Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:3082

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-06-2022
Datum publicatie
29-06-2022
Zaaknummer
C/05/402066 / HA ZA 22-148
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incidenten (843a en vrijwaring). Bepaling MB in 843a-incident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/402066 / HA ZA 22-148

Vonnis in incidenten van 22 juni 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het 843a-incident,

verweerster in het vrijwaringsincident,

advocaten mrs. D.N. van Beem en L.J.M. Bruggeman te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 4] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweersters in het 843a-incident,

eiseressen in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. A. Klaassen te Barneveld.

Eiseres in de hoofdzaak zal hierna [eiseres] worden genoemd en de gedaagden in de hoofdzaak gezamenlijk [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot afgifte/inzage in stukken (843a Rv), met producties

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagden]

  • -

    de conclusie van antwoord in het 843a-incident van [gedaagden]

  • -

    de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in beide incidenten.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Tussen [eiseres] (als licentiegever) en [gedaagden] (als licentienemer) bestond in de periode 1 maart 2011 t/m 31 december 2013 een licentieovereenkomst op grond waarvan [gedaagden] gerechtigd was gebruik te maken van door [eiseres] ontwikkelde software. Het softwarepakket is in 2011 aan [gedaagden] geleverd door GNB B.V. (hierna: GNB). Deze licentieovereenkomst is door [gedaagden] schriftelijk opgezegd.

2.2.

[gedaagden] maakt voor de aanleg, service en het onderhoud van haar digitale systemen en infrastructuur gebruik van de dienstverlening van GNB. De rechtsopvolger van GNB is ECI Software Solutions B.V. (hierna: ECI).

2.3.

[eiseres] heeft in 2020 geconstateerd dat door haar ontwikkelde software in gebruik was bij een voormalig licentienemer van [eiseres] : [licentienemer] . Voor dat gebruik was door [eiseres] geen toestemming verleend. [eiseres] heeft aan Fox-IT B.V. (hierna: Fox-IT) opdracht verstrekt om een forensisch IT-onderzoek uit te voeren naar dat mogelijk onrechtmatige gebruik. Op 22 december 2020 heeft Fox-IT een rapportage opgeleverd met haar onderzoeksbevindingen (hierna: Fox-IT rapportage).

2.4.

In de Fox-IT rapportage staat op pagina’s 25 en 26 – voor zover relevant – vermeld:

De bestanden bevatten registraties van namen van databases, en systeem- en servernamen. De volgende namen van databases zijn aangetroffen:

(…)

[gedaagde 3]

_ [eiseres]

(…)

Daarnaast zijn de volgende systeem-/server-namen aangetroffen:

(…)

[gedaagde 3]

(…)

De namen van databases en systeem-/server-namen verwijzen naar klanten van [eiseres] die geen link lijken te hebben met [licentienemer] . Een hypothese is dat het bronsysteem van LSRV01 en LSRV02 actief is geweest binnen de netwerkomgevingen van deze [eiseres] klanten. Een andere hypothese is dat op het bronsysteem een verbinding is gemaakt met systemen waarvan slechts de naamgeving overeenkomt met klanten van [eiseres] .

De aangetroffen sporen ondersteunen beide hypotheses, waarvan de eerstgenoemde door Fox-IT als het meest waarschijnlijk wordt beschouwd. Kennis van de klanten van [eiseres] bestaat bij verkopers en vertegenwoordigers van [eiseres] .”

2.5.

In de Fox-IT rapportage staat op pagina 29 – voor zover relevant – vermeld:

1. Is het [eiseres] licentiesysteem bij [licentienemer] omzeild?

Ja, Fox-IT concludeert dat op de licentieservers LSRV01 en LSRV02 het licentiesysteem is omzeild.

2 Op welke wijze is het [eiseres] licentiesysteem bij [licentienemer] omzeild?

Fox-IT heeft op basis van het onderzoek vastgesteld dat het licentiesysteem is omzeild door handmatig de tijd terug te zetten met behulp van het Date Time Control panel. Dit is meerdere malen gebeurd op zowel systeem LSRV02 als op systeem LSRV01. Door een datum in te stellen op een datum die ligt vóór de einddatum van de licentie, is het verlopen van de licentie meerdere malen omzeild.

