke als dusdanig dient te worden beschreven, ingedeeld en beloond;

2. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen:

a. het achterstallig loon over de periode 1 maart 2017 tot en met 30 november 2021 ad € 17.374,95;

b. correcte uitbetaling van het loon behorend bij de functie bewegingsagoog over de periode van 1 december 2021 tot aan de dag dat dit vonnis gewezen wordt;

c. de wettelijke verhoging van 50% over het onder a. genoemde bedrag van € 17.374,95 bruto;

d. een bedrag van € 948,75 bruto aan buitengerechtelijke incassokosten;

e. de wettelijke rente over a tot en met c vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledig betaling;

f. voor recht te verklaren dat [eiser] met ingang van 1 januari 2022, althans per een door de kantonrechter te bepalen datum, een dienstverband heeft met een omvang van 36 uur per week;

g. voor recht te verklaren dat [eiser] met ingang van 1 december 2021, althans per een door de kantonrechter te bepalen datum, in aanmerking komt voor een afbouwregeling ORT zoals bedoeld in artikel 10 van hoofdstuk 4 voor de Cao GGZ;

h. [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen, 4 uur extra per week vanaf 1 januari 2022, althans per een door de kantonrechter te bepalen datum, tot het moment dat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, zijnde een bedrag van € 401,27 bruto per maand (functie bewegingsagoog) danwel subsidiair € 344,59 bruto per maand (functie begeleider gezonde levensstijl) te vermeerderen met alle daarbij behorende emolumenten;

i. [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen vanaf 1 december 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, de afbouwregeling ORT als volgt te vermeerderen met alle daarbij behorende emolumenten:

Bewegingsagoog Begeleider

8 maanden 75%: € 118,66 bruto € 101,90 bruto

8 maanden 50%: € 79,11 bruto € 67,94 bruto

8 maanden 25%: € 39,55 bruto € 33,97 bruto

j. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over de vorderingen zoals vermeld onder h en i, voor zover verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.

3. [gedaagde] te veroordelen tot afdracht van de verschuldigde pensioenpremie ad € 1.372,42 bruto aan Stichting Pensioenfonds Zorg & Welzijn, te vermeerderen met de verschuldigde pensioenpremie over de vorderingen zoals genoemd onder h en i.

4. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, een bedrag aan salaris van de gemachtigde van [eiser] daaronder begrepen;

5. [gedaagde] te veroordelen in de nakosten nadat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na betekening aan de verplichtingen die voortvloeien uit het vonnis heeft voldaan, alsmede de explootkosten van de betekening van het vonnis.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] haar verplichtingen op grond van het FWG Reglement en artikel 7:611 BW niet is nagekomen, omdat zij niet tijdig de functiebeschrijving heeft vastgesteld en de uiteindelijk vastgestelde functiebeschrijving onvolledig en onjuist is. Volgens [eiser] dient zijn functie te worden beschreven, ingedeeld en beloond conform zijn werkzaamheden als bewegingsagoog. Daarnaast dient volgens [eiser] op grond van de huidige cao, artikel 7:610 sub b BW, dan wel vanwege de toezegging van zijn leidinggevende zijn arbeidsomvang met ingang van 1 januari 2022 te worden aangepast naar 36 uur per week. Tot slot maakt [eiser] aanspraak op de afbouwregeling voor de overige ORT-uren, omdat zijn ORT vanaf 1 december 2021 is verminderd.

3.3.

Volgens [gedaagde] is de door haar opgestelde omschrijving van de functie begeleider gezonde levensstijl van [eiser] juist beschreven, ingedeeld en ingeschaald. [eiser] heeft volgens [gedaagde] ook geen recht op uitbreiding van zijn uren of de afbouwregeling ORT, omdat de extra werkzaamheden die door [eiser] zijn verricht niet structureel waren en met de uitzonderlijke omstandigheden van de coronapandemie te maken hadden. Bovendien lagen deze werkzaamheden volgens [gedaagde] buiten zijn functie.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft zijn oorspronkelijke eis vermeerderd met aanvullende vorderingen in verband met de uitbreiding van zijn uren en de afbouwregeling ORT (zie hiervoor 3.1 2 f tot en met j). De kantonrechter zal deze vorderingen eerst beoordelen.

Uitbreiding uren

4.2.

