Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:2962

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-06-2022
Datum publicatie
21-06-2022
Zaaknummer
C/05/392855 / HA RK 21-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Voorlopig deskundigenbericht. Letselschade. Nieuw deskundigenonderzoek na eerder beroep op blokkeringsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/392855 / HA RK 21-156

Beschikking van 14 juni 2022

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. Y.B. Boendermaker te Hilversum,

tegen

de naamloze vennootschap

[verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

advocaat mr. G. Loman te Assen.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties 1 tot en met 19

  • -

    het verweerschrift met producties 1 tot en met 12

  • -

    de aanvullende productie 20 van [verzoeker]

  • -

    de mondelinge behandeling van 14 februari 2022, waarbij enerzijds [verzoeker] en mr. Boendermaker voornoemd en anderzijds [bedrijfsjurist] , bedrijfsjurist bij [verweerster] , en mr. Loman voornoemd zijn verschenen. Mr. Boendermaker heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2 De beoordeling

2.1.

[verzoeker] is op 2 juli 2015 als motorrijder betrokken geraakt bij een verkeersongeval (hierna: het ongeval). Hij moest met een snelheid van 60 tot 70 kilometer per uur uitwijken voor een fietser, waarna hij ten val is gekomen en daarbij in aanraking is gekomen met een paaltje aan de zijkant van de weg. [verweerster] heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.2.

[verzoeker] stelt als gevolg van het ongeval blijvende knieklachten te hebben opgelopen. Partijen zijn een schadeafwikkelingstraject gestart. In het kader daarvan is [verzoeker] medio 2017 op gezamenlijk verzoek van partijen onderzocht door orthopedisch chirurg dr. [naam chirurg] , verbonden aan de KneeClinic te Haarlem en Amsterdam.

2.3.

Bij brief van 29 januari 2018 heeft de toenmalige belangenbehartiger van [verzoeker] [verweerster] , voor zover relevant, als volgt bericht:

‘De heer [verzoeker] is in het bezit gekomen van een conceptrapport van de heer [naam chirurg] en heeft gezien de uitkomst hiervan niet meer richting de specialist gereageerd. Enerzijds als gevolg van het feit dat orthopedisch chirurg [naam chirurg] naar zijn mening onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verhaal van betrokkene; anderzijds ook om persoonlijke redenen. (...)

De heer [verzoeker] heeft het rapport niet laten blokkeren, maar heeft feitelijk niet meer inhoudelijk richting orthopedisch chirurg [naam chirurg] gereageerd en deze lijkt thans ook geen verdere actie meer te ondernemen.’

2.4.

Op 8 maart 2018 heeft de letselschaderegelaar van [verweerster] bij [verzoeker] een huisbezoek afgelegd. In het daarvan opgemaakte rapport is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

‘Betrokkene is inmiddels bij de medisch expert dr. [naam chirurg] geweest voor een expertise. Betrokkene kwam te laat aan in verband met filevorming en het onderzoek is verder niet op een correcte manier gegaan volgens betrokkene. Men dient te begrijpen dat betrokkene erg veel afweet van knie- en enkelletsels omdat betrokkene een gediplomeerd voetbaltrainer is en veel met dit soort klachten te maken heeft. Hij vond het onderzoek door dr. [naam chirurg] erg oppervlakkig en van weinig toegevoegde waarde. Dr. [naam chirurg] heeft gerapporteerd, maar in het rapport staan aspecten waar betrokkene het niet mee eens is, zodat betrokkene zich beroept op het blokkeringsrecht. Voor wat betreft het oorzakelijk verband zou dokter [naam chirurg] hebben genoteerd dat het tijdsinterval na het ongeval te lang is geweest om met zekerheid te kunnen zeggen dat de rechterknieklachten ongevalsgevolg zijn.’

2.5.

Partijen hebben hierna nog verder overleg gevoerd over afwikkeling van de schade, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen.