(…)

4 Zijn sporen aanwezig die kunnen helpen in het vaststellen wie deze activiteit heeft uitgevoerd?

Fox-IT acht het zeer waarschijnlijk de activiteiten zijn uitgevoerd onder een Administrator account op LSRV01 en LSRV02 en een gnbbeheer account binnen het Windows domein met de naam [licentienemer] -FISH. Externe verbindingen naar HVIS-WIN-01 van waaruit de systeemtijd op LSRV01 en LSRV02 is gewijzigd zijn terug te herleiden naar twee specifieke IP-adressen. Het ene IP-adres is direct gerelateerd aan GNB B.V., het andere kan worden geassocieerd met een medewerker van GNB B.V., [medewerker] .

5 Hoe kan worden bepaald of deze activiteit buiten [licentienemer] ook is uitgevoerd?

Door de beschreven onderzoeksopzet uit te voeren kan, wanneer aanwezig, dezelfde kunstgreep worden aangetoond op systemen buiten [licentienemer] . Dergelijk onderzoek zou primair kunnen worden beperkt tot de organisaties zoals aangetroffen in de UpdateDBlog. txt bestanden en tot de organisatie (…), waarvan een licentiebestand is aangetroffen.”

2.6.

Op 13 juni 2017 heeft een medewerker van GNB, de heer [medewerker] (hierna: [medewerker] ), de volgende WhatsApp-berichten verzonden naar een onbekende ontvanger:

2017-06-13 12:21:49 (UTC +2)

G Pfoe…endit. (…) heeft [eiseres] een poosje “illegaal” door mij gehackt langer kunnen gebruiker dan dat de licentie geldig was

2017-06-13 12:22:29 (UTC +2)

Hebben nu een brief gehad van [eiseres] waarin inzage wordt geeist op de server zodat ze kunnen nagaan dat [eiseres] na het verstrijken van de licentiedatum daadwerkelijk niet meer is gebruikt

2017-06-13 12:33:10 (UTC +2)

Heeft (…) ook zo’n brief gehad? En (…)? En [gedaagde 3] ? En (…)?

2.7.

[eiseres] is een bodemprocedure tegen [medewerker] gestart. Deze procedure is geëindigd vanwege een minnelijke regeling die [eiseres] en [medewerker] hebben getroffen.

2.8.

Op verzoek van [eiseres] heeft een deurwaarder op 11 januari 2022 met ondersteuning van een IT-expert globaal conservatoir beslag tot bescherming van bewijs gelegd op bescheiden die zich bevinden onder [gedaagden] De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft op 24 december 2021 hiertoe verlof verleend. Op 24 januari 2022 heeft een nadere selectie plaatsgevonden en is definitief conservatoir beslag gelegd op: (d)iverse digitale data, gekopieerd vanaf archiefdataserver, de dataserver en de SBS-server van [gedaagden] , houdende 35 documenten bestaande uit 6 e-mails en 29 pdf-bestanden gegenereerd vanuit [eiseres] -server, alle uit het jaar 2014 en jonger.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] te bevelen om met onmiddellijke ingang zich te onthouden en te zullen onthouden van iedere directe of indirecte inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] of handelingen die anderszins onrechtmatig zijn jegens [eiseres] ;

II. [gedaagden] ieder voor zich te bevelen om aan [eiseres] ten titel van dwangsom te betalen een bedrag van € 2.500,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor ieder(e) dag(deel) dat een gedaagde partij in strijd handelt met het onder sub I genoemde bevel;

III. [gedaagden] te bevelen aan [eiseres] te vergoeden alle schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het in de dagvaarding beschreven onrechtmatig c.q. inbreukmakend handelen, althans te veroordelen te vergoeden alle schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

IV. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om aan [eiseres] te vergoeden de door [eiseres] gemaakte kosten voor deskundigen en de deurwaarder ten bedrage van in totaal € 8.092,61 (exclusief btw), althans ten bedrage van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om aan [eiseres] te vergoeden de door [eiseres] gemaakte, nog te maken en nader te specificeren advocaatkosten overeenkomstig artikel 1019h Rv (de kosten van het incident daaronder begrepen), een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.

4 Het geschil in de incidenten

843a-incident

4.1.