[eiser] heeft een arbeidsovereenkomst voor 32 uur per week. Hij heeft een overzicht overgelegd met zijn gewerkte uren in 2021, waaruit blijkt dat hij in het tweede en derde kwartaal van 2021 meer dan 10% heeft overgewerkt. Volgens hem moet daarom op grond van artikel 5 lid 5 van hoofdstuk 4 van de huidige cao (zie hiervoor 2.5), dan wel op grond van artikel 7:610b BW, zijn arbeidsomvang vanaf 1 januari 2022 worden aangepast naar 36 uur per week. [eiser] wijst erop dat de cao een standaard cao is waar niet van mag worden afgeweken. Voor de uitbreiding van de arbeidsomvang stelt de cao volgens hem alleen als voorwaarde dat per kwartaal meer dan 10% is overgewerkt. [eiser] doet daarnaast een beroep op het Whatsapp-bericht van 21 januari 2022, waarin zijn leidinggevende aangeeft dat hij met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2022 naar een arbeidsomvang van 36 uur zou gaan (zie hiervoor 2.23).

4.3.

Volgens [gedaagde] komt [eiser] geen recht toe op aanpassing van zijn arbeidsomvang naar 36 uur, omdat het overwerk dat hij heeft verricht in 2021 geen betrekking had op werkzaamheden binnen zijn functie, maar op werkzaamheden als woonbegeleider. Door de coronapandemie had [gedaagde] te maken met veel ziekteverzuim en quarantaines, waardoor zij aan diverse medewerkers, waaronder [eiser] , heeft gevraagd om in te springen als woonbegeleider. Volgens [gedaagde] moet bij de uitleg van artikel 5 lid 5 van hoofdstuk 4 van de cao ook acht worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen. Het is volgens haar niet aannemelijk dat een werknemer in een dergelijke noodsituatie, waarbij duidelijk is gemaakt dat het overwerk tijdelijk en vrijwillig is en de extra uren zijn gemaakt in een andere functie dan de eigen functie, een uitbreiding van de arbeidsomvang toekomt in de eigen functie.

4.4.

Aan een bepaling van een cao moet een uitleg naar objectieve maatstaven worden gegeven volgens de zogenaamde cao norm. Daarbij zijn in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis. Bij deze uitleg kan gekeken worden naar formuleringen van andere onderdelen uit de cao en naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de mogelijke interpretaties van de tekst kunnen leiden.1 Bij de (huidige) cao Geestelijke Gezondheidszorg hoort geen schriftelijke toelichting, waardoor die niet kan worden betrokken bij de uitleg van artikel 5 lid 5 van hoofdstuk 4 van de huidige cao. Uit de bewoordingen van artikel 5 van hoofdstuk 4 van de huidige cao volgt dat de ratio van deze bepaling is te voorkomen dat werknemers structureel (veel) meer moeten werken dan in hun arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Dat volgt niet alleen uit de bewoordingen van lid 1, maar ook uit de bewoordingen van lid 4 en lid 5, waarin is bepaald dat een werkgever moet overgaan tot het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature indien een werknemer per kwartaal meer dan 10 % overwerkt en de werknemer fulltime werkt, dan wel niet verzoekt om uitbreiding van zijn arbeidsovereenkomst (zie hiervoor 2.5). Door [eiser] is niet gesteld of onderbouwd dat hij in zijn eigen functie van begeleider gezonde levensstijl (dan wel bewegingsagoog, welke vraag nog voorligt in deze procedure) teveel werk heeft, waardoor hij in die functie heeft moeten overwerken of overwerkt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] zijn arbeidsomvang van 32 uren niet goed gevuld krijgt met de werkzaamheden die vallen onder zijn huidige takenpakket. [eiser] stelt weliswaar dat hij in eerdere jaren ook structureel veel heeft overgewerkt, maar heeft in dat kader alleen een overzicht uit 2020 overgelegd. Daaruit volgt dat dit overwerk plaatsvond in de maanden waarin reeds sprake was van de coronapandemie. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] in zijn huidige functie niet overwerkt.

4.5.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de objectieve uitleg van artikel 5 lid 5 van hoofdstuk 4 van de huidige cao niet kan leiden tot de conclusie dat [gedaagde] uitbreiding van de arbeidsovereenkomst in de eigen functie van [eiser] moet aanbieden, omdat [eiser] vanwege uitzonderlijke omstandigheden overuren heeft gemaakt in een andere functie.