2.6.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen door een orthopeed ter vaststelling van de klachten van [verzoeker] .

2.7.

[verweerster] verzet zich tegen inwilliging van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. In deze zaak heeft een deskundigenonderzoek op gezamenlijk verzoek van partijen plaatsgevonden. [verzoeker] heeft vervolgens gebruik gemaakt van zijn blokkeringsrecht. Nu hij opnieuw een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht heeft gedaan, dient hij zijn beroep op het blokkeringsrecht deugdelijk en met mededeling van de bezwaren te motiveren. Nu [verzoeker] dit heeft nagelaten is zijn verzoek niet toewijsbaar nu het niet ter zake dienend en onvoldoende concreet is. Er is immers reeds een rapport aanwezig. Bovendien is sprake van strijd met de goede procesorde en misbruik van bevoegdheid indien [verzoeker] een hem onwelgevallig rapport gemakkelijk kan inwisselen voor een ander rapport, aldus [verweerster] .

2.8.

Een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 lid 2 Rv biedt een partij de mogelijkheid om aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en daardoor beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is de procedure te beginnen of voort te zetten. Aan de rechter die moet oordelen over het verzoek om een dergelijk onderzoek te gelasten, komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Hij moet het onderzoek in beginsel bevelen, indien het verzoek voor genoemde afwegingen relevant kan zijn en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is echter anders als de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om zo’n verzoek te doen - bijvoorbeeld als dit door onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet kan worden toegelaten - of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar1.

2.9.

In deze zaak is in geschil of, in het licht van bovenstaand kader, het verzoek van [verzoeker] toewijsbaar is, ondanks dat [verzoeker] bij een eerder, op gezamenlijk verzoek van partijen uitgevoerd, deskundigenonderzoek gebruik heeft gemaakt van zijn blokkeringsrecht, althans de verspreiding van het opgestelde conceptrapport feitelijk heeft geblokkeerd. Uitgangspunt bij een deskundigenonderzoek is dat partijen op grond van art. 198 lid 3 Rv dienen mee te werken aan het onderzoek. Van niet meewerken is bijvoorbeeld sprake indien een partij met een beroep op het blokkeringsrecht van art. 7:464 lid 2 sub b BW heeft verhinderd dat van het deskundigenbericht mededeling wordt gedaan aan de wederpartij en de rechter. Wordt aan de verplichting tot meewerken aan het onderzoek niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij in de omstandigheden van het geval geraden acht2. Dit betekent dat wanneer een partij zich beroepen heeft op het blokkeringsrecht, een verzoek van die partij tot het gelasten van een nieuw deskundigenbericht niet zonder meer toewijsbaar is3. Anders dan [verzoeker] met verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam aanvoert4 betekent dit niet dat het blokkeringsrecht zou worden uitgehold. De parlementaire geschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor de gedachte dat een beroep op het inzage- en blokkeringsrecht geen consequenties zou mogen hebben5. Het blokkeringsrecht biedt immers slechts de mogelijkheid te voorkomen dat informatie die men voor zich wil houden aan de (mede)opdrachtgever tot de keuring wordt doorgegeven6. Het strekt er niet toe om dan (steeds) een hernieuwde keuring te kunnen verlangen, totdat een rapport tot stand is gekomen dat de blokkeringsgerechtigde welgevallig is, althans dat hij met de opdrachtgever zou willen delen. Dit zou naar het oordeel van de rechtbank in strijd komen met de goede procesorde. Anders dan [verzoeker] stelt is dit niet per definitie anders indien de blokkeringsgerechtigde de reden van zijn beroep op het blokkeringsrecht inhoudelijk motiveert, nog daargelaten dat die motivering moeilijk toetsbaar is nu het geblokkeerde rapport voor de wederpartij en de rechter niet inzichtelijk is.

2.10.