[eiseres] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagden] ieder voor zich wordt bevolen om:

I. binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis inzage in en afschrift van de in beslag genomen bescheiden ten aanzien van de betreffende gedaagde te verschaffen, althans [eiseres] inzage in en afschrift van de door de rechtbank in goede justitie te bepalen bescheiden te verschaffen, en [eiseres] met toepassing van artikel 3:299 BW te machtigen om die inzage en dat afschrift na ommekomst van een week na betekening van het te wijzen vonnis bij de gerechtelijk bewaarder op te vragen;

II. binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis aan de advocaten van [eiseres] schriftelijk, gedetailleerd en volledige opgave te doen van de computerprogramma’s waarvan [eiseres] de auteursrechthebbende is die de betreffende gedaagde sinds wanneer en op welke wijze in gebruik heeft gehad (onder vermelding van de gebruikers, installaties en databases) en welke licenties die gedaagde daartoe meent te hebben gekregen, onder overlegging van (kopieën van) alle beschikbare verificatoire bescheiden;

III. aan [eiseres] ten titel van dwangsom te betalen een bedrag van € 2.500,00 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor ieder(e) dag(deel) dat de betreffende gedaagde in strijd handelt met de onder sub I en II genoemde bevelen.

4.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] ten grondslag dat zij overeenkomstig artikel 843a Rv jo. 1019a Rv recht heeft op inzage in de documenten die vallen onder het conservatoir beslag en ander bewijsmateriaal dat zich in de macht van [gedaagden] bevindt. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat uit de Fox-IT rapportage, in het bijzonder hetgeen is vermeld op pagina 25 en 26, en uit WhatsApp-berichten afkomstig van [medewerker] volgt dat [gedaagden] onrechtmatig gebruik heeft gemaakt en/of maakt van software van [eiseres] . Hierdoor is gelet op het bepaalde in artikel 1019a Rv sprake van een rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagden] in de zin van artikel 843a Rv. Bovendien ziet haar vordering op bepaalde bescheiden. Tot slot stelt [eiseres] dat zij rechtmatig belang heeft bij afgifte en inzage.

4.3.

[gedaagden] betwist dat zij na 2013 nog gebruik heeft gemaakt van software geleverd door [eiseres] en dat zij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [gedaagden] betwist dat aan de voorwaarden van artikel 843a Rv is voldaan, er bestaat geen rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagden] en [eiseres] heeft geen rechtmatig belang bij inzage. Bovendien, zo stelt [gedaagden] , is de uitzondering van artikel 843 a lid 4 Rv van toepassing omdat redelijkerwijs aangenomen moet worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

Vrijwaringsincident

4.4.

In dit incident vordert [gedaagden] dat haar wordt toegestaan ECI en [medewerker] in vrijwaring te dagvaarden.

4.5.

Aan deze vordering legt [gedaagden] ten grondslag dat zij voor de aanleg, service en het onderhoud van haar digitale systemen en infrastructuur tijdens en na 2014 gebruikmaakt van de dienstverlening van GNB, later ECI. [medewerker] was bij GNB werkzaam als contactpersoon c.q. relatiebeheerder voor [gedaagden] In de hoofdzaak wordt [gedaagden] verweten inbreuk te maken op de auteursrechten van [eiseres] . Aangezien (de rechtsvoorganger) van ECI verantwoordelijk was voor het volledige systeembeheer van [gedaagden] , is ECI verantwoordelijk voor het ontstaan van de vermeende auteursrechtinbreuk, zo betoogt [gedaagden] De verantwoordelijkheid voor de vermeende auteursrechtinbreuk zou ook kunnen liggen bij [medewerker] . Uit stukken die [eiseres] in de hoofdzaak heeft overgelegd, kan worden afgeleid dat [medewerker] betrokken is geweest bij het omzeilen van het licentiesysteem dan [eiseres] hanteert, zo stelt [gedaagden] Aangezien niet bekend is of [medewerker] op persoonlijke titel heeft gehandeld of onder verantwoordelijkheid van (de rechtsvoorganger) van ECI, houdt [gedaagden] ook [medewerker] verantwoordelijk voor de vermeende auteursrechtinbreuk.

4.6.

[eiseres] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

5 De beoordeling in de incidenten

Incident ex artikel 843a Rv

5.1.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat artikel 843a Rv niet ziet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel. Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien voldaan is aan de in het eerste lid van dat artikel genoemde cumulatieve voorwaarden, te weten:

a. de eiser moet een rechtmatig belang bij inzage, uittreksel of afschrift hebben;

b. de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden; en

c. de bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

5.2.