4.6.

Naast de cao doet [eiser] ook een beroep op artikel 7:610b BW. Op grond van die bepaling wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben die gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Wat hiervoor in 4.4 en 4.5 is geoordeeld brengt mee dat de gewerkte overuren niet als ‘de bedongen arbeid’ in de zin van artikel 7:610b BW kunnen worden aangemerkt, omdat dit overwerk buiten de eigen functie plaatsvond. Bovendien kan de periode van 2021 waar [eiser] zich op beroept niet als een representatieve periode worden beschouwd. Dit was een uitzonderlijke periode vanwege de coronapandemie. Omdat niet is gebleken dat hij in de periode daarna in zijn eigen functie heeft overgewerkt slaagt het beroep op artikel 7:610b BW van [eiser] niet.

4.7.

[eiser] verwijst daarnaast naar het Whatsapp bericht van zijn leidinggevende van 21 januari 2022 (zie hiervoor 2.23). De kantonrechter begrijpt de stelling van [eiser] zo dat hij op grond van dit bericht gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de omvang van zijn arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2022 zou worden aangepast naar 36 uur. [gedaagde] voert aan dat de leidinggevende op het moment van het sturen van genoemd bericht er vanuit was gegaan dat [eiser] terecht een beroep deed op het recht van uitbreiding van uren dat de cao biedt. De leidinggevende zou zich pas daarna (na overleg met de HR-manager) hebben gerealiseerd dat dit niet het geval is vanwege de uitzonderlijke situatie van het verrichte overwerk.

4.8.

Tussen partijen is niet in discussie dat [eiser] voor het eerst via een bericht aan zijn leidinggevende op 24 december 2021 heeft verzocht om uitbreiding van zijn uren. Ook staat vast dat [eiser] in een gesprek op 5 april 2022 is meegedeeld dat hij geen verhoging krijgt van zijn aantal uren (zie hiervoor 2.24). Daarmee is [gedaagde] teruggekomen op de eerdere toezegging die de leidinggevende aan [eiser] had gedaan. Zoals [eiser] aangeeft is de huidige cao een standaard cao waar niet van mag worden afgeweken. Deze cao is eveneens algemeen verbindend verklaard. Op grond van artikel 3 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten zijn met de cao strijdige afspraken nietig. Zoals hiervoor in 4.4 en 4.5 geoordeeld biedt de huidige cao geen recht op uitbreiding van de arbeidsovereenkomst in de eigen functie door overwerk te verrichten onder uitzonderlijke omstandigheden in een andere functie. Het stond [gedaagde] daarom vrij om terug te komen op de - in haar ogen onjuiste - toezegging van de leidinggevende. [eiser] komt ook geen beroep toe op deze nietige toezegging. Bij eindvonnis zullen daarom de vorderingen van [eiser] met betrekking tot de uitbreiding naar 36 uur per week (vordering 2f en 2h) worden afgewezen.

Afbouwregeling ORT

4.9.

Volgens [eiser] heeft hij op grond van artikel 10 van hoofdstuk 4 van de huidige cao recht op de afbouwregeling voor onregelmatigheidstoeslag (hierna ORT). Vanaf december 2021 wordt hij niet meer ingezet op zaterdag, zon- en feestdagen, waardoor zijn ORT is verminderd. Volgens hem heeft hij recht op de afbouwregeling voor 6 tot 10 jaar, omdat hij vanaf 2012 in dienst is bij [gedaagde] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de afbouwregeling ORT al gekregen vanaf 1 maart 2017 tot 28 februari 2020 en komt hem niet opnieuw het recht op deze afbouwregeling toe. Volgens haar dient de regeling zo gelezen worden dat een nieuw recht op de afbouwregeling pas drie jaar na beëindiging van de eerdere afbouwregeling begint te lopen. [gedaagde] voegt daaraan toe dat de onregelmatige diensten van [eiser] in 2020 en 2021 zijn gemaakt in het kader van de werkzaamheden buiten zijn functie in verband met de coronapandemie.

4.10.