De voornoemde uitgangspunten zien op een door de rechter gelast (voorlopig) deskundigenbericht. Hiervan was bij het onderzoek door dr. [naam chirurg] geen sprake, nu dit in gezamenlijk overleg door partijen is geïnitieerd. Hoewel een dergelijk deskundigenrapport voor een belangrijk deel op één lijn is te stellen met een door de rechter gelast deskundigenbericht, temeer nu partijen anders niet snel geneigd zullen zijn een dergelijk onderzoek te entamineren7, bestaan er ook verschillen. Er kan bijvoorbeeld een verschil zitten in de mate waarin partijen zich bewust zijn van en gewezen zijn op de gevolgen van het niet of onvoldoende meewerken aan het onderzoek en hier meer specifiek van een beroep op het blokkeringsrecht. Dat voor [verzoeker] duidelijk was wat de gevolgen zouden kunnen zijn, is niet gebleken. Het enkele feit dat hij zich liet bijstaan door een medisch adviseur, zoals [verweerster] aanvoert, maakt dit niet anders.

2.11.

De rechtbank zal in genoemde omstandigheden aan het door [verzoeker] blokkeren van de (concept)uitkomst van het in gezamenlijke opdracht uitgevoerde deskundigenonderzoek hier niet het gevolg verbinden dat geen ruimte is voor een nieuw onderzoek, omdat dit strijd met de goede procesorde of een ander zwaarwegend bezwaar zou opleveren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat partijen nog steeds geen duidelijkheid hebben over de vraag die hen verdeeld houdt, te weten of en in hoeverre sprake is van (blijvend) knieletsel dat in causaal verband staat met het ongeval. Geen van partijen heeft bepleit dat het beroep op het blokkeringsrecht door [verzoeker] zou worden herroepen, waarna het onderzoek door [naam chirurg] alsnog zou kunnen worden afgerond, met verwerking van commentaar door beide partijen. Een nieuw deskundigenonderzoek lijkt dan aangewezen. Voor zover [verweerster] betoogt dat aan het uitoefenen van het blokkeringsrecht het gevolg moet worden verbonden dat er bij voorbaat van moet worden uitgegaan dat het blijvend knieletsel of causaal verband ontbreekt, acht de rechtbank dat disproportioneel. Het verzoek van [verzoeker] zal dus, nu verder door [verweerster] niet is betwist dat het ter zake dienend is om vast te stellen welke (knie)klachten [verzoeker] als gevolg van het ongeval ervaart, en daartoe advies van een orthopedisch chirurg in te winnen, worden toegewezen. Welke consequenties er eventueel nog moeten worden verbonden aan het eerdere inroepen van het blokkeringsrecht kan na afronding van het nieuwe deskundigenonderzoek nader aan de orde te komen in een door partijen aan te spannen hoofdzaak.

2.12.

[verzoeker] heeft verzocht als orthopedisch chirurg te benoemen dr. [naam chirurg] , verbonden aan het Orthopedisch Expertise Centrum te Amsterdam. [verweerster] heeft geen bezwaar gemaakt tegen benoeming van deze deskundige. Dr. [naam chirurg] heeft desgevraagd verklaard vrij te staan ten aanzien van partijen en bereid te zijn als deskundige op te treden in deze zaak. De rechtbank zal dan ook overgaan tot benoeming van [naam chirurg] als deskundige.

2.13.

[verweerster] heeft evenmin bezwaar gemaakt tegen voorlegging van de IWMD-vraagstelling met toelichtingen van de RMSR. De vraagstelling zal worden voorgelegd zoals hierna in het dictum weergegeven.

2.14.

De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat het voorschot door [verzoeker] moet worden betaald. Het feit dat opnieuw een deskundige dient te worden ingeschakeld is te wijten aan het inroepen van het blokkeringsrecht door [verzoeker] , zodat voorshands niet duidelijk is dat de deskundigenkosten aan te merken zijn als redelijke kosten ter vaststelling van de schade. Dat [verweerster] aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend vormt hier dan ook onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd.