Op grond van artikel 1019a lid 1 Rv geldt een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom als een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv. De Hoge Raad heeft ten aanzien van artikel 1019a Rv geoordeeld dat voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 1019a Rv geldt dat – in geval van betwisting – niet al aan dat vereiste is voldaan als een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom onderbouwd is gesteld. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, moet in dat geval namelijk (ook) zodanige feiten en omstandigheden stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. Bij beantwoording van de vraag wat een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid is, is het uitgangspunt dat de lat minder hoog ligt dan de aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering, anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal, zie: HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251 (Semtex) en de in dat arrest genoemde jurisprudentie.

5.3.

[eiseres] stelt dat het voldoende aannemelijk is dat [gedaagden] inbreuk maakt op een recht van intellectuele eigendom en zij verzoekt inzage in meer en minder specifiek omschreven bescheiden. [gedaagden] heeft hiertegen verweer gevoerd. De rechtbank acht het, mede gelet op de betrokken belangen en de omvang van de partijdiscussie, wenselijk om deze incidentele vordering met de partijen te bespreken alvorens daarop incidenteel vonnis te wijzen. De rechtbank zal daarom een mondelinge behandeling bevelen.

5.4.

Tijdens de mondelinge behandeling wil de rechtbank in ieder geval een onderbouwde toelichting ontvangen op:

 het onderzoek en de bevindingen van Fox-IT,

 de stelling van [eiseres] (randnummer 10 dagvaarding) dat uit bescheiden die vielen binnen het onder [medewerker] gelegde bewijsbeslag blijkt dat [gedaagden] is betrokken bij de omzeilingen van de [eiseres] -software,

 de erkenning door [medewerker] dat hij betrokken is geweest bij de omzeiling van de [eiseres] -software en de inhoud van de tussen [medewerker] en [eiseres] gemaakte afspraken in het kader van een minnelijke regeling,

 de stelling van [gedaagden] dat zij per januari 2014 afscheid heeft genomen van de door [eiseres] ontwikkelde software en dat [gedaagden] sindsdien geen gebruik meer heeft gemaakt van software die door [eiseres] is geleverd,

 de relevantie van de documenten die vallen onder het conservatoir beslag in het licht van het antwoord van Fox-IT op de vraag hoe bepaald kan worden of de omzeilingsactiviteiten ook buiten [licentienemer] zijn uitgevoerd, zie het antwoord op vraag 5 (p. 29 Fox-IT rapportage),

 de brief die in 2017 door [eiseres] is verzonden waar [medewerker] aan refereert in het WhatsApp-bericht van 13 juni 2017 (12:22:29).

5.5.

Op de mondelinge behandeling zal ook worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure in de hoofdzaak moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen.

5.6.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.7.

In beginsel wordt tijdens de mondelinge behandeling aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen, waarbij van een maximale vrije spreektijd van 10 minuten moet worden uitgegaan. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

Vrijwaringsincident

5.8.

De incidentele conclusie tot vrijwaring is tijdig genomen. Artikel 210 lid 1 Rv bepaalt dat de gedaagde iemand in vrijwaring kan oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt, dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen.

5.9.

De rechtbank overweegt dat indien hetgeen [gedaagden] heeft gesteld juist is, zij de nadelige gevolgen van een eventueel in de hoofdzaak vast te stellen auteursrechtinbreuk geheel of ten dele kan afwentelen op ECI en/of [medewerker] . Daarmee is aan de onder r.o. 5.8 genoemde voorwaarde voldaan. De incidentele vordering van [gedaagden] kan in zoverre worden toegewezen. Mede om redenen van doelmatigheid zal de rechtbank iedere beslissing in het vrijwaringsincident aanhouden totdat ook kan worden beslist in het 843a-incident.

6 De beslissing

De rechtbank

in het 843a-incident

6.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen het nader onderbouwen van hun stellingen op de terechtzitting van een nader aan te wijzen rechter in een door de rechtbank vast te stellen locatie en op een nader vast te stellen datum en tijd,

6.2.

bepaalt dat [eiseres] en [gedaagden] dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 juli 2022 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juli tot en met november 2022, waarna dag en uur van mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

6.4.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

6.5.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

6.6.

wijst partijen er op, dat voor de zitting maximaal twee uur zal worden uitgetrokken,

6.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

in het vrijwaringsincident

6.8.

houdt iedere beslissing aan,

in de hoofdzaak

6.9.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2022.