In artikel 10 van hoofdstuk 4 van de huidige cao is de afbouwregeling ORT verwoord (zie hiervoor 2.6). In lid 3 staan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze regeling. Daarin staat onder meer dat de werknemer op het moment van de vermindering van de ORT ten minste drie jaar onafgebroken onregelmatige diensten moet hebben gewerkt bij de werkgever. [eiser] stelt dat hij in 2019, 2020 en 2021 onafgebroken onregelmatige diensten heeft gedraaid en daarom voldoet aan deze eis. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat [eiser] van 1 maart 2017 tot 28 februari 2020 vergoedingen heeft ontvangen op basis van de afbouwregeling ORT. De kantonrechter volgt [gedaagde] in haar stelling dat - gelet op de bewoordingen van artikel 10 van hoofdstuk 4 van de huidige cao - een objectieve uitleg van dit artikel meebrengt dat [eiser] pas weer aanspraak kan maken op de afbouwregeling ORT indien hij na afloop van zijn vorige afbouwregeling, dus vanaf 1 maart 2020, een onafgebroken periode van drie jaar onregelmatige diensten bij [gedaagde] heeft gewerkt. De kantonrechter leidt dat met name af uit de laatste zinnen van lid 4 van dit artikel waarin is bepaald dat als de werknemer in de afbouwperiode onregelmatige diensten gaat werken, hij de tegemoetkoming alleen ontvangt voor zover deze uitkomt boven de toeslag voor onregelmatige diensten. De kantonrechter leidt hieruit af dat de huidige cao een dubbele of overlappende ORT beoogt te voorkomen. In het eindvonnis zal de kantonrechter daarom de vordering van [eiser] betreffende de afbouwregeling ORT afwijzen (vordering 2g en 2i).

Functie en functiewaardering

4.11.

Vanaf 1 maart 2017 zijn de werkzaamheden van [eiser] op initiatief van [gedaagde] gewijzigd (zie hiervoor 2.8). Volgens [eiser] voert hij sinds die tijd de functie van bewegingsagoog uit. Hij verwijst daarvoor naar de omschrijving van zijn werkzaamheden in zijn bezwaarschrift van 5 juli 2018 (zie hiervoor 2.12) en het beroepscompetentieprofiel van Calibris (zie hiervoor 2.16). Volgens [eiser] dient zijn functieomschrijving vastgesteld te worden in overeenstemming met de door hem aangeleverde beschrijving van bewegingsagoog. Enerzijds omdat [gedaagde] haar verplichtingen op grond van het FWG Reglement in bijlage V bij cao I niet tijdig is nagekomen, waardoor op grond van artikel 1.2 onder h van het FWG reglement zijn bezwaar is toegewezen. Dat brengt volgens [eiser] mee dat hij vanaf 1 maart 2017 de functie van bewegingsagoog met functiewaardering 50 uitoefent. Anderzijds omdat [gedaagde] haar verplichting op grond van paragraaf D van bijlage V van de huidige cao, dan wel haar verplichting op grond van goed werkgeverschap volgens [eiser] niet heeft nageleefd. De functiebeschrijving van begeleider gezonde levensstijl die [gedaagde] heeft opgesteld voldoet volgens [eiser] niet aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen, omdat een deel van de taken die hij structureel uitvoert daar niet in zijn opgenomen. De functieomschrijving van bewegingsagoog sluit volgens hem volledig aan op de werkzaamheden en taken die hij uitvoert.

4.12.

[gedaagde] voert aan dat zij in overeenstemming met het FWG reglement van cao I heeft gehandeld. De daarna door haar opgestelde functiebeschrijving van begeleider gezonde levensstijl is volgens haar in overeenstemming met de werkzaamheden en taken die [eiser] uitvoert. De functie van bewegingsagoog bestaat niet binnen [gedaagde] , omdat deze niet past bij de begeleiding die [gedaagde] aan haar bewoners biedt. Volgens [gedaagde] maakt een bewegingsagoog per bewoner een behandelplan met individuele bewegingsactiviteiten in een multidisciplinair team. Omdat [gedaagde] geen multidisciplinaire teams heeft en [eiser] niet de juiste competenties heeft kan hij volgens [gedaagde] geen bewegingsagoog zijn. Deze werkzaamheden worden volgens [gedaagde] ook zeker niet van [eiser] gevraagd.

Termijnen cao I

4.13.