De kosten van het orthopedisch onderzoek worden voorshands volgens de – verder niet gespecificeerde - opgave van deskundige [naam chirurg] begroot op € 4.200,00 exclusief btw, zijnde € 5.082,00 inclusief btw. De rechtbank geeft partijen de gelegenheid om binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking schriftelijk bezwaar te maken tegen deze begroting van de kosten, zoals hierna vermeld.

2.15.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.16.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst het verzoek tot benoeming van een orthopedisch chirurg als deskundige toe,

3.2.

beveelt een onderzoek ter beantwoording van de volgende vragen:

ALGEMENE TOELICHTING

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van

de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR. Deze richtlijn is digitaal te raadplegen via www.nvmsr.nl, > publicaties). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als

hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Aanbeveling 2.2.4. RMSR:

De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de

anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als “betrokkene zou (…)” worden vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven.

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Aanbeveling 2.2.6 RMSR:

Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Aanbeveling 2.2.5 RMSR:

Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voor zover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden.

Aanbeveling 2.2.7 RMSR:

Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden.

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Aanbeveling 2.2.8 RMSR:

Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Aanbeveling 2.2.15 RMSR:

Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven.

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

Aanbeveling 2.2.16 RMSR:

Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer

klachten aan een ongeval “toerekenen” of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen

(bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

3 OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

Aanbeveling 2.2.11 RMSR:

Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij ter zake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport.

3.3.

benoemt tot deskundige:

dr. [naam chirurg] , orthopedisch chirurg

correspondentieadres: p/a Secretariaat Orthopedie, Postbus 95500,

1090 HM Amsterdam

telefoon: [telefoonnummer] (secretariaat)

e-mailadres: [mailadres]

3.4.

bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking en van het procesdossier aan de deskundige zal toezenden,

3.5.

bepaalt dat toezending van een afschrift van het verzoekschrift aan de wederpartij achterwege kan blijven, nu deze reeds een afschrift toegezonden heeft gekregen,

3.6.

bepaalt dat [verzoeker] uiterlijk op 28 juni 2022 een afschrift van deze beschikking aan [verweerster] moet doen toekomen,

3.7.

bepaalt dat [verzoeker] wordt belast met het voorschot op de kosten van de deskundige,

3.8.

bepaalt met betrekking tot de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

1. partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking schriftelijk bezwaar maken tegen de voorgenomen vaststelling van het voorschot overeenkomstig de door de deskundige opgegeven begroting van € 5.082,00 inclusief btw,

2. indien niet (tijdig) bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten nu reeds vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag en bepaalt de rechtbank dat [verzoeker] uiterlijk op 5 juli 2022 als voorschot op de kosten van de deskundigen een bedrag van € 5.082,00 inclusief btw ter griffie van deze rechtbank zal deponeren door voldoening van de nota die het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen,

3. indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing,

3.9.

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige dan pas met zijn onderzoek behoeft te beginnen,

3.10.

bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

3.11.

bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of die deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

3.12.

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.13.

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank vóór 1 november 2022, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van de het definitieve rapport,

3.14.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2022.

1 HR 19 december 2003, NJ 2004, 584

2 HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1330 rov. 4.4.

3 vgl Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 april 2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:1216 rov 14.3.4 rechtbank Arnhem 16 februari 2011 ECLI:NL:RBARN:2011:BP6625 rov. 4.6., 4.7.en 4.11.

4 Gerechtshof Amsterdam 19 mei 2020, NL:ECLI:GHAMS:2020:1383

5 vgl. AG. Mr. E.M. Wesseling-van Gent bij HR 26 maart 2004 ECLI:NL:PHR:2004:AO1330 ov 3.18 en 3.46

6 vgl. AG. Mr. E.M. Wesseling-van Gent bij HR 26 maart 2004 ECLI:NL:PHR:2004:AO1330 ov 3.44

7 vgl. Gerechtshof Amsterdam 6 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9228 rov. 3.4.