In het FWG reglement bij cao I is in onderdeel A de procedure voor het FWG functiewaarderingssysteem beschreven en in onderdeel B het reglement voor de interne bezwarencommissie (zie hiervoor 2.3 en 2.4). Vaststaat dat de interne bezwarencommissie (IBC) van [gedaagde] op 20 december 2018 een advies heeft uitgebracht naar aanleiding van het bezwaar van [eiser] tegen de indeling van zijn functie als woonbegeleider (zie hiervoor 2.12 en 2.13). Op 17 januari 2019 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat zij dat advies ter harte zal nemen en een functieomschrijving zal opstellen. Daarbij geeft zij aan dat dit niet binnen 30 dagen lukt, maar dat zij ernaar streeft dit binnen 60 dagen te doen met verwijzing naar artikel 3.1.6 van het FWG reglement (zie hiervoor 2.14). Op 12 maart 2019 stuurde [gedaagde] de concept functiebeschrijving voor begeleider gezonde levensstijl naar [eiser] (zie hiervoor 2.15).

4.14.

Artikel 1 heeft betrekking op de procedure bij de invoering van het FWG functiewaarderingssysteem per 1 januari 2000. Dat is niet de procedure waar het hier om gaat. [eiser] had de functie van woonbegeleider, waarna zijn werkzaamheden zijn gewijzigd. Het gaat dan niet om de oorspronkelijke indeling van zijn functie op grond van het FWG systeem, maar om de herindeling van zijn functie vanwege de verandering van de functie-inhoud. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook bevestigd dat zij is overgestapt naar de herindelingsprocedure. Voor deze procedure gelden de bepalingen van artikel 2 van het FWG reglement van cao I. In artikel 2.2 onder b van dit reglement is bepaald dat de werkgever eenmalig de termijn van 30 dagen gemotiveerd kan verlengen met maximaal 60 dagen. Daarbij is ook bepaald dat als de werkgever niet binnen de geldende termijn een besluit bekend maakt het bezwaar van de werknemer geacht wordt te zijn toegewezen (zie hiervoor 2.3). Gelet op de hiervoor genoemde data heeft [gedaagde] in overeenstemming met deze termijnen gehandeld. Voor zover dit niet zo is, omdat op 12 maart 2019 nog geen sprake was van een definitieve vaststelling van de functiebeschrijving, functiewaardering en -indeling, brengt dit uitsluitend mee dat het bezwaar van [eiser] tegen de eerdere indeling van zijn functie als woonbegeleider met hoofdtaak bewegen en sport (zie hiervoor 2.11) wordt geacht te zijn toegewezen. Dit brengt echter niet mee – zoals [eiser] stelt – dat zijn verzoek in zijn bezwaarschrift om vanaf 1 maart 2017 de functie van bewegingsagoog met functiewaardering 50 toe te passen, is toegewezen.

Functiebeschrijving en inhoud functie

4.15.

Dan ligt de vraag voor of de functiebeschrijving van begeleider gezonde levensstijl, zoals deze door [gedaagde] - na het advies van de IBC en de uitspraak van de LBC (zie hiervoor 2.17 en 2.19) - uiteindelijk op 16 april 2020 aan [eiser] is bevestigd, voldoet aan de kwaliteitseisen van de huidige cao. In onderdeel D van bijlage V van de huidige cao is bepaald dat de functiebeschrijving een goed beeld moet geven van de op het moment van beschrijven binnen de organisatie uitgeoefende functie. Met betrekking tot de inhoud is bepaald dat functie-inhoud duidelijk en volledig omschreven moet worden, zonder dat dit hoeft te leiden tot eindeloze opsommingen (zie hiervoor 2.7).

4.16.

[eiser] heeft onder meer in zijn dagvaarding en pleitaantekeningen een opsomming gegeven van werkzaamheden en verantwoordelijkheden die volgens hem ten onrechte niet zijn opgenomen in de functiebeschrijving. Het gaat dan onder meer om het onderhouden van contacten met de pers, het coördineren van sportevenementen op de diverse locaties van [gedaagde] , het observeren, behandelen en begeleiden van bewoners en het opstellen van een trajectplan of bewegingsagogisch plan en het leveren van een bijdrage aan de preventie van (lichamelijke) klachten. Deze werkzaamheden staan niet in de functiebeschrijving begeleider gezonde levensstijl zoals opgesteld door [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat [eiser] individuele plannen maakt of bewoners behandelt. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat [eiser] weliswaar contacten met de pers heeft, maar dat dit geen onderdeel is van zijn functie. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat [eiser] tijdens de procedure bij haar heeft aangegeven dat hij zijn coördinerende rol nog toegevoegd wilde hebben aan de functiebeschrijving. Dit was akkoord voor [gedaagde] , maar is kennelijk door de bezwaarprocedures niet in de beschrijving terecht gekomen. Door [gedaagde] is wel bevestigd dat deze coördinerende rol onderdeel is van de functie van [eiser] . Daarnaast is tussen partijen niet in discussie dat [eiser] structureel wordt ingezet als ‘vliegende keep’ bij crisissituaties in één van de locaties. Deze taak volgt ook uit de afspraken die [gedaagde] op 23 februari 2017 heeft vastgelegd (zie hiervoor 2.8). Partijen twisten over de vraag of deze taak behoort tot de functie van [eiser] en daarmee ook in de functiebeschrijving zou moeten staan, of dat dit bijkomende werkzaamheden zijn die vallen buiten de functiebeschrijving (vergelijk punt 4 van onderdeel D van het FWG reglement van de huidige cao in 2.7).

4.17.

Uit het voorgaande volgt dat er in ieder geval twee taken zijn die [eiser] in zijn huidige functie vervult, maar die niet worden genoemd in de functiebeschrijving begeleider gezonde levensstijl. Daarnaast zijn er taken waarvan [eiser] stelt dat hij die binnen zijn functie uitvoert en die door [gedaagde] worden betwist. De kantonrechter heeft daarom behoefte aan voorlichting door een deskundige met betrekking tot de beschrijving van de werkzaamheden van [eiser] in het licht van de huidige cao. De te benoemen deskundige beschikt bij voorkeur over kennis of ervaring ten aanzien van het beschrijven van functies die vallen binnen de cao Geestelijke Gezondheidszorg. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ook aangegeven de benoeming van een deskundige op prijs te stellen. Voordat een deskundige wordt benoemd, stelt de kantonrechter partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het aantal, het specialisme en de naam (namen) van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. De kantonrechter geeft partijen in overweging gezamenlijk een deskundige voor te stellen. De kantonrechter verwijst de zaak hiervoor naar de rol.

4.18.

Daarbij is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van functiebeschrijvingen en dat (in ieder geval) de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1) Komt de functiebeschrijving begeleider gezonde levensstijl van [gedaagde] overeen met de werkzaamheden en de functie die door [eiser] wordt uitgeoefend?

a. a) Zo ja, is de functiebeschrijving - in overeenstemming met onderdeel D van het FWG reglement van de huidige cao - duidelijk en volledig omschreven?

i) Zo nee, welke onderdelen ontbreken aan de omschrijving?

b) Zo nee, komt de functiebeschrijving van [eiser] , zoals opgenomen in zijn bezwaarschrift van 5 juli 2018 overeen met de werkzaamheden en de functie die door [eiser] wordt uitgeoefend?

i) Zo ja, is deze functiebeschrijving - in overeenstemming met onderdeel D van het FWG reglement van de huidige cao - duidelijk en volledig omschreven?

(1) Zo nee, welke onderdelen ontbreken aan de omschrijving?

ii) Zo nee, kunt u een volledige beschrijving maken van de werkzaamheden die door [eiser] worden verricht en die onderdeel moeten uitmaken van de functiebeschrijving?

2) Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

4.19.

Omdat het op grond van de huidige cao de verplichting is van [gedaagde] om een functiebeschrijving vast te stellen moet [gedaagde] het voorschot op de kosten van de deskundige(n) betalen. In het eindvonnis zal worden beslist wie van partijen de kosten van die deskundige uiteindelijk moet dragen.

4.20.

De functiewaardering kan pas plaatsvinden na vaststelling van de functie overeenkomstig de definitieve functiebeschrijving. Dit wordt samen met iedere verdere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 31 augustus 2022 voor het nemen van een akte door beide partijen gelijktijdig met betrekking tot hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.20,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.P.M. Hennekens en in het openbaar uitgesproken op

1 Zie onder meer HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:678, rov. 3.4.2; HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687, rov. 3.4 en HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, rov. 4.2-4.